Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Van idealist naar realist
Leestijd 7-9 minuten
Donderdag 12 Oktober 2017

Peter van den Berg staat nog aan het begin van zijn carrière als hoofdtrainer in het betaalde voetbal. Waar de RKC-trainer vroeger nooit had gedacht om hoofdtrainer te worden, daar laat het hem nu niet meer los. “Hoofdtrainer zijn is een way of life.”

Tekst: Rogier Cuypers | Beeld: Gerrit van Keulen & Rogier Cuypers

Peter van den Berg, als voetballer een echte no nonsense-verdediger, was als beginnend trainer een idealist. “Geef mij een ploeg en ik maak er wat van. Daar was ik heilig van overtuigd. Daar ben ik nu overigens wel van teruggekomen. Als trainer ben je in veel gevallen afhankelijk van het spelersmateriaal en dat heeft weer te maken met het budget. Als je de budgetten van de clubs uit de Jupiler League naast elkaar legt, dan zal de eindstand op de ranglijst niet veel anders zijn. Misschien dat het één of twee plekken scheelt.”

RKC Waalwijk
In 2015 startte Van den Berg als hoofdtrainer bij de Waalwijkers waar hij het stokje overnam van Martin Koopman. De laatste twaalf duels van de jaargang 2015-2016 was hij eindverantwoordelijk. “Destijds stond de ploeg stijf onderaan en hadden de spelers weinig vertrouwen. Ik begon in februari, terwijl mijn contract pas op 1 juli van dat jaar in ging. We hebben toen veel jonge spelers gehaald, die erg onervaren waren. Ik had niets te verliezen. Vanuit mijn filosofie ‘geef mij een groep en ik maak er wat van’ ben ik aan de slag gegaan. Ik had een hoop draagvlak en krediet vanwege mijn status als oud-speler. Als speler was je een held, maar als trainer heb ik ervaren dat het heel anders is. Alles draaide bij de club om overleven. Vooral financieel gezien en daardoor werd het voetbal iets naar de achtergrond gedrongen. Gelukkig is de begroting de laatste jaren iets opgekrikt. Nu kunnen we met spelers om tafel waar we dat twee jaar geleden niet mee konden. En sportief gezien was het vorig jaar ook niet slecht, toen we ons last minute voor de play-offs plaatsten. Alleen waren we kansloos tegen Emmen, want zij waren al weken zeker van die play-offs en konden zich echt focussen op die wedstrijd. Wij moesten drie dagen nadat we ons plaatsten al tegen hen aantreden en verloren thuis met 1-5. De terugwedstrijd wonnen we wel met 0-1, maar dat was een formaliteit.”

Zware opgave
Het zijn van hoofdtrainer bleek voor Van den Berg een zware opgave. Het is niet even de ‘poppetjes’ op de juiste plek zetten en invulling geven aan de trainingen. “Je bent verantwoordelijk voor een hele organisatie van het team: de planning, de inhoud van de trainingen, je moet de ontwikkeling van de spelers in de gaten houden, gesprekken met de spelers… Daarnaast moet je als trainer ook mensen teleurstellen die niet in de basis staan. Vaak heb je op persoonlijk vlak een goede band, maar je bent wel de klootzak als je de beslissing neemt om een speler op de bank te zetten. Dat zijn lastige dingen. Het voeren van slecht nieuws gesprekken is ook echt iets dat je moet leren. Met twintig spelers in de selectie moet je de juiste keuzes maken. Spelers willen dan ook uitleg waarom ze niet spelen. Als speler ben ik zelf nooit bij een trainer naar binnen gestapt waarom ik niet speelde, maar dat is nu anders. De tendens is dat spelers meer willen meedenken en uitleg willen waarom ze niet spelen. Dat wil ik vóór zijn, dus probeer ik ze vooraf bij me te halen voordat ik de opstelling bekendmaak. De opstelling geef ik ook een dag voor de wedstrijd vrij, want als spelers dat op de wedstrijddag horen, dan zitten ze nog in de teleurstelling. Het is logisch dat spelers teleurgesteld zijn als ze niet spelen en dat moet ook. Je moet het nooit accepteren, maar wel respecteren. Als je het te horen krijgt mag je wat minder in je vel zitten, maar op de wedstrijddag moet je weer gefocust zijn. Doe je dat niet, dan heb je een probleem en heb ik je niet nodig. Ik probeer zo vaak mogelijk met spelers te praten, maar het gaat er vooral om wat voor een zelfbeeld ze hebben en hoe ze naar zichzelf kijken. Soms denken spelers dat ze moeten spelen, terwijl ze maar op zestig procent hebben getraind. Dan hebben ze zelf het idee dat ze wel voluit getraind hebben. Dat slaat nergens op. Ik probeer ervoor te zorgen dat ze een realistischer zelfbeeld krijgen. Ik vraag ook vaak wat ze zelf van hun wedstrijd of training vonden. Sommige jongens hebben juist een negatief zelfbeeld en anderen een erg positief. Dat probeer je in balans te krijgen. Maar ook ik heb een grens. Als ik een aantal keer met een speler over zijn functioneren heb gesproken en hij vindt dat hij goed traint en ik zie dat anders, dan moet hij dingen veranderen. De basis van voetbal is dat je bereid bent hard te werken. Je hoeft niet alles goed te doen, maar ik wil dat iedereen ook alles geeft tijdens de trainingen om beter te worden. Als je de poort uitloopt moet je het idee hebben dat je weer iets beter geworden bent. Dat klinkt misschien idealistisch, maar jongens die zo’n instelling hebben die hebben een streepje voor bij mij.”

Inzet
Toch weet de hoofdtrainer van RKC Waalwijk dat niet elke speler hetzelfde is. “Je hebt ook spelers met bepaalde kwaliteiten. Neem vroeger Romario. Die trainde echt niet de pannen van het dak, maar besliste wel wedstrijden voor je. Op ons niveau heb je ook die spelers. Maar als je dan nog harder traint, dan word je nog beter als speler. Zo was ik als speler en misschien is dat niet eerlijk tegenover de huidige generatie. Ik ben niet zo ver gekomen vanwege mijn voetbalkwaliteiten, maar omdat ik er altijd het maximale uithaalde. Vervolgens is het aan de trainer of hij het wel of niet in je ziet zitten. Als je alles geeft kan je echter nooit verweten worden dat je niet alles hebt gedaan om je in het elftal te spelen. En als een andere club naar je informeert, kan een trainer ook niet zeggen dat je de kantjes er vanaf loopt. Daarom wil ik dat spelers in zichzelf investeren en die lat steeds hoger leggen.”

Focuspunten
Als relatief beginnende trainer wil de voormalig verdediger nog een hoop leren. Met name op het gebied van people management. “Toen ik hier instapte had ik weinig last daar waar het ging om het groepsproces te beïnvloeden. Toen het slecht ging met de club, heeft dat groepsproces zich gelijkmatig ontwikkeld. Toch is dat beheersen en beïnvloeden daarvan een hele kunst. Ik probeer veel te praten met collega’s en te kijken hoe zij dat doen. Bij Sparta was Leo Beenhakker technisch directeur toen ik daar trainde en ik heb veel met hem mogen sparren. Beenhakker zei altijd dat vijftig procent bestaat uit voetbal en de andere helft het managen van een groep is. Je moet elkaar als spelers respecteren, maar hoeft geen vrienden te zijn.”

De band tussen trainer en spelers is prima, maar dat staat volgens Van den Berg helemaal los van het feit dat hij erg direct is tegen hen. “Natuurlijk spreek ik tijdens de training of wedstrijd iemand wel eens aan op zijn functioneren. Dat een speler diep moet gaan of waarom er geen druk gezet wordt. Dat gaat dan wel gepaard met de nodige krachttermen. Zoiets heeft niets te maken met de persoonlijke verhoudingen. Het is een zakelijke boodschap die dan vaak wel persoonlijk wordt opgevat. Zeker als het vaak dezelfde spelers betreft. Dan denken die jongens dat ik wat tegen ze heb. Het is de kunst om dat te beheersen en ook om te zorgen dat de spelers in de kleedkamer goed met elkaar omgaan. Dat zit hem vaak in de persoonlijke benadering naar jongens toe. Als je een akkefietje met een speler hebt gehad, dat je er achteraf even op een rustige manier bij hem op terugkomt. Ik zorg ook dat ik energie blijf stoppen in de persoonlijke sfeer. Dan kan ik iemand tijdens de training affikken, maar vraag ik na de training hoe het thuis is. Als spelers onderling een kortlopend conflict hebben op basis van iets dat op het veld is geroepen, vind ik dat prima. Wordt het een sluimerend conflict dan moet je dat proberen te beheersen, maar dat is lastig. Peter Bosz is daar ooit eens ingedoken en hij zei dat je drie leiders moet hebben in een groep en dat die drie leiders moeten zorgen dat de groep bij elkaar blijft. Er moet onderling een respectvolle verhouding zijn, ondanks dat je altijd wrijvingen blijft houden.”

Tactiek
De RKC-trainer is altijd verdediger geweest, maar heeft de filosofie van een aanvallende trainer. “De laatste jaren is de ontwikkeling ingezet dat het niet zozeer gaat om het spelsystemen, maar om het uitvoeren van spelprincipes. De invulling van de individuele kwaliteiten van de spelers. Ik ben een Nederlandse trainer en praat graag over aanvallen. Ik wil hoog druk zetten, maar dat is afhankelijk van wat je ter beschikking hebt. Als je namelijk voorin twee of drie enorm snelle voorhoedespelers hebt, kan de strategie zijn dat je inzakt en bij balbezit meteen de diepte bespeelt met die snelheid. Het liefst wil ik op de helft van de tegenstander pressen. De intentie is hoog druk zetten en de dichtstbijzijnde man moet pressie geven op de bal, of hij nou een directe tegenstander heeft of niet. Uiteindelijk is het belangrijk om te kijken hoe zijn omgeving er vervolgens op reageert. Als iemand doorstapt naar de tegenstander met bal, laat hij soms een man los. Dan moet een teamgenoot ook zijn tegenstander los durven te laten en naar die andere tegenstander door durven te stappen. Dat soort herkenningspunten moeten meer in de ploeg komen. Dat heeft met veldbezetting te maken. Verdedigend gezien wil ik veel mensen rond de bal zien. Dan hoeft er niet eens een tackle of aanval op de bal plaats te vinden. Als er veel druk gezet wordt, is de kans groot dat de tegenstander een blinde bal naar voren geeft.”

Grote vormen
Veel trainers gebruiken vaak kleine vormen om hun tactische principes trainbaar te maken. Al blijft voor iedere trainer de elf tegen elf het meest wedstrijdecht. Van den Berg denkt daar exact hetzelfde over. “Ik pak eigenlijk altijd de elf tegen elf. Je kunt wel vereenvoudigde vormen pakken, maar het werkt het beste in de elf tegen elf. Je komt in situaties terecht waar je in de wedstrijd tegenaan loopt. Je kunt natuurlijk wel het veld kleiner maken en inzoomen op een bepaald deel op het veld, maar in kleinere vormen moet je altijd concessies doen. Als het gaat om het uitleggen van de principes en druk zetten op de bal, kan dat ook in de vier tegen vier. Dan speelt de keeper de verdediger in en wordt er meteen druk gezet. De verdediger wil dan een driehoek creëren met de middenvelders om de back vrij te spelen. Zorg als verdedigende partij dat die driehoek niet gemaakt kan worden. Dat doe je door vóór een speler te dekken en de lijn eruit te halen, zodat de lange bal gespeeld moet worden. Dat luistert erg nauw in de vier tegen vier. Ik wil de spelers niet teveel met informatie overvoeren, dus ik doe dat gefaseerd in trainingen. De principes moeten er uiteindelijk in zitten. Aanvallend gezien wil ik veel lopende mensen hebben. Als je een topploeg probeert te analyseren, dan is er bijna geen touw meer aan vast te knopen. Iedereen loopt in de vrij ruimtes. En dat zijn vaak meters om een medespeler vrij te krijgen. Dat zijn interessante dingen om naar te kijken. De kwaliteit en inzicht van spelers is daarin erg belangrijk. Ik heb bijvoorbeeld een hekel als een back vrij aan de bal is en mijn middenvelder, wanneer hij in de rug gedekt wordt, schuin in de bal loopt. Als de back hem vervolgens inspeelt, zijn er bijna geen opties. Dat kun je trainen door positiespel, want ik wil die middenvelder weg hebben.”

Opbouw
Het grote verschil tussen de Eredivisie en de Jupiler League is volgens de oefenmeester de opbouw. In de Eredivisie krijg je vaak meer tijd dan een niveautje lager. “In de Jupiler League krijg je de opbouw niet cadeau. Dus moet je de opbouw van achteruit met een aantal kunstgrepen uitvoeren. Wat doe je als de tegenstander met de ‘10’ druk zet en onze ‘6’ vastzet? Dan is onze ‘10’ vrij, maar hoe bereik je hem? Dan kun je er bijvoorbeeld voor kiezen om de lange bal richting de spits te spelen, zodat de aanvallende middenvelder er onder kan komen. Maar uiteindelijk stelt een tegenstander zich daar op in. In de Eredivisie was mijn ervaring dat je de bal vrij had in de eerste zone. Tegenstanders probeerden jou bijvoorbeeld de bal te laten spelen die zij wilden, met als doel om via een onderschepping meteen de counter in te zetten. In de Jupiler League zetten ze hoog druk. Ook in deze competitie heb je goede ploegen die zo ver zijn dat ze bepalen wie bij de tegenstander de opbouw verzorgt. Uiteindelijk willen wij daar ook naartoe.”

Kwaliteiten
“Het is voor mijzelf ook nog uitzoeken waar mijn kwaliteiten liggen”, vervolgt Van den Berg. “Uiteindelijk moet je als trainer wel onderscheidend zijn. Ik ben niet de beste trainer van de Jupiler League, want ik moet nog veel stappen maken om beter te worden. Vanuit het verleden als speler herken ik veel dingen in het veld. Als trainer is het belangrijk om te zien hoe jouw ploeg steeds de vrije man bereikt. Dat probeer je te beïnvloeden. Ik merkte dat in mijn tijd bij Sparta dat vrij snel ging. Qua talent lag dat op een iets hoger niveau en hier heb ik hier wat meer tijd nodig om dat voor elkaar te krijgen. Deed ik daar bijvoorbeeld twee trainingen er over om dingen voor elkaar te krijgen, dan heb ik er hier vijf voor nodig. En de spelers hier zijn allemaal verschillend opgeleid. Bij Sparta wisten ze bij de pupillen al hoe we als club wilden spelen. Dan gaan dingen automatisch. Hier heb ik te maken met oudere spelers die wat mondiger zijn en dan is het soms lastiger om de groep dingen eigen te laten maken. Als we bij Sparta op vrijdag de elf tegen elf op de training deden, dan kwam een aantal zaken die we daar bespraken op zaterdag al meteen naar voren.”

Ambities
Van den Berg is geen planner. Hij was dat als voetballer niet en is dat als trainer ook zeker niet. “In de voetballerij valt er bijna niets te plannen. Ik heb bijvoorbeeld in de jeugd bij Excelsior gespeeld en vervolgens vijf jaar in het eerste. Dat was achteraf misschien iets te lang geweest. Vervolgens ben ik onder andere naar Cambuur en AZ gegaan. Ik heb dingen altijd laten gebeuren. Mijn ambitie is om een zo goed mogelijke trainer-coach te worden. De stress die het vak met zich meebrengt voorkom je niet, ondanks dat de druk hier niet zo hoog ligt. Het blijft me bezighouden. Dit is geen vak, maar een way of life. Ik ben hier continu mee bezig.”
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen