Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Ontwikkelen van een teambuildingsproces
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 25 Mei 2018

Olivier Amelink richt zich als trainer van ATC’65 O19-1 niet alleen op het verbeteren van de speelwijze van zijn ploeg. Hij focust zich vooral op de ontwikkeling van het teambuildingsproces. Dat doet hij aan de hand van de theorie van René Felen en geeft in dit artikel een aantal voorbeelden hoe dat in de praktijk tewerk gaat.

Tekst: Tom Druppers | Beeld: Teun van der Velden

Als beginnend trainer had Amelink met name oog voor het voetbalinhoudelijke proces, waardoor hij zich tijdens een seizoen veelal bezighield met het ontwikkelen van individuele spelers en het team vanuit de speelwijze. “Mijn focus en coaching zat vooral op voetbaltechnische- en tactische handelingen. Tegenwoordig richt ik mij meer op de lichaamstaal en intensiteit waarmee spelers handelingen verrichten. Er moet gewoon keihard getraind worden. Om als team constant te presteren heb je in mijn optiek als trainer een essentiële rol om de groep vanuit je persoonlijkheid steeds weer te inspireren om aan de norm te voldoen.” 
 
Hij raakte geïntrigeerd door de vraag hoe hij het teambuildingsproces van zijn elftal zo optimaal mogelijk kon begeleiden. Antwoorden vond hij in de theorie van René Felen, een expert op het gebied van het analyseren en ontwikkelen van teamprocessen. “Zowel mijn technisch coördinator bij ATC’65 als de theorie van René Felen hebben mij geïnspireerd om het proces van ‘mijn norm, naar groepsnorm’ te sturen en in een herkenning te komen van verschillende teamfasen gedurende een seizoen. Het bespelen en coachen van het team in deze fasen is misschien nog wel belangrijker dan de voetbalinhoud”, zo zegt hij.
 
René Felen
De theorie van Felen* is erop gericht het optimale rendement uit een spelersgroep te halen. Het is een afgeleide van het zogeheten ‘Tuckman-model’, dat in het bedrijfsleven veel wordt gebruikt voor het stimuleren van teamprocessen en groepsdynamica. Felen heeft daar zijn eigen sausje overheen gegoten en dat in de praktijk toegepast bij onder meer FC Groningen en Feyenoord.

* Leestip: Lees meer hierover in een eerder interview met Felen
 
Felen onderscheidt verschillende fases waarin een spelersgroep zich kan bevinden: de beleefdheids- en positioneringsfase, de normeringsfase en de prestatiefase, met elk hun eigen kenmerken. Het is niet mogelijk om een specifieke tijdsspanne te koppelen aan iedere fase binnen dit proces. Dat komt omdat de ontwikkeling hiervan erg dynamisch is, doordat het afhankelijk is van onder andere de trainer, het karakter van de spelers en de bereidheid om mee te werken.
 
Amelink is trainer van ATC’65 O19-1 en heeft deze theorie geïntegreerd in zijn werkwijze. In dit artikel gaan we aan de hand van praktijkvoorbeelden verder in op de verschillende fases die een spelersgroep in de loop der tijd doormaakt.
 
Creëren van een prestatiecultuur
Om een beeld te schetsen van zijn werkwijze vertelt Amelink over de start van een nieuw seizoen, waarin hij zijn spelersgroep voor het eerst weer ontmoet. “Ik ga nooit direct het veld op met de groep. Eerst geef ik uitleg over de manier waarop ik graag te werk ga en waar ik uiteindelijk naartoe wil met de spelers. Daarom geef ik altijd een presentatie, waarin ik de spelers stap voor stap duidelijkheid geef over het proces dat ik met ze wil gaan inzetten.”
 
“In de presentatie komen twee dingen expliciet naar voren: de speelwijze die ik voor ogen heb en de werkwijze waarmee we dat met z’n allen voor elkaar moeten zien te krijgen. Hierin gaat het vooral om houding en toewijding van spelers. Hard werken, oplossingsgericht denken en plezier halen door te presteren zijn competenties die ik eis van spelers. Luie spelers en probleemdenkers hebben geen kans van slagen bij mij. ”
 
Het overwinnen van weerstanden is het belangrijkste kenmerk van een prestatiecultuur vindt Amelink. “Prestatievoetbal geeft wel eens een oncomfortabel gevoel, bijvoorbeeld als er kritiek geleverd wordt op het individu. Als een individu niet levert in de intensiteit of kwaliteit, spreek ik iemand daar direct op aan. Spelers moeten dat kunnen plaatsen als middel om beter te worden, omdat het uiteindelijk bijdraagt aan hun eigen ontwikkeling en die van het team.’’
 
Een van de middelen om weerstand aan te wakkeren binnen een spelersgroep is concurrentie. “In een selectieteam is het heel normaal dat je meerdere spelers hebt voor een specifieke positie. Daarin verwacht ik dat spelers zich professioneel opstellen en niet bij de pakken neer gaan zitten op het moment dat ze niet tot het basiselftal behoren. Mijn visie hierop is dat spelers zo leren beseffen dat spelen in een prestatiegericht elftal geen vanzelfsprekendheid is, maar een voorrecht. Daarom moeten ze in mijn ogen ieder moment het onderste uit de kan halen, zodat we tot een maximale prestatie komen.”
 


‘‘Samenwerking is ook een belangrijk onderdeel van het teambuildingsproces. Er moet tijdens het seizoen een teamgeest ontstaan, waarin het besef ontstaat dat iedereen op zijn eigen wijze belangrijk is voor de ploeg. Zoals je merkt is er tijdens zo’n eerste moment geen gelegenheid voor spelers om hun mening te geven. Het is eenrichtingsverkeer van mijn kant. Spelers die zich niet kunnen vinden in deze prestatieve werkwijze, kunnen ervoor kiezen om recreatief te gaan voetballen. Laat duidelijk zijn dat later in het seizoen de mening van spelers echter wel degelijk aan bod komt. Mijn norm moet gedurende het seizoen de groepsnorm worden en die norm forceert individuele-, maar ook teamontwikkeling”, zo benadrukt hij tenslotte.
 
Beleefdheids- en positioneringsfase
Terug naar de theorie van Felen. Alle zaken die Amelink voorafgaand een seizoen met zijn spelers doorneemt vallen onder de beleefdheids- en positioneringsfase.
 
De beleefdheidsfase wordt ook wel de vormingsfase genoemd, omdat de trainer de kernwaarden moet uitdragen en vertrouwen moet opbouwen bij zijn spelersgroep. Het voetbalinhoudelijke aspect heeft in deze fase voorrang ten opzichte van de relationele band, zo stelt de Felen-theorie. Er heerst onderling een vriendelijke sfeer en de trainer geniet aanzien, doordat hij vanuit zijn functie als leider gezien wordt en ook als danig geaccepteerd wordt.
 
Na enkele weken is de basis gevormd, waarna de positioneringsfase zijn intrede doet. Deze fase wordt doorgaans als lastig ervaren, omdat de werkwijze van de trainer niet meer van nature zomaar geaccepteerd wordt. Op sociaal vlak ontstaan er mogelijk groepjes, kleine afspraken worden niet meer nagekomen en bij het maken van een fout wijzen spelers vaker naar een teamgenoot.
 
Voor trainers is het van groot belang om dit soort conflicten te herkennen en daar sturing aan te geven in lijn met de vooraf geformuleerde kernwaarden en doelstellingen. Luisteren naar spelers afzonderlijk is hierin heel belangrijk. Zowel op voetbalinhoudelijk als relationeel vlak dient er veel tijd te worden gestoken in het individu en het team.
 
Conflict
Inhakend op beide fases vertelt Amelink een anekdote over een conflictsituatie die hij had met een speler, terwijl zijn team langzaam van de beleefdheidsfase naar de positioneringsfase ging. “Toen ik mijn huidige spits voor het eerst onder mijn hoede kreeg, was het een speler die in de jaren daarvoor altijd de onomstreden nummer één was en altijd verzekerd was van een basisplaats. In de eerste maanden van het seizoen was dat bij mij echter niet het geval. Sterker nog: hij zat veelal op de bank en was tweede keus.”
 
“Vervolgens vroeg hij een gesprek aan, waaraan hij aangaf te twijfelen om naar een ander elftal te willen overstappen, omdat hij het plezier verloren had. Dit had alles te maken met een bepaalde vanzelfsprekendheid die voor hem wegviel en hij in een weerstand terecht kwam die hij niet kende”, aldus Amelink. Een typerend kenmerk voor de positioneringsfase, waarin spelers minder ontzag hebben voor de trainer en zijn keuzes in twijfel durven te trekken.
 
“Daar heb ik toen niet aan toegegeven, omdat ik vond dat hij wel degelijk potentie had om eerste spits van mijn elftal te worden. Wel heb ik aangegeven dat hij veel meer moest leveren in de intensiteit en kwaliteit zonder bal, wilde hij in aanmerking komen voor een basisplaats. In de wedstrijd daarna startte hij weer op de bank, maar kwam hij als invaller binnen de lijnen, terwijl wij op achterstand stonden met een man minder.”
 
De speler in kwestie overtrof Amelinks verwachtingen, door zijn ploeg over het dode punt heen te helpen en met twee treffers zelfs de overwinning te bezorgen. “Maar belangrijker nog vond ik dat hij qua intensiteit en toewijding echt iets anders liet zien. Hij ging voorop in de strijd tijdens het drukzetten en wilde het liefst iedere bal hebben. Dat was een kantelpunt: hij werd eerste spits en sinds dit seizoen is hij zelfs aanvoerder.”
 
De positioneringsfase komt in elk team voor, waarbij sommige trainers niet doorhebben dat ze deze fase hebben gepasseerd, terwijl andere teams weer 'terugzakken' naar de beleefdheidsfase en de onderlinge sfeer het belangrijkste is, zo stelt Felen. Conflicten horen echter bij de positioneringsfase. Doordat Amelink hiervan op de hoogte was, besloot hij geen concessies te doen aan zijn werkwijze. “Door consequent vast te houden aan de norm, gaan spelers dit vaak in een later stadium herkennen en waarderen. Hier haal ik erg veel voldoening uit.”
 
Normeringsfase
Juist in de positioneringsfase eist Amelink op het trainingsveld het maximale van zijn spelers. Hij hamert constant op intensiteit van handelen en eist maximale toewijding in de uitvoering ervan. “Dat past bij het type trainer dat ik ben, maar dat is natuurlijk niet het hele seizoen vol te houden. Ik wil graag dat het na verloop van tijd vanuit de groep zelf komt, zonder dat ik het constant moet blijven benadrukken.”
 
Amelink wil graag dat zijn spelers gaan inzien waarom hij bepaalde normen binnen zijn werkwijze stelt. Volgens de Felen-theorie is dat de overgang van de positioneringsfase naar de normeringsfase. Kenmerkend voor deze fase van het proces is dat de afspraken nu écht gezamenlijk zijn gemaakt, ofwel, dat er sprake is van een norm. Als coach moet je in dit stadium actief luisteren, initiatieven ondersteunen en voortdurend blijven bouwen aan de vertrouwensrelatie met je spelers.
 
Het herkennen van deze fase is belangrijk. Zoals hierboven reeds geschetst is het geen kwestie van tijd voordat een groep in deze fase aanbelandt, maar is het onderhevig aan allerlei factoren die het team beïnvloeden. Onlangs was er een conflictsituatie op de training, waardoor Amelink wist dat hij en zijn team steeds meer richting de normeringsfase gaan.
 
“Een speler was aan het verzaken tijdens een trainingspartijtje en werd daar in felle bewoordingen op aangesproken door een medespeler. Ik zag het gebeuren en besloot tussenbeide te komen. Daarop nam ik het woord en corrigeerde ik de jongen die in eerste instantie aan het verzaken was”, zo vertelt hij. Passend bij de normeringsfase is echter dat spelers elkaar gaan aanspreken, in plaats van dat de trainer dat constant blijft doen. “Het was dus opnieuw mijn verhaal, terwijl de speler mijn taak overnam door hem te corrigeren. Mijn valkuil is nog weleens dat ik er zelf dan te kort opzit. Uiteindelijk wil je graag dat spelers elkaar gaan aanspreken op de norm, omdat het dan een onderlinge gewoonte is geworden.”
 
Prestatiefase
In de prestatiefase, de laatste fase van de teamontwikkeling, voelen spelers steeds meer de drang om voortdurend te verbeteren en vinden ze het ook normaal om een zo hoog mogelijk niveau te halen. De motivatie hiervoor komt nu uit henzelf. Spelers maken voortdurend gebruik van de sterktes van het eigen team en zoeken elkaar op om problemen op te lossen. Elke speler heeft een bijdrage in het team en weet hoe hij verantwoordelijkheid moet nemen. Voor de trainer verandert er weinig: je blijft continu bouwen aan het vertrouwen van het individu en het team. Je steunt ook beslissingen en initiatieven die het team neemt en delegeert steeds meer. Je spreekt spelers aan op hun verantwoordelijkheid en komt alleen tussenbeide wanneer nodig.
 
Nu Amelink met zijn ploeg richting de eindfase van het seizoen gaat, hoopt hij samen met hen de stap te kunnen zetten richting de prestatiefase. “Als je daarin komt, ontstaat er een bepaalde synergie in het elftal en gaat ook het niveau omhoog, omdat de eisen zijn ingedaald bij de spelers en ‘constant willen verbeteren en presteren’ als vanzelfsprekend worden ervaren. We zitten nu in een fase waarin we periodekampioen kunnen worden. Ik moet het dan proberen los te laten en de spelers nóg meer betrekken in het proces, zodat het echt wat van hen wordt. Dat is voor mijzelf wel een uitdaging, maar dankzij de theorie van Felen weet ik dat het op de langere termijn tot betere prestaties zal leiden”, zo besluit hij.

Lees ook: Ron Jans en Rene Felen over teamprocessen bij FC Groningen
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R