Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Omgaan met wisselspelers
Leestijd 8-10 minuten
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 20 Januari 2017


De beste elf spelen, maar de kracht van een elftal wordt bepaald door de reservebank. Twee clichés, maar beide zo logisch als wat. Wij vroegen drie trainers hoe hun ideale reservebank eruit ziet en vooral hoe ze met hun wisselspelers omgaan. "Ik vind het weleens vervelend als ik een wisselspeler niet kan inbrengen."

Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld: Ruud Voest en Cynthia Kooijman

1. Hoe ziet jouw ideale reservebank eruit? Waar houd je rekening mee bij de samenstelling van je wisselspelers?

Gert Kruys, hoofdklasser DOVO: "In de ideale situatie heb ik zeven reservespelers op de bank: voor elke linie twee veldspelers plus een reservedoelman. Binnen de linies kies ik dan het liefst voor twee verschillende types die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld een kleine, snelle verdediger en eentje die fysiek sterk is. Maar zes veldspelers op de bank haal ik bij DOVO eigenlijk nooit. Onze A-selectie bestaat uit slechts zestien volwaardige basisspelers en een stuk of vier jonge, talentvolle jongens die meetrainen, maar nog wel een paar stapjes moeten maken. Doordeweeks ben ik niet alleen aan het puzzelen hoe de basisploeg er het komend weekend uit ziet, maar ik kijk ook alvast naar de bezetting van de reservebank. Ik houd daarbij altijd in mijn achterhoofd welke types ik nodig denk te hebben om een wedstrijd te veranderen. Sowieso neem ik altijd een reservekeeper, een verdediger, een middenvelder en een aanvaller mee. Wie het worden is een optelsom van de wijze waarop jongens trainen en wat ze in het tweede hebben laten zien. Spelers moeten het wel verdienen om bij DOVO op de bank te zitten."

Joost Kooijman, tweedeklasser CDW: "Ik heb ook het liefst voor elke linie een reserve, inclusief een keeper. Zeker bij thuiswedstrijden lukt dat meestal wel, want het eerste en tweede voetballen op dezelfde dag thuis en uit. Onze A-junioren spelen vaak op hetzelfde tijdstip, dus die gebruik ik alleen als ze in de basis starten. Ze doen wel mee met oefenwedstrijden en de duels van O23, zodat ze ervaring opdoen met het spelen van seniorenvoetbal. Naar leeftijd kijk ik niet, wel of spelers fit zijn. De concurrentie bij CDW is groot, dus fitte spelers die twee keer per week trainen maken een grotere kans op een plek bij het eerste dan anderen. Bij ons geldt dat een speler die niet voor het eerste uit wil komen of een reserverol weigert ook niet in het tweede speelt. Ze zijn selectiespeler en de trainers bepalen voor welk team ze in actie komen. Kan een speler daar niet tegen, dan mag hij in een lager team zijn kunsten vertonen."


Wim van Arnhem, vierdeklasser VSC: "Ondanks dat we op het laagste niveau spelen, heb ik altijd minimaal vijftien spelers tot mijn beschikking. Net als mijn collega-trainers probeer ook ik ervoor te zorgen dat ik voor elke linie een speler op de reservebank heb. Meestal lukt dat wel, want kwalitatief heb ik geen sterke selectie, kwantitatief wél. Bij mijn vorige clubs nam ik ook vaak een A-junior mee als wisselspeler, om hem te laten ervaren wat voetbal bij de senioren inhoudt. Mijn groep bij VSC bestaat echter al voor een groot deel uit zeer jonge spelers, dus nu doe ik dat liever niet. Wie op de reservebank zitten bepaal ik in samenspraak met mijn assistent-trainer, elftalleider en fysiotherapeut. Vooral die laatste speelt een belangrijke rol. Hij moet aangeven of het verantwoord is dat spelers die met pijntjes kampen kunnen spelen en hoe lang."

2. Op welke wijze bereid jij je reservespelers voor op de wedstrijd? Welke afspraken maak je, welke toezegging doe je?

Kruys: "Ik train donderdags gericht op de volgende wedstrijd en maak dan ook al de opstelling voor zaterdag bekend, inclusief de reservespelers. Toezeggingen dat een wisselspeler er hoe dan ook in komt, doe ik nooit. Maar als één van de basisspelers niet helemaal fit aan de wedstrijd begint, vertel ik de reserve wél dat de kans bestaat dat hij gaat spelen, omdat degene die op zijn positie staat het wellicht niet de hele wedstrijd volhoudt. Ik weet dat spelers het prettig vinden daarop voorbereid te zijn. Verder houd ik altijd rekening met een aantal scenario's en probeer ik op basis daarvan zo open en eerlijk mogelijk te zijn tegen al mijn (reserve)spelers."


Kooijman: "Toen ik zelf nog voetbalde accepteerde ik gewoon dat ik wissel stond en maar een paar minuten of helemaal niet mocht invallen. Tegenwoordig denken ze allemaal dat ze in de basis horen, een enkele uitzondering daargelaten. De omgang met teleurgestelde spelers vind ik misschien wel het lastigste onderdeel van het trainersvak. Bij elke club, ook bij CDW, heb je te maken met spelers die liever in het tweede voetballen dan dat ze reserve zijn bij het eerste. Ik begrijp dat en daarom zorg ik ervoor dat niet iedere week dezelfde spelers wissel zitten. Iemand die reserve is geweest en de week erop weer niet in aanmerking komt voor een basisplaats voetbalt dan in principe in het tweede. Ik zorg er sowieso voor dat spelers die net tekort komen voor de eerste elf speelritme opdoen in het tweede. En onze derde wissel speelt, zeker bij thuiswedstrijden, vrijwel altijd eerst 's ochtends in het tweede. Of ik mijn wisselspelers inzet vertel ik ze van tevoren niet. Ook leg ik niet uit welke rol ze krijgen. Ik kijk hoe de wedstrijd loopt en bepaal aan de hand daarvan wie ik inbreng en welke taak hij krijgt."

Van Arnhem: "Mijn spelers weten dat het verloop van de wedstrijd bepaalt of ik een reserve in het veld breng of niet. Ik wissel beslist niet om het wisselen, omdat iedereen zo nodig aan spelen moet toekomen. Maar als iemand die normaal basisspeler is terugkomt van een blessure, dan laat ik hem met het oog op de toekomst meestal wel invallen. Toezeggingen doe ik echter aan niemand, ook niet aan mijn beste spelers."

3. Als je een speler laat invallen, welke opdrachten geef je dan en wat vraag je van hem?


Kruys: "Wij hebben een redelijk strakke organisatie en een speelwijze die wij wekelijks intrainen. Voor iedereen is duidelijk welke taken bij de verschillende posities horen. Ook een speler die als invaller in de ploeg komt weet welke taak hij heeft. Verwacht ik wat anders van hem, dan geef ik die speler vlak voor zijn invalbeurt kort en bondig enkele instructies. Soms heb ik ook even snel contact met Bart van Brakel, Nick Coster of Roy Bakkenes, jongens in mijn ploeg die tactisch sterk zijn. En mijn assistent-trainer Ben Schinkel bereidt de corners en vrije ballen minutieus voor. Hij legt de invallers daarom kort uit wat hun rol is bij spelhervattingen. Tenslotte steek ik de speler nog een hart onder de riem en zeg 'dit is je kans', of 'kom op jochie, we hebben je nodig'. Standaardteksten die elke trainer zal bezigen, maar de invallers bij DOVO gaan tot nu toe als de brandweer en doen het vrij goed. Blijkbaar werkt onze aanpak dus."

Kooijman: "Wisselspelers laat ik meestal invallen op voor hen bekende posities. In principe weten ze dus wat ze moeten doen. Verdedigers wissel ik over het algemeen alleen noodgedwongen. Ik vind het belangrijk dat de verdedigende organisatie intact blijft. Meestal wissel ik een verdediger alleen als hij geblesseerd raakt of zijn dag niet heeft. Aanvallers komen er veel vaker in om een achterstand ongedaan te maken of bij een voorsprong, om de boel bij de tegenstander achterin lekker op te jagen. In een paar zinnen vertel ik vlak voordat ze het veld inkomen wat hun taak is. Het heeft naar mijn mening niet zo veel zin om ze vol te stoppen met opdrachten. De meeste spelers willen zo snel mogelijk het veld in en horen de helft toch niet."

Van Arnhem: "Tijdens de bespreking die ik voor de wedstrijd houd, vertel ik de ploeg wat ik van ze verwacht. Ook de reservespelers komen daarbij aan bod, dus als ze moeten invallen is hun taak geen verrassing voor ze. Een wisselspeler die ik direct na rust inbreng geef ik, voordat hij aan zijn warming-up begint, meestal wel enkele aanvullende instructies. Dit doe ik nog voordat ik met het team naar de kleedkamer ga. Spelers die tijdens de wedstrijd invallen, geef ik hooguit een opdracht mee voor de aanvoerder, verder laat ik ze zoveel mogelijk met rust."

4. Welke ‘nazorg’ geef je aan je reserves? Hangt dit af van het feit of ze wel of niet ingevallen zijn? Wie betrek je daarbij en maak je afspraken voor een volgende keer?

Kruys: "Ik vind het weleens vervelend als ik een wisselspeler niet kan inbrengen. In Quincy Arends heb ik een hele jonge talentvolle spits, die soms niet aan de beurt komt. Aan zo'n speler besteed ik dan wel wat aandacht. Ik ga een keer extra met hem trainen, of ik leg nog een keer uit waarom hij er niet in kwam. Samen met assistent-trainer Schinkel en elftalleider Kees Muller, allebei fantastische mensen met enorm veel ervaring, houden we dat proces goed in de gaten. Maar toezeggingen voor de week erop doe ik nooit; ik kan tenslotte niet voorspellen hoe de volgende wedstrijd verloopt."

Kooijman: "Mijn ervaring is dat je spelers vlak na de wedstrijd beter met rust kunt laten. Bovendien ben ik nog een beetje van de oude stempel. Een speler moet zelf ook aanvoelen waarom hij niet ingevallen is. Aan de andere kant hoort het er er tegenwoordig nu eenmaal bij, dus als een speler overduidelijk teleurgesteld is, zoek ik hem meestal wél even op. De meeste nazorg wordt echter verzorgd door mijn assistent-trainer of elftalleider. Zeker de reserves die niet in het veld zijn gekomen, krijgen van hen wat extra aandacht. Ik probeer het vooral zo te regelen dat ze een week later in tweede kunnen spelen. Eén van de jongere spelers in mijn selectie had laatst een slechte periode. Via het tweede en O23 knokte hij zich weer terug en op een gegeven moment was hij hartstikke scherp. Ik vertelde hem dat ik dat ook in het eerste wilde zien en toen ik hem liet invallen deed hij precies wat ik wilde. Zo'n speler geef ik dan graag een compliment."

Van Arnhem: "Direct na de wedstrijd doe ik helemaal niets aan nazorg. Spelers hebben het maar te accepteren als ze niet aan spelen toegekomen zijn. Op maandag houd ik voor de training een nabespreking. Daarin gaat het over de teamprestatie en ik leg sommige dingen op individueel niveau uit. Merk ik dat een speler teleurgesteld is, of heb ik het gevoel dat hij ergens mee zit, dan vraag ik aan mijn assistent of hij hem even wil opzoeken. Maar ik maak zeker geen afspraken over speeltijd bij een volgend duel. Maak je die afspraak, dan moet je 'm nakomen ook en garanties kan ik niemand geven. Helemáál eerlijk kun je als trainer nooit zijn, soms dwingen de omstandigheden je om te marchanderen. Maar je moet je beslissing altijd kunnen uitleggen aan de groep. Zo niet, dan ben je gezien."
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen