Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Open draaien
Leestijd 6-8 minuten
| Bedankt voor uw mening!
Dinsdag 11 Juli 2017

‘Goed opengedraaid staan’. Veel trainers besteden er aandacht aan. Frank Kolenbrander en Hans Brekelmans, de trainers van de MO17 van St. SOM uit Maasdriel maakten hier zelfs een echt speerpunt van. “Omdat het voor onze speelsters moeilijk is om de bal over lange afstanden te verplaatsen, zullen we vooral combinerend te werk moeten gaan. Dan is goed opengedraaid staan extra belangrijk.”

Tekst: Rob Robben | Beeld: Anthonie Steenbekkers

Sinds het begin van dit seizoen staan Frank Kolenbrander en Hans Brekelmans als trainer/coach aan het roer van het meidenteam O17 van St. SOM uit Maasdriel. De beide trainers zijn vanaf het begin, samen met Anthonie Steenbekkers als Hoofd Jeugdopleiding van de meisjes, aan de slag gegaan met het goed opengedraaid staan. Dat het goed opendraaien en een dito voortzetting een speerpunt is geworden bij de meiden van St. SOM heeft een oorzaak, vertelt Steenbekkers. “Toen we in 2015 in Canada de wereldkampioenschappen voetbal voor vrouwen zagen, was er nauwelijks sprake van sprankelend en attractief voetbal. De bal werd breed gespeeld, daarna terug en vervolgens weer breed. Er was nauwelijks drang naar voren. Wij vonden dat dit anders kon en moest en kwamen tot de conclusie dat een goede balaanname en een goede voortzetting hierbij van groot belang waren. Het goed opengedraaid staan is een van de voorwaarden om dit voor elkaar te krijgen. Daarom is dit facet inmiddels een rode draad geworden binnen onze trainingen van de MO17. Een andere reden om dit als speerpunt in onze trainingen te introduceren is het gegeven, dat het voor de meisjes soms lastig is om een bal over grote afstanden te verplaatsen. Ze missen daarvoor gewoonweg de kracht. We moeten daarom, nóg meer dan bij de jongens, via korte passes en combinaties tot aanvallend voetbal proberen te komen.”

Basisvaardigheid
Het trainersduo uit Maasdriel is van mening dat een goede aanname een basisvaardigheid is, die alle meiden eigenlijk onder de knie moeten krijgen. Brekelmans: “Een voorwaarde om een bal onder druk in korte tijd goed te verwerken is een goede aanname. Hierbij is het onder andere dus belangrijk hoe een speelster staat. Zij moet oog hebben voor haar medespeelster, die de bal gaat geven, maar ze moet ook een goed zicht hebben voor waar de bal zo meteen heen moet. Ze moet dus goed opengedraaid staan om de bal snel en goed te kunnen verwerken. Bij een goede aanname heeft ze sowieso meer tijd om te bal via een kaats, actie of pass te verwerken. Deze basisvaardigheid komt in onze trainingen steeds terug. Om het voor de speelsters aantrekkelijk te houden, trainen we dit aspect natuurlijk in verschillende vormen. Toch moet het voor de meiden altijd herkenbaar zijn, omdat dit vertrouwen en veiligheid geeft. Als je dit dan vervolgens in wedstrijden enkele keren terugziet, is dat voor de meiden en voor ons als trainers natuurlijk een echte succeservaring.”

Vooractie
Kolenbrander legt uit wat er zoal komt kijken bij een juiste uitvoering van hun oefenvormen. “Je moet als speelster van tevoren al bepalen waar de eventuele ruimte ligt, als je de bal aangespeeld krijgt. Ook moet je zelf bepalen, waar je de bal het liefst aangespeeld wilt krijgen. Hier hangt dan weer vanaf hoe je de juiste vooractie zult maken. Je moet dan eerst wegbewegen om de tegenstander uit die positie te lokken, waar jij de bal uiteindelijk wilt hebben. Belangrijk hierbij is, dat je goed oogcontact houdt met de bal en je medespeelster, maar ook zicht blijft houden op het gehele speelveld. Dat is dus goed opengedraaid staan. Een voorwaarde voor een goede vooractie is explosiviteit. De mate van explosiviteit bepaalt hoeveel afstand en tijd je wint op je tegenstander. Als ze dan vervolgens na een vooractie de bal vragen, willen we eigenlijk niet dat ze frontaal in de bal komen. Op deze manier kunnen ze meestal alleen maar terugkaatsen, waarmee ze dus niet verder kunnen opschuiven naar voren. We willen daarom, dat ze de bal altijd schuin in de opbouw komen vragen, zodat ze met een kwartslag draaien twee mogelijkheden hebben om in de opbouw verder te komen. Onze voorkeur gaat uiteraard uit naar een voorwaartse beweging. Als dit onverhoopt niet mogelijk is, dan kan er altijd nog gekaatst worden en dan liefst op ‘de derde man’. Om dit goed uit te voeren is het natuurlijk van groot belang, dat de speelster die de pass verstuurt, dit ook op het juiste moment doet, anders is het voordeel van een goede vooractie helemaal weg.”

Tweebenigheid
“Ik wil ook dat de speelster die de pass verstuurt de ontvangende speelster op een juiste wijze coacht. Zij moet de ontvangende speelster laten weten of die kan doordraaien of dat er gekaatst moet worden en op wie. Wij ervaren als trainers, dat dit bij de meiden nog best lastig is. Wellicht zijn ze bang om hierin fouten te maken. We benadrukken steeds dat het niet erg is als ze dit verkeerd doen, maar dat ze het in ieder geval wél moeten doen. Als de bal gespeeld wordt, is het spelen op het verste been absoluut een must. Als ze op het buitenste been worden aangespeeld is de kans om in zo min mogelijk handelingen open te draaien veel groter. Bovendien kan ze op die manier de directe tegenstander makkelijker op afstand houden indien ze toch onder druk wordt gezet.” Een ander belangrijk aspect in de trainingen bij hun meiden is tweebenigheid. Brekelmans vult aan: “Ja, hier trainen we erg veel op en ik durf gerust te zeggen, dat de meeste meiden van ons team dit nu op een heel behoorlijk niveau beheersen. Zo kunnen ze dus met het zwakkere been aannemen en met het sterke been doorspelen en andersom. Dit vergroot de afspeelmogelijkheden enorm en bovendien versnelt dit de handeling. Verder willen we het aantal balcontacten per keer zoveel mogelijk beperken. Ons streven is om de bal in twee balcontacten te kunnen doorspelen. Dit oefenen we zowel in pass- en trapoefeningen als in positie- en partijspelen.”

Paradepaardje
Om het opendraaien te trainen, heeft het trainersduo legio oefenvormen voorhanden. Brekelmans: “Een mooie pass- en trapvorm is die waarbij tien spelers de bal naar elkaar spelen en na de pass goed opengedraaid moeten staan om de bal met het buitenste been aan te nemen en met het andere been kruislings te passen. Door de spelers in de linker- en rechterrij na een aantal minuten te wisselen, worden ze gedwongen om zowel met links als rechts aan te nemen en door te spelen (oefenvorm 1).” De beide trainers zijn eensgezind als het gaat om hun favoriete oefenvorm, waarin het opendraaien centraal staat. Kolenbrander: “Inderdaad, we hebben een echt paradepaardje onder de oefeningen. In deze oefening moeten de spelers steeds een vooractie maken en zich zo aanbieden dat ze altijd opengedraaid staan en dat ze de bal dan op het buitenste been aangespeeld krijgen. Hierbij is het erg belangrijk dat de aanbiedende speelster op het laatste moment vertrekt, maar ze moet wel op tijd zijn om de bal te ontvangen. Dit vergt een perfecte timing. In deze oefening worden de speelsters gedwongen om ook het mindere been te gebruiken. Om de oefenvorm zo te maken, dat ze weer vooraan kunnen beginnen laten we de spelers op de terugweg een aantal keer passen en trappen op ‘de derde man’ (oefenvorm 2).”

Opendraaien in positiespelen
Om het allemaal wedstrijdechter te maken, hebben de trainers ook een aantal positie- en partijspelen, waarin het opendraaien centraal staat. Kolenbrander: “We spelen dan bijvoorbeeld in een rechthoek vijf tegen vijf. Op de korte zijden staan dan twee kaatsers. De balbezittende partij moet combinerend van de ene naar de andere kaatser gaan om een punt te kunnen scoren. De bedoeling is dat de kaatser wordt aangespeeld en dat dan ‘de derde man’ gezocht wordt. Vervolgens is het de bedoeling, dat ze dus combinerend de andere kaatser moeten zien te vinden. Hierbij moet de ontvangende ‘derde man’ dus steeds goed uitzakken en meteen opengedraaid staan, omdat die immers de andere kant op moet. In deze oefening wordt het opendraaien dus op een wedstrijdechte manier geoefend.” Brekelmans vult aan: “Een andere mooie oefening is die waar in een rechthoek vijf tegen vijf gespeeld wordt met aan de beide lange zijden één speelster van elke partij. Deze mensen aan de zijkant moeten aangespeeld worden en zelf het veld indribbelen. De inspelende speelster neemt haar plaats dan in. De mensen aan de zijkanten moeten altijd goed opengedraaid staan als ze de bal aangespeeld krijgen. Ze moeten nooit frontaal het veld indribbelen, maar altijd diagonaal.”
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R