Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Conditieopbouw via Positiespelen
Leestijd 6-8 minuten
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 6 Oktober 2017

Om de conditie van voetballers op het gewenste niveau te krijgen kun je als trainer elke week een flinke bosloop geven, of met je spelers de atletiekbaan opzoeken. Freek Ariëns, jeugdtrainer van Berghem Sport en student Human Movement Sciences, heeft een andere voorkeur. “Via positiespel kun je op een zeer voetbalspecifieke manier de conditie opbouwen.”

Tekst: Martin Veldhuizen | Beeld : Dennis Weisz

“Het positiespel is feitelijk een verkleinde wedstrijdvorm en herbergt vrijwel alle facetten van het voetbal. Op alle niveaus is het een veelgebruikte oefening, maar ik heb het idee dat dit vooral gebeurt vanwege de tactische en technische aspecten. Ook fysiek en cognitief wordt er in het positiespel echter veel van de spelers verlangd. Die laatste twee factoren zijn naar mijn mening onderbelicht. Sommige trainers gebruiken vooral allerlei loopoefeningen om de conditie van hun spelers op te bouwen. Onderzoek wijst echter uit dat er geen significante verschillen zijn tussen de effecten van enerzijds een High Intensity Interval Training en anderzijds een positiespel. Omdat positiespel de meest voetbalspecifieke trainingsvorm is, kies ik er veel liever voor om op die wijze aan de conditie te werken.”

Geen fan
“De makkelijkste manier om het uithoudingsvermogen te trainen is om te gaan hardlopen. Rondjes om het veld of op de atletiekbaan, een duurloop in het bos, tien sprints van zestig meter of meer, etc. Het grote voordeel is dat de hartslag hierbij goed te monitoren is, want die zal, omdat de intensiteit continu gelijk blijft, weinig schommelen gedurende de inspanningen. Voor een voetballer is het echter om meerdere redenen niet ideaal. Hardlopen is een duurinspanning, voetbal een intervalsport. Bij hardlopen wordt er maar één energiesysteem belast, het zuurstofsysteem, terwijl bij voetbal alle energiesystemen worden aangesproken. Verder veranderen voetballers voortdurend van richting, terwijl bij het hardlopen meestal in één richting wordt gelopen. Ook de tempowisselingen zijn tijdens het voetbal veel intenser. Die variëren van wandelen tot sprinten en alles wat er tussen zit. En niet onbelangrijk: de meeste spelers zijn geen fan van hardlopen. Ze hebben niet voor niets voor het voetballen gekozen. Voor mij zijn dit allemaal redenen om bij het opbouwen van de conditie de voorkeur te geven aan positiespelletjes.”

Variabelen
“Met het positiespel kun je oneindig variëren. De twee belangrijkste en waarschijnlijk ook meest toegepaste variabelen zijn het aantal spelers en de grootte van het veld. Elke trainer zal hiermee 'spelen'. Maar er zijn meer variabelen, waarmee je het bereiken van de juiste intensiteit van het positiespel kunt finetunen.”

Aantal spelers
“In de regel is het zo dat hoe kleiner de partijen (tot drie tegen drie), hoe intensiever de oefening. Kleinere partijen leiden tot meer sprints en explosieve acties, de afgelegde afstand per speler is minder dan bij grotere partijen. Deze kleine partijen zijn daarom met name goed voor het trainen van het anaerobe systeem (zie kader). Partijen tussen vier tot zes spelers herbergen zowel momenten van aerobe als anaerobe energieproductie en zijn daardoor een ideale tussenstap. Een partij zeven tegen zeven of meer is het minst intensief en heeft daardoor meestal een langere duur per herhaling. Bij deze partijen wordt hoofdzakelijk het aerobe systeem aangesproken.”

Veldgrootte
“Ongeacht het aantal spelers per team, neemt de hartslag en de afgelegde afstand toe als een speler sprint. Pas je de veldgrootte aan, dan pas je dus ook de intensiteit van de oefening aan.”

Doelen
“Positiespel zonder goals, waarbij spelen op balbezit het doel is, is het meest intensief, gevolgd door het spelen van lijndribbel. Daarna komt het gebruik van kleine doelen en tenslotte het gebruik van wedstrijddoelen met keeper. De afgelegde afstand per speler is kleiner als er met doelen wordt gespeeld. Bovendien is de intensiteit waarmee deze afstand wordt afgelegd, lager dan bij het spelen op balbezit.”

Aantal balcontacten
“Hoe kleiner het aantal balcontacten (van één of twee keer raken tot vrij spel), hoe intensiever de oefening. Beperk je een aantal balcontacten bij een positiespel met kleine aantallen (twee tot vier spelers), dan vergroot je niet alleen het aantal afgelegde meters, maar ook de intensiteit daarvan. Bij grotere partijen geldt dat wél voor de afgelegde afstand, maar niet voor de intensiteit.”

Man- of zonedekking
“Spelen met mandekking geeft een grotere fysieke inspanning dan spelen met zonedekking. Ook het aantal afgelegde meters per speler is bij mandekking veel groter.”

Numerieke ongelijkheid
“Een positiespel tussen teams met een ongelijk aantal, bijvoorbeeld vier tegen drie, zorgt ook voor een verandering in de te leveren inspanning. Over het algemeen moet het ondertal 'harder werken' en hebben die spelers een hogere hartslag dan hun tegenstanders.”

De coach
“Ook de coach speelt een rol bij de inspanning die wordt geleverd. Zit hij bovenop zijn ploeg en voorziet hij hen voortdurend van instructies en aanmoedigingen, dan leidt dit meestal tot een grotere motivatie van het team. Als gevolg daarvan neemt de intensiteit van de oefening automatisch toe.”

“Voor een goede opbouw van de intensiteit kun je het beste met een groot aantal spelers op een relatief klein veld beginnen. Vervolgens vergroot je, afhankelijk van je trainingsdoel, de intensiteit door te variëren met de hiervoor genoemde aspecten (zie tekening). Op een verantwoorde en vooral voetbalspecifieke wijze bouw je zo de conditie van je spelers stap voor stap op.”



Twee vliegen in een klap
“Natuurlijk heeft het positiespel ook nadelen. Je hebt bijvoorbeeld te maken met individuele verschillen tussen spelers. De één heeft nu eenmaal een betere conditie dan de ander. Maar ook met die verschillen kun je prima rekening houden. Kies je voor ongelijke partijen, deel dan de spelers met de beste conditie in bij het ondertal. Kies je bij het positiespel voor een kaatser, dan laat je de minder goed getrainde speler wat vaker als kaatser fungeren. Met deze maatregelen sla je twee vliegen in een klap. De conditioneel mindere spelers raken niet overbelast, terwijl de belasting bij de spelers die beter getraind zijn juist omhoog gaat.”

“Een ander probleem kan zijn dat het algehele technische niveau van de ploeg niet hoog genoeg is om de oefening goed uit te voeren. Hierdoor kan de gewenste intensiteit niet worden bereikt en daarmee lijdt het doel van je oefening – het verbeteren van het uithoudingsvermogen – onder de technische uitvoering. Dat wil je logischerwijs voorkomen. Zorg er daarom voor dat oefeningen niet te complex zijn. Hebben de spelers moeite met één keer raken, kies dan voor vrij spel en pas bijvoorbeeld het aantal spelers of de grootte van het veld aan. Het positiespel kent voldoende variabelen voor een geschikte oefenvorm.”
 
Aeroob en Anaeroob
Grofweg betekent aeroob 'met zuurstof’ en anaeroob ‘zonder zuurstof’. Bij anaerobe trainingen is er sprake van trainingen met een hoge intensiteit die van korte duur zijn, zoals krachttraining, touwtjespringen of sprints trekken. Het lichaam produceert in een korte periode veel energie zonder de hulp van zuurstof, waardoor de activiteit slechts voor een korte periode kan worden volgehouden. Aerobe trainingen zijn trainingen met een lagere intensiteit en een langere duur, zoals wandelen, joggen, fietsen of zwemmen. In dit geval kan het lichaam wel energie produceren met behulp van zuurstof, waardoor de activiteit veel langer kan worden volgehouden.
Ariëns: “Het is belangrijk om zowel aerobe als anaerobe trainingen te geven. Voetballers moeten immers explosief zijn, maar ook energie genoeg hebben om anderhalf uur te bewegen. Aan de hand van zijn hartslag kan worden vastgesteld hoe intensief een speler getraind heeft en hoe het met zijn conditie is gesteld. Idealiter meet je de hartslag met een hartslagmeter. In het profvoetbal zijn die niet meer weg te denken, maar ook amateurclubs maken er steeds vaker gebruik van. Met zo'n hartslagmeter kun je perfect zien hoe spelers op de wisselende inspanningen tijdens trainingen en wedstrijden reageren. En daarop kun je per speler de trainingsintensiteit aanpassen.

Een goedkope en simpele methode is spelers gedurende twintig seconden hun polshartslag te laten meten en die met drie te vermenigvuldigen. Of je laat hen een cijfer op een schaal van tien geven voor de vermoeidheid die ze ervaren, de zogenaamde Rate of Perceived Exertion (RPE). Dit is een bewezen maat die gerelateerd is aan de hartslag. Hoe hoger het cijfer, des te hoger de hartslag. Deze methoden zijn minder nauwkeurig, maar geven een indicatie hoe het met de conditie van de speler gesteld is. En dat vind ik een belangrijk gegeven om de juiste positiespelen te kiezen.”
 
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen