Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Baas in het 1 tegen 1 duel
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 8 December 2017

“Spelers die de baas zijn in het één-tegen-één duel, kunnen nog steeds het verschil maken. Cristiano Ronaldo en Lionel Messi zijn de beste voorbeelden, maar ook Harry Kane is vaak bepalend op basis van zijn techniek.” Bjorn Verbeij, jeugdtrainer bij RVC'33, legt uit hoe hij voetballers leert het één-tegen-één duel te winnen.

Tekst: Martin Veldhuizen | Foto's: Bjorn Verbeij

Bjorn Verbeij heeft ondanks zijn jonge leeftijd, de Reeuwijker is 24 jaar, al een flink voetbal-CV opgebouwd. In die jaren leerde hij dat spelers die een tegenstander kunnen uitspelen, nog steeds het verschil kunnen maken in het huidige voetbal. Dit ondanks dat de fysieke eigenschappen van voetballers steeds belangrijker lijken te worden. Dat Christiano Ronaldo en Lionel Messi in dat kader als voorbeeld worden genoemd, zal niemand verbazen, maar Verbeij noemt een dag na het Champions Leagueduel tussen Tottenham Hotspur en Borussia Dortmund ook Tottenham-spits en tweevoudig doelpuntenmaker Harry Kane.

“Een tegenstander kun je op verschillende manieren uitspelen. Ronaldo gebruikt een arsenaal aan schijnbewegingen, waarbij de schaar zijn favoriete beweging is. Messi is razendsnel en lijkt zijn tegenstanders gewoon voorbij te lopen. Kane is een meester in het zichzelf vrijspelen en heeft vervolgens een dodelijk precies schot. Drie verschillende spelers, die ieder op hun eigen manier een enorme waarde hebben voor hun ploeg. De spelers waar ik mee werk hebben minder talent dan die drie, maar ook op hun niveau kunnen ze beslissingen forceren door hun tegenstander in het één-tegen-één duel de baas te zijn. Ik bied mijn spelers allerlei oefenvormen aan, waarbij ze hun tegenstander moeten uitspelen. Ze vinden dat niet alleen leuk, ze worden er ook betere voetballers van.”

Schoenveters
Verbeij onderscheidt in zijn oefenvormen drie verschillende situaties: de tegenstander bevindt zich recht voor zijn speler, de tegenstander komt van opzij, of de tegenstander loopt of staat achter zijn speler. “Bij de voetbalschool trainen we de verschillende situaties in drie afzonderlijke blokken van drie weken. In het vierde en laatste blok van drie weken komen alle situaties door elkaar heen aan bod. We beginnen altijd met de situatie dat je de tegenstander frontaal nadert (zie tekening 1). Drie aspecten zijn daarin belangrijk: de bal onder controle houden, snelheid en de beweging uitvoeren ruim om de tegenstander heen. Terwijl de speler op z'n tegenstander af dribbelt, hamer ik erop dat hij de bal kort bij zich houdt. Ik zeg altijd dat hij bij elke stap de bal met zijn wreef of schoenveters moet raken. We beginnen uiteraard in een rustig tempo. Naarmate het dribbelen beter gaat, wordt de snelheid steeds meer opgevoerd.”


Tekening 1

Is de afstand tot de tegenstander ongeveer een meter, dan moet de passeerbeweging worden ingezet, doceert Verbeij. “De bal moet met buitenkant voet zijwaarts worden verplaatst richting de kant waarlangs de tegenstander gepasseerd wordt. Daarna moet de bal met de binnenkant van dezelfde voet worden meegenomen, waarbij het eigen lichaam zich tussen de bal en de tegenstander wringt, zodat de bal wordt beschermd. Tenslotte wil ik dat de speler schuin richting zijn oorspronkelijke looplijn beweegt, zodat zijn tegenspeler zich achter hem bevindt. Pas in een volgende fase gaan we schijnbewegingen gebruiken. We beginnen met een passeerbeweging, waarbij de speler een stap maakt naar de andere kant dan waarlangs hij de tegenstander wil passeren. Ook het bovenlichaam moet meebewegen, zodat de tegenstander echt op het verkeerde been wordt gezet. Beheerst een speler de zijstap, dan gaan we verder met de schaar. Tenslotte oefenen we de dubbele stap en dubbele schaar. We trainen de bewegingen met beide benen, zoals we dat bij alle oefeningen doen. Het mooiste, maar ook het moeilijkste, is als een speler de bewegingen in hoog tempo kan uitvoeren.”

Ruimte
In het tweede blok wordt geleerd hoe een speler een tegenstander kan uitspelen die zich (schuin) naast hem bevindt. Een oefenvorm die Verbeij veel gebruikt is een één-tegen-één duel waarbij op twee verschillende doeltjes kan worden gescoord (zie tekening 2). “Als de tegenstander naast je opduikt is het allereerst belangrijk om te weten hoeveel ruimte je hebt. Is je tegenstander niet al te dichtbij en wil je zijn kant op, dan kun je zo draaien dat je hem frontaal voor je krijgt. In die gevallen kan de speler gebruik maken van de bewegingen die we hiervoor beschreven hebben. Zit de tegenstander echter vlak naast je, dan heeft het weinig zin zijn kant op te draaien. De kans op balverlies is dan te groot. De speler moet dus bij de tegenstander wegdraaien, in de richting waar de ruimte ligt.”


Tekening 2



In deze oefenvorm keert het wegdraaien en ruimte zoeken veelvuldig terug. “Speler 1 passt de bal naar zijn tegenstander en wordt direct daarna verdediger. Omdat de speler met bal zo snel mogelijk richting één van de doeltjes zal gaan, krijgt hij direct te maken met een tegenstander van opzij. Het scoren van een doelpunt is het uitgangspunt van deze oefening, maar ik zie veel liever dat spelers hun tegenstander helemaal doldraaien. 'Maak je tegenstander maar gek', roep ik vaak. Het is bij deze oefening niet alleen belangrijk dat ze de ruimte benutten, ik let er vooral op dat ze bij het wegdraaien beide benen gebruiken, de beweging met binnen- en buitenkant voet uitvoeren en dat ze met het juiste been de bal beroeren. Dat is het been dat het verst van de tegenstander is, zodat ze ook nu met hun lichaam de bal afschermen. Een speler die de beweging met beide benen met binnen- en buitenkant voet kan uitvoeren, kan tijdens de wedstrijd alle kanten op.”

Ooghoeken
Beheerst een speler het uitspelen van een tegenstander die vóór of náást hem opduikt, dan is het tijd voor de derde en moeilijkste situatie. “Een tegenspeler die achter je staat, is voor veel spelers het lastigst. Je wilt weten waar hij is, zodat je weet hoeveel ruimte en tijd je hebt voor je actie. Staat hij ergens achter je, dan moet je je hoofd bijna 180 graden draaien om te zien waar hij precies is. De tijd die je daarvoor nodig hebt, kun je net tekortkomen voor een succesvolle actie. Als een speler zich aanspeelbaar wil maken, moet hij dus niet in een rechte lijn van zijn tegenstander weglopen, maar schuin (zie oefenvorm 1). Vanuit zijn ooghoeken heeft hij zo zicht op de positie van zijn verdediger, zodat hij weet langs welke kant hij de meeste ruimte heeft om hem te passeren.”

“Bij deze oefening is het de bedoeling dat een speler zich aanbiedt, de bal niet aanneemt maar direct bij zijn tegenstander wegdraait en vervolgens scoort door over een lijn te dribbelen. Ik begin meestal gelijk met een actieve in plaats van passieve verdediger, zodat de speler die de bal ontvangt geconfronteerd wordt met een wedstrijdechte situatie. Ik let op een aantal zaken. Allereerst op het juiste moment van vrijlopen. Voor een goede vervolgactie is het van belang dat een speler bij ontvangst van de bal zoveel mogelijk ruimte heeft. Bij het wegdraaien vind ik het belangrijk dat ze de richting kiezen waar de meeste ruimte ligt. De bal moeten ze daarbij zoveel mogelijk met het juiste been beroeren. Draait een speler naar rechts, dan moet hij in principe dus zijn linkerbeen gebruiken, zodat hij met zijn lichaam de bal kan beschermen. Deze oefening gebruik ik in verschillende variaties. De ene keer posteer ik de verdediger recht achter de aanvaller, de andere keer meer schuin, waarbij de aanvaller gedwongen wordt om een bepaalde kant te kiezen. Ook geef ik de aanvaller graag de mogelijkheid om te scoren op een doel in plaats van via een lijndribbel. Op doel schieten maakt de oefening voor de meeste voetballers nét wat leuker.”

Recht van aanval
Verbeij brengt de drie verschillende situaties met betrekking tot het één-tegen-één duel graag samen in een partijvorm op één doel, waarbij twee ploegen pas kunnen scoren nadat ze het recht op aanval verkregen hebben (zie oefenvorm 2). “Een team kan pas scoren als ze de bal eerst via een neutrale speler (of de trainer) in de ploeg hebben gehouden. Die neutrale speler staat tegenover het doel, waardoor ze als het ware eerst terug moeten naar eigen helft. In deze vorm wemelt het van de één-tegen-één duels, waarbij tegenstanders frontaal, van de zijkant en van achteren komen. Zo goed als Messi, Ronaldo of Kane zullen mijn spelers waarschijnlijk niet worden. Maar door het geleerde zoveel mogelijk in de praktijk te oefenen, worden ze vanzelf betere voetballers.”
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen