Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Het dicht houden van de as
Leestijd 6-8 minuten
| Bedankt voor uw mening!
Donderdag 25 Januari 2018

“Als je de as dichthoudt, zoekt de tegenstander automatisch de zijkant op. Dat maakt hun spel voor ons voorspelbaarder. Bovendien wordt het verdedigen makkelijker.” Matthijs Blijham vertelt over de speelwijze van Sporting'70 O17-1, waarbij niet alleen de backs, maar ook de buitenspelers van de tegenpartij soms ongedekt zijn.

“De as is de kortste weg naar het doel. Je moet dus voorkomen dat de tegenstander via de as van het veld kan aanvallen. Is er in de as geen ruimte, dan zoekt de tegenstander automatisch de zijkant op. Dat maakt het makkelijker voor ons, want we hoeven dan in de lengterichting slechts tweederde van het veld te verdedigen. Het is ook minder onvoorspelbaar. Vanuit de as kan de bal alle kanten op, terwijl de mogelijkheden beperkt zijn als de bal aan de zijkant is. In onze speelwijze is het dichthouden van de as van het veld daarom dé belangrijkste pijler in verdedigend opzicht. In balbezit doen we het juist andersom. Dan is ons speelplan erop gericht om ruimte in de as te creëren.”

Jagen
“Wij proberen heel bewust de tegenstander van achteruit te laten opbouwen. We zakken eerst iets in, waarbij de centrale verdedigers als enige vrijgelaten worden. Mijn centrale spits (9) mag niet te hoog staan, anders krijgen zij de bal niet. Ook moet hij wachten tot een van hen wordt aangespeeld. Vervolgens mag hij niet te vroeg jagen, want dan kan hij makkelijk uitgespeeld worden. Pas als zijn teamgenoten zich kort achter hem bevinden, kan het jagen op de bal beginnen.

De buitenspelers hebben ook een belangrijke rol. Zodra een van de twee centrale verdedigers van de tegenstander in balbezit komt, moet die verdediger de dichtstbijzijnde back als meest logische aanspeelpunt hebben. Mijn buitenspelers (7 en 11) moeten hun directe tegenstander daarom ruimte geven, zodra een van de twee centrale verdedigers de bal heeft. Dat voelt voor hen tegennatuurlijk, maar door naar binnen te knijpen en vanuit die positie druk te zetten op de man in balbezit, dwingen ze hem een pass naar de buitenkant te geven.

Doordat mijn middenvelders en verdedigers kort op hun tegenstander zitten, heeft de vleugelverdediger vervolgens weinig opties. De bal kan terug naar de keeper, de back kan een crosspass geven, maar dan is de tegenpartij opnieuw aan de zijkant van het veld, of hij geeft een wilde trap naar voren. Het is dus vrij voorspelbaar wat de tegenstander gaat doen en dat maakt het makkelijker om op te anticiperen.”

Steekbal
“Een groot aantal trainers hanteert dit principe, veel van onze tegenstanders laten de backs vrij om vervolgens druk te zetten. Wat ik echter vrijwel nooit zie, is dat ook de links- én rechtsbuiten worden vrijgelaten. Als onze tegenstander balbezit heeft op het middenveld, dan hebben de backs de opdracht om hun buitenspelers enige ruimte te geven. Ik vind het belangrijker dat ze de binnenkant dichthouden, zodat de steekbal kan worden voorkomen. Ook op deze manier proberen wij de tegenpartij te dwingen om de zijkant, in dit geval de vleugelaanvaller, te zoeken. Zodra die in balbezit komt, gaan wij eropaf. Niet alleen mijn links- of rechtsback, ook de centrale verdediger en middenvelder aan die kant zetten hem onder druk. Bovendien zakt de buitenspeler iets in, om de lijn terug naar de back af te snijden. Dat heeft nog een voordeel, want de back van de tegenpartij dekt meestal niet helemaal door. Mijn buitenspeler heeft nu ruimte om vooruit open te draaien als we de bal onderscheppen. Dat biedt mogelijkheden voor een snelle tegenaanval. Blijft mijn vleugelspits diep staan, dan heeft hij direct zijn tegenstander in zijn rug en wordt draaien en de counter inzetten lastiger.

Tegen de overmacht aan tegenstanders hebben weinig buitenspelers een antwoord. Ik vind het altijd mooi om de wanhoop bij hen te zien en te constateren dat ze tegen ons nauwelijks de achterlijn halen. Toen ik nog trainer was bij de pupillen, vroeg ik weleens aan een spelertje: als wij gaan vechten, wie wint er dan? Jij, was dan zijn antwoord, want je bent ouder en sterker dan ik. En als ik daarna met je vriendje ga vechten, vroeg ik daarna. Dan win je weer, want je bent ook sterker dan hij, kreeg ik te horen. En wat als jullie met z'n tweeën of drieën tegelijk komen? Ja, dan wordt het een stuk moeilijker voor je, concludeerde zo'n knaap meestal. Ik vind het een mooi voorbeeld voor hoe mijn team tegenstanders tegemoet treedt.”

Geen tegengoal
“Een oefenvorm die ik veel gebruik, is een tactische partijvorm zeven tegen zeven op een half veld (zie tekening). In drie partijen van vijf minuten speelt de verdedigende en te coachen partij (rood) in een 1:4:2-formatie, het aanvallende (blauwe) team speelt 1:3:3. De rode partij moet de as dichthouden en ervoor zorgen dat de blauwe partij de bal naar de buitenspelers speelt. Om dit te realiseren knijpen de backs steeds naar binnen. Pas als de buitenspeler aangespeeld is, gaat de back eropaf. De centrale verdediger en de middenvelder helpen om een drie-tegen-één-situatie te creëren. Ook de overige drie spelers kantelen extreem mee. Speelt de tegenstander de bal naar achteren, dan sluit het zestal zoveel mogelijk naar voren aan.

In deze oefenvorm geldt voor de man mét bal, dat hij zo min mogelijk signalen afgeeft via lichaamstaal. Tegenstanders mogen niet zien waar hij de bal heen wil spelen. Voor de verdedigende partij is het omgekeerde het geval. Zij moeten de tegenstander proberen te lezen. Vaak kun je aan de ogen van een speler zien, wat hij van plan is. Een 'no-look pass' is dan ook erg onvoorspelbaar. De belangrijkste doelstelling van deze oefening is, dat de rode partij geen tegengoal krijgt. Bij 0-0 hebben zij daarom gewonnen. Wordt er wél gescoord, dan tellen de doelpunten van blauw dubbel. ”

Counter
“De wijze waarop wij verdedigen zorgt er niet alleen voor dat we weinig kansen weggeven, het biedt ook ruimte voor de tegenaanval. Ik laat behalve mijn centrumspits minimaal nog één speler bewust niet meeverdedigen, in principe is dat mijn vooruitgeschoven middenvelder, de nummer 10. Die hoeft niet helemaal terug naar eigen helft. Ik gebruik hem liever voor de counter als we de bal onderscheppen. Ik heb liever dat mijn nummer 10 slim vrijloopt, zodat hij altijd aanspeelbaar is. Op ons niveau vind ik de restverdediging matig. Onze 10 wordt bijvoorbeeld heel vaak vrijgelaten als de tegenstander balbezit heeft. Blijft hij een paar meter achter onze spits, dan durven de centrale verdedigers meestal niet door te dekken. Doen ze dat wel, dan moet hij ruimte zoeken voor zichzelf door iets meer in te zakken. Veroveren wij de bal, dan is hij het eerste aanspeelpunt. Mijn centrale middenvelder moet dus een van de meest balvaardige spelers van mijn elftal zijn. Als hij de bal krijgt, gaan de buitenspelers direct de diepte in om aanspeelbaar te zijn, maar ook om ruimte voor anderen te creëren.

Ruimte creëren
“Terwijl wij bij balbezit van de tegenstander de as dichtgooien, doen we dat als wij de bal hebben juist andersom. Dan is ons speelplan erop gericht om zoveel mogelijk ruimte in de as van het veld te creëren. Mijn buitenste middenvelders knijpen daarom niet naar binnen, zoals bij veel ploegen het geval is, zij zoeken de zijkanten op om ruimte in de as te maken voor een inschuivende verdediger. Want dáár wil ik spelers in balbezit hebben, vanuit de as kun je immers alle kanten op.

In de opbouw staan onze backs niet hoog, we laten ze juist iets inzakken. De middenvelders staan wél wat dieper, waarbij ik hoop dat de tegenstander met drie spitsen druk zet. In die situatie loopt een van mijn centrale verdedigers vooruit de as in om te kijken of hij aangespeeld kan worden. Pakt een van de buitenspelers hem op, dan zakt een vleugelverdediger nog verder in om zich aanspeelbaar te maken. Als tegenstanders een extra man achterin houden, wat meestal het geval is, dan kunnen wij onder de druk uit voetballen. Zet de tegenpartij ons vast, dan doen we ook iets wat ik niet veel teams zie doen. Meestal gaat de bal naar de keeper, die iedereen naar voren stuurt en een lange bal geeft. Ik zet in zo'n geval eerst een verdedigend blok van zeven spelers neer en laat de keeper daarna een diepe bal geven op onze aanvallers. Die staan dan meestal één tegen één.”

Verrassen
Ik doe graag dingen die niet gebruikelijk zijn en vind het heerlijk om tegenstanders tactisch te verrassen. Het is prachtig als je spelers van de tegenpartij aan hun trainer hoort vragen: wie moet ik oppakken? Nog mooier wordt het als de trainer vervolgens geen antwoord heeft.”

Oefenvorm 1: Het lezen van de lichaamstaal via 6 tegen 6



Organisatie
- Veld 25 x 20 meter, vak aanvallers 5 x 20 meter
- Vier gele spelers proberen vanuit hun vak de twee gele aanvallers te bereiken
- Gele aanvallers kunnen scoren in één van de twee doeltjes
- Vier blauwe spelers moeten vanuit hun vak de passlijn naar de twee aanvallers voorkomen ZONDER achterom te kijken
- Blauwe spelers mogen gele aanvallers verdedigen, zodra die de bal hebben
- Na een doelpunt, uitbal of onderschepping wordt blauw de aanvallende partij
- Alleen passes over de grond zijn toegestaan
- 3 x 5 minuten, na ieder blok komen er twee andere aanvallers

Coaching verdedigend
- Samen kantelen richting de bal
- Lichaamstaal lezen van de aanvallers, kijk of ze loeren op pass tussendoor en loop dan het gat dicht
- Pass gelukt? Direct omschakelen om doelpunt te voorkomen

Coaching aanvallend
- Zo vrijlopen dat er een passlijn vrij komt
- Zoeken naar het juiste moment om een strakke pass naar de aanvallers te spelen
- Geen informatie geven via lichaamstaal. Een no-look pass is erg onvoorspelbaar!


Oefenvorm 2: Lichaamstaal tegenstander lezen via pass- en trapvorm



Organisatie
- Zes gele en zes blauwe spelers
- Tussen de pylonen (8 tot 10 meter uit elkaar) staat een blauwe lijnverdediger
- Speler 1 moet bal langs blauwe lijnverdediger naar speler 2 passen, maar mag de bal slechts twee keer raken
- Speler 2 draait open en probeert speler 3 te bereiken
- Lijnverdediger mag niet achterom kijken waar zijn tegenstander (vrij)loopt
-  Na één volledige ronde schuift iedereen een plekje op, de volgende ronde gaat het blauwe team passen en het gele team onderscheppen
- Het team dat als eerste 15 onderscheppingen heeft, is winnaar

Coaching verdedigend
- Goed op voorvoeten staan.
- Lichaamstaal van de tegenstander lezen en aan de hand daarvan de passlijn richting de man in de rug dichtlopen

Coaching aanvallend
- Pas vrijlopen nadat medespeler de bal heeft aangenomen
- Passer mag via lichaamstaal niet teveel prijsgeven aan lijnverdediger. Een no-look pass is erg onvoorspelbaar!

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R