Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Uitdagende techniek- en breintraining voor pupillen
| Bedankt voor uw mening!
Donderdag 12 April 2018


Ronald de Boer zag in zijn beginjaren als trainer veel soorten techniektraining voorbijkomen, waarin er veelal geïsoleerd getraind werd. Vaak ging dit ten koste van het plezier dat spelers hadden in de training. Dat moet anders kunnen, dacht hij en daarom ontwikkelde hij zijn eigen oefenstof. “Er zit altijd een wedstrijdelement in verwerkt en dat maakt het uitdagend voor spelers.”

Tekst: Tom Druppers | Beeld: Rixt Kiers Leenstra

Om tot zijn eigen oefenstof te komen werd hij wel geïnspireerd door grootheden binnen de trainingsleer, zoals Wiel Coerver. “Daar heb ik vervolgens mijn eigen sausje overheen gegoten. In het geval van Coerver vind ik bijvoorbeeld dat er te weinig uitdaging inzit, waardoor het aanleren van de bewegingen een doel op zich wordt. Anderzijds is het wel een geweldige methode waaraan ik een iets andere draai heb gegeven. Zo heb ik veel oefenvormen overgenomen, maar heb ik er wel een wedstrijdelement aan toegevoegd.”
 
De trainer hecht er veel waarde aan dat het wedstrijdgevoel consistent beleefd wordt tijdens de uitvoering van een oefenvorm. “Als je als speler in de wedstrijd een duel aangaat, moet je dat vaak op een hoge intensiteit doen, omdat er een of zelfs meerdere tegenstanders in de buurt zijn. Ik wil het tempo en de handelingssnelheid, die daarbij horen, nabootsen op een training, zodat hetgeen spelers leren in relatie staat tot de wedstrijd”, zo vertelt de jeugdtrainer van VV Heerenveense Boys.
 
Wedstrijdweerstand
Het aanleren van diverse schijn- en passeerbewegingen is een belangrijke doelstelling binnen de trainingen die De Boer verzorgt. Hij vindt het van belang dat er samenhang is tussen de verschillende oefenvormen binnen een training, omdat spelers de schijn- of passeerbeweging dan onder steeds veranderende weerstand moeten uitvoeren.
 
“Vaak start ik met een dribbelvorm waarin we aan de slag gaan met de bewegingen.” De jeugdtrainer benadrukt dat er echter wel een wedstrijdelement in verweven zit. “Zodra spelers de bewegingen onder de knie hebben, maken we er een wedstrijdje van. Spelers volgen dan een parcours en het groepje, dat als eerste alle bewegingen goed en snel heeft uitgevoerd, krijgt een punt. Dat is een stimulatiemiddel om de bewegingen op een goede én intensieve manier te laten uitvoeren.”
 
Daarnaast probeert hij het wedstrijdelement ook terug te laten keren in de oefenvorm, door er een specifieke technische handeling aan te verbinden. “Een handvat, dat ik daarvoor tijdens een oefening gebruik, is het werken met poortjes. Een speler start met een dribbel en moet na het afleggen van het parcours de bal door een poortje passen om een punt te verdienen voor zichzelf, of zijn team. Op die manier probeer ik spelers te stimuleren om iets eenvoudigs als een pass zonder weerstand ook op de juiste manier uit te voeren.”
 
Er passeren verschillende bewegingen de revue tijdens de oefenvormen die De Boer aanbiedt. “De volgorde van het parcours is daarin leidend. Als spelers frontaal naar een pylon dribbelen, maar de andere kant op moeten, zorg ik ervoor dat spelers een overstap maken, of de bal afrollen achter het standbeen langs. Zo wordt de richting mede gestuurd door de manier waarop de skill wordt uitgevoerd. Andersom werkt het precies hetzelfde: wanneer spelers frontaal verder moeten dribbelen, is het eenvoudig om een passeerbeweging als de schaar te integreren, want in die beweging worden spelers automatisch een kant opgestuurd: namelijk vooruit, met een uitwijking naar links of rechts.”
 
Om de volgorde van het parcours te duiden maakt De Boer ook gebruik van verschillende kleuren pylonen. “Zo is het voor spelers makkelijker om te herkennen welke kant ze op moeten gaan. Ik benoem, voordat we beginnen, de volgorde van de kleuren en de spelers weten dan welke kant ze op moeten dribbelen. Verder heeft het niet echt een achterliggende gedachte, maar het is een slimmigheidje dat ik mezelf als trainer eigen heb gemaakt.”
 

 
Tijdens een training doceert De Boer graag verschillende schijn- en passeerbewegingen. “In eerste instantie trainen we maximaal twee verschillende bewegingen binnen het parcours. Dat doen we wel in diverse blokken, zodat spelers de tijd hebben om een specifieke actie gedurende een x-aantal minuten te trainen. Vervolgens laat ik spelers vrij in de keuze die ze maken binnen het dribbelparcours, mits het wel een skill is die we getraind hebben.”
 
Kijkgedrag
De tweede oefenvorm, die De Boer er uitlicht, staat onder meer in het teken van het aanleren van kap- en draaibewegingen. “Ik richt me dan bijvoorbeeld op de overstap, maar ook het afrollen van de bal met binnen- en buitenkant voet komt aan bod. Het gaat om de technische uitvoering en de handelingssnelheid van spelers. Om dat te triggeren werk ik ook dan weer met minstens twee verschillende teams die tegen elkaar spelen en punten kunnen verdienen als de uitvoering goed is.”
 
Een verschil met de eerste oefenvorm is echter dat De Boer nog een extra element aan de training heeft toegevoegd. “We gaan dan ook aan de slag met het kijkgedrag van spelers. We willen graag dat spelers in het veld vooruit leren kijken en denken en daarom passen we dit in binnen de training. Tegelijkertijd waak ik ervoor dat er wel een relatie is met technische handelingen, omdat dat goed past bij de leeftijdsgroep die ik train.”
 
Binnen de beïnvloeding van het kijkgedrag speelt De Boer zelf een belangrijke rol. “Na de kap- en draaibewegingen komen spelers bij een lijn waarachter drie poortjes liggen met allemaal een eigen kleur. Op het moment dat ze met de bal voor de lijn komen, houd ik een pylon in de lucht die dezelfde kleur heeft als een van de drie poortjes. De speler aan de bal moet dan razendsnel kijken, beslissen én passen, want als hij niet voor de lijn passt telt het niet. Daardoor worden spelers gedwongen om over de bal heen te kijken en, net als in de wedstrijd, snel een keuze te maken.”

 
In het begin vond de spelersgroep van De Boer de oefenvormen moeilijk. “Omdat ze veel verschillende prikkels krijgen en niet alleen met hun voeten hoeven te werken. De ene speler was bijvoorbeeld wel in staat om het juiste poortje te vinden, maar had, door de relatief korte bedenktijd, moeite om zijn technische handeling daarop af te stemmen. Terwijl een meer vaardige speler juist zijn gebrek aan kijkgedrag kon compenseren met zijn goede techniek. Uiteindelijk wil je als trainer natuurlijk dat ze zich beide ontwikkelen en ik denk dat deze oefenvormen zich daar goed voor lenen.”
 
Breintraining
Ondanks de hoge moeilijkheidsgraad koos De Boer er niet voor om de oefeningen makkelijker te maken. “Uiteraard moet je zaken als tijd en ruimte wel afstemmen op het niveau van je spelersgroep. Je kunt er bijvoorbeeld voor kiezen om spelers meer ruimte te geven voor de technische handeling door het speelveld groter te maken en door de pylon eerder in de lucht te steken, hebben ze meer tijd om een juiste keuze te maken.”
 
De Boer zag dat zijn spelers de verschillende handelingen na verloop van tijd steeds beter onder de knie kregen. “Vervolgens ben ik op zoek gegaan naar nog meer variatie binnen deze oefenvormen. Ik heb toen één poortje weggehaald, waardoor er nog twee poortjes met ieder een eigen kleur overbleven. Het werd daardoor echter niet makkelijker, want de kleuren kregen een tegenovergestelde betekenis. Als ik bijvoorbeeld de kleur rood in de lucht hield, moest de bal door het witte poortje en andersom werkte het ook zo. Spelers moeten daardoor niet alleen kijken, maar ook nog eens nadenken, waardoor de hersenen ook getraind worden.”
 
Onlangs voegde De Boer daar nóg een extra variatie aan toe. “Daarvoor maakte ik wel weer gebruik van drie verschillende poortjes en hield ik steeds twee pylonen de lucht in op het moment dat spelers voor de lijn kwamen. De bedoeling was dan dat spelers de bal juist door het poortje speelden van de kleur die ik op dat moment niet in mijn hand had. Door veel te variëren treedt er nooit gewenning op en is iedereen gedwongen tot constant nadenken over de veranderingen binnen de oefenvorm.”
 
Relatie met de wedstrijd
Hoewel de oefenvormen geïsoleerd zijn en er geen weerstand aan te pas komt, ziet De Boer toch voldoende overeenkomsten met verschillende wedstrijdsituaties. “Als je tijdens de wedstrijd aan het dribbelen bent, verandert de omgeving constant en dat heeft weer invloed op de keuzemogelijkheden. Uiteindelijk hoop ik dat mijn spelers hierdoor betere keuzes gaan maken onder veranderende omstandigheden.”
 
Toch benadrukt hij dat het slechts een onderdeel is van zijn totale visie op het voetbalspel. “Meestal behelst deze vorm van techniek- en breintraining één training per week. Het andere trainingsmoment staat meer in het teken van oefenvormen met tegenstanders, zoals partij- en positiespelen. Voor mij zijn dat soort oefenvormen ook ultieme testmomenten, want ik controleer dan of spelers onder weerstand ook in staat zijn om sneller en beter te handelen.” 

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen