Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Spelprincipes in de praktijk
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 8 Juni 2018

In het vorige artikel van vorige week vertelde Willem Weijs waar je aan moet denken bij het kiezen van spelprincipes. Na de theorie gaan we nu over op de praktijk: voor welke spelprincipes heeft Willem Weijs gekozen en hoe is hij tot deze keuze gekomen?

Tekst: Willem Weijs en Paul van Veen | Beeld: Gerrit van Keulen

Klik hier voor deel 1: het kiezen van de juiste spelprincipes

“Zoals aangegeven begint het bepalen van de spelprincipes met het bepalen van jouw waarden. Zo heb ik voor mezelf bepaald wat mijn waarden zijn.”

Waarden 1 en 2: Innovatief en creatief
“Ik vind het openstaan voor nieuwe dingen belangrijk. Ik heb een drang naar leren en beter worden, zoals ieder mens wordt geboren met een drang om te leren. Iedere baby gaat op zoek naar de eerste stapjes, de eerste woordjes, etc. Naarmate mensen ouder worden, verliezen sommige mensen die drang om te leren. Voor mij is het belangrijk altijd open te blijven staan voor nieuwe dingen. Creativiteit is voor mij dingen (durven) doen die andere mensen niet verwachten.”

Waarden 3 en 4: Verbondenheid en autonomie
“Ik vind het belangrijk dat er een relatie is tussen trainer-coach en de speler. Ik geloof niet in de ouderwetse autoritaire manier van schreeuwen en dat spelers alleen maar uitvoeren. Ik vind wel dat er een gezonde hiërarchie moet zijn en dat je die snel duidelijk moet maken. Ik vind dat mensen hun ware aard mogen laten zien en echt hun ware ik kunnen zijn. Je moet mensen niet te veel willen veranderen en dat iedereen de ruimte moet hebben om degene te kunnen zijn wie ze zijn. Maar ze moeten daarbij wel zelf hun verantwoordelijkheid voelen.”

Waarden 5 en 6:Vooruitstrevend en professioneel
“Ik denk dat je bij een topsportorganisatie altijd vooruitstrevend en professioneel moet werken. Doe je dat niet? Dan kun je er net zo goed mee stoppen, want dan ga je het niet redden in de topsport.”

Waarden 7 en 8: Avontuur en respect
“Ik mis bij veel Nederlandse trainers een beetje avontuur. Ik zie heel veel trainers op dezelfde manier werken. Qua speelwijze, intenties en opvattingen zie ik weinig mensen die zichzelf durven te onderscheiden. Dat vind ik jammer. Ik hou van avontuur, met het risico dat het af en toe fout gaat.”

Speelstijl
Op basis van deze waarden kom ik tot een speelstijl met de volgende kenmerken:
- Aanvallend
- Dominant
- Verrassend
- Snel
- Creatief
- Initiatiefrijk
- Wisselend
- Proactief
 


Spelprincipes
De volgende stap is dan het daadwerkelijk benoemen van jouw spelprincipes. Ik heb gekozen voor acht spelprincipes.

Spelprincipe 1: Diepte voor breedte
“Dit spelprincipe is voor mij cruciaal, omdat ik vind dat er in Nederland te veel breed wordt gespeeld. Er wordt te lang in de grote U gespeeld. We zijn veel te veel bezig geweest met balbezit houden, dan waar balbezit uiteindelijk toe moet leiden: en dat is scoringskansen ontwikkelen. Die moeten uiteindelijk leiden tot het maken van doelpunten. Alleen balbezit op zich heeft voor mij geen enkele waarde.”

Spelprincipe 2: De vijfsecondenregel
“Dit spelprincipe is heel belangrijk in het moderne voetbal. In het Duitse voetbal wordt dit vaak gegenpressing genoemd, maar ik denk dat zo’n Nederlandse term duidelijker is voor spelers. Ook dit spelprincipe is misschien nog wel onderschat in Nederland. Ik gebruik de vijfsecondenregel zelfs om te beoordelen hoe scherp we aan de wedstrijd beginnen of lekker in de wedstrijd zitten. Dat zijn misschien containerbegrippen, maar op deze manier kun je het concreet maken. Daarnaast, als wij steeds niet in staat blijken te zijn om binnen vijf seconden terug in balbezit te komen, dan klopt er iets niet in het veld en moeten we iets gaan veranderen.”

Spelprincipe 3: Proactief verdedigen
“We willen niet afwachten totdat de tegenstander een fout maakt, maar we willen op een manier verdedigen waarbij we de tegenstander dwingen een fout te maken.”

Spelprincipe 4: Ruimtes klein maken
“Dit spelprincipe is cruciaal als je de bal wilt afpakken. Hieronder valt het op elkaar aansluiten van de linies tot het naar de kant van de bal bewegen om daar de bal af te pakken.”

Spelprincipe 5: Derde-man-situatie
“De derde-man-situatie vind ik heel belangrijk omdat je er op deze manier voor zorgt, dat je een aanvallend ingestelde speler met zijn gezicht naar de goal van de tegenpartij krijgt. Ik onderscheid hierin de derde man die er onder komt en de lopende derde man die zelf achter de laatste linie van de tegenpartij komt.”

Spelprincipe 6: Ruimte creëren
“Dit spelprincipe gaat over het bewegen zonder bal en bewust op zoek gaan naar hoe we een tegenstander keuzes gaan laten maken. Immers, zolang een tegenstander geen keuze hoeft te maken, is het makkelijk om te verdedigen. Wanneer een tegenstander wel een keuze moet gaan maken in bijvoorbeeld ruimte, tijd, wel of niet doordekken, dan betekent dat ze moeten gaan reageren. Dan kom je in de situatie dat wíj bepalen en als je dat goed doet, kun je daar je voordeel uit halen.”

Spelprincipe 7: Superioriteit
“We willen graag altijd een overtal rondom de bal hebben. Dat willen we enerzijds aanvallend, omdat je dan meer afspeelmogelijkheden hebt. Hiervoor moet je wel technische vaardigheden hebben en ik moet eerlijk zeggen dat zelfs op ons niveau sommige spelers daar soms moeite mee hebben. In de tijd dat Guardiola trainer was bij Barcelona zag je dit heel vaak. Vijf tot zes mensen heel kort op elkaar, waardoor er heel veel mogelijkheden waren voor driehoekjes en afspeelmogelijkheden. Vanzelfsprekend willen we ook een overtal hebben in het verdedigen. Als we veel spelers rondom de bal hebben, zal het voor de tegenstander lastig worden om daaruit te komen.”

Spelprincipe 8: een-tegen-een creëren
“Het liefst wil je natuurlijk door het creëren van ruimte een overtal creëren, maar als dat niet lukt, dan is het creëren van een een-tegen-een een goede optie. Ik hou namelijk van buitenspelers die een actie hebben en daarmee de tegenstander pijn kunnen doen.”

“Je ziet dat de meeste van de spelprincipes zijn gericht op aanvallen en balbezit. Dit komt direct voort uit de speelstijl die ik graag wil spelen en heeft dus te maken met mijn visie.”
 
Overzicht spelprincipes per teamtaak

Verdedigen: Superioriteit, ruimtes klein maken en proactief verdedigen
Verdedigen naar aanvallen: Diepte voor breedte, ruimte creëren, een-tegen-eencreëren
Aanvallen: Diepte voor breedte, ruimte creëren, een-tegen-een creëren, derde-man-situatie, superioriteit
Aanvallen naar verdedigen: vijfsecondenregel, superioriteit, ruimes klein maken, proactief verdedigen


Zijn deze spelprincipes bekend bij de spelers?
“Jazeker. Die hangen iedere wedstrijd bij ons in de kleedkamer. Ik weet niet of ze ze alle acht uit hun hoofd kunnen opnoemen, maar als ze daar hangen dan herkent iedereen ze meteen. Als ik er één zou veranderen, zou ze dat meteen opvallen.”

Ben in jouw keuze van spelprincipes veranderd dit jaar?
“Nee, deze staan vast. Ten eerste zijn ze zorgvuldig gekozen en ten tweede ontwikkelen ze natuurlijk altijd door in de details, maar ik ben niet veranderd in de keuze van de spelprincipes.”

“Wat dit seizoen wel veranderd is, is dat ik anders aan de spelprincipes werk. Eerder had ik vaste dagen waarop ik aan vaste spelprincipes werkte. Zo trainde ik maandag op derde man en ruimte creëren en zo kwamen elke dag twee andere spelprincipes aan bod. Zo wist ik dat ieder spelprincipe iedere week terug zou komen.”

“Ik ben echter tot de conclusie gekomen dat in de huidige ontwikkeling van het voetbal de hoofdmomenten (zoals de KNVB ze onderscheidt) zich vaak zo snel afwisselen dat ik ze niet meer geïsoleerd wil trainen. Nu probeer ik dus zoveel mogelijk spelprincipes iedere dag weer terug te laten komen. Wel probeer ik in de gaten te houden dat alle spelprincipes regelmatig aan bod komen, maar dat hoeft niet meer op vaste momenten. Ik ben dan ook een voorstander van oefenstof, waarbij alles continu door elkaar heen loopt.”

“Het is onmogelijk om in iedere oefenvorm alle spelprincipes terug te laten komen. Als je bijvoorbeeld praat over het creëren van ruimte, dan heb je toch vaak een wat grotere groep nodig. Je bent namelijk afhankelijk van medespelers: je loopt ergens naar toe en vervolgens ontstaat er ruimte die door een ander gebruikt moet worden. Als je dan acht of tien spelers hebt, dan kun je het weliswaar nog steeds trainen, maar is het wel een stuk moeilijker dan wanneer je er zestien of achttien hebt.”

 

Zou je bij een andere spelersgroep voor andere spelprincipes kiezen?
“Nee, ik zou altijd deze acht kiezen, omdat ze bij mijn waardes, speelwijze en dus visie passen. Daarnaast zou ik altijd bij deze acht blijven omdat ze in mijn ogen allesomvattend zijn. Dus ook bij een ploeg die tegen degradatie speelt zou ik niet opeens voor andere spelprincipes kiezen. Je kunt dan wel bepaalde spelprincipes dominanter maken, bijvoorbeeld pro-actief verdedigen of het klein maken van de ruimtes.”

“Er zijn ook principes die altijd gelden, denk aan de vijfsecondenregel of ruimte creëren. Immers, op iedere positie wordt dan wel iets van je gevraagd. Het is niet meer zoals vroeger dat buitenspelers de hele wedstrijd aan de lijn moeten blijven staan. Je ziet vaak dat die in de half-spaces moeten gaan spelen. Ook zie je steeds vaker backs die op het middenveld komen te voetballen.”

“Ook de derde-man-situatie geldt voor iedereen. Zelfs voor de centrale verdedigers zullen er momenten zijn waarop ze moeten inschuiven waarin ze zelf de derde man worden. Zo kan er bijvoorbeeld een driehoek gemaakt worden als onze nummer 3 de bal naar de 6 speelt, die vervolgens de bal laat vallen op de 4. De 4 kan dan vervolgens indribbelen.”

“Ik geloof heel erg in het totaalvoetbal en dat goede spelers op verschillende posities moeten kunnen spelen. Ik heb een voorkeur voor spelers die zelf een situatie herkennen en die niet eenzijdig zijn in hun kwaliteiten. In mijn speelwijze zou het bijvoorbeeld heel slecht uitkomen als ik in een opleiding terecht kom waar iemand de hele opleiding door als back speelt.”

Je toonde op het TrainersCongres 2.0 beelden voor verschillende spelprincipes. Ben je beelden aan het verzamelen per spelprincipe?
“Ik heb inderdaad al een database die ik zelf gevuld heb. Daar heb ik per positie een aantal beelden: bijvoorbeeld een overlap voor de backs. Hierbij kies ik vooral voor wedstrijden van topploegen. Dit betekent dat als ik volgend jaar met een nieuwe spelersgroep aan de slag ga, ik met één druk op de knop de juiste beelden erbij kan halen.”

“Merk wel op dat niet iedere speler op dezelfde manier leert. Voor visueel ingestelde spelers wordt het hierdoor heel herkenbaar, maar je kunt ook spelers in jouw groep hebben die juist informatie verwerken door goed te luisteren. Anderen leren vooral weer doordat je de training op momenten stillegt en dat ze daardoor situaties gaan herkennen.”

“Maar het is wel een manier die goed blijkt te werken. In deze tijd van smartphones zijn veel jeugdspelers gewend via filmpjes informatie tot zich te nemen. Wel is het belangrijk om het kort en bondig te houden. Deze generatie krijgt immers zoveel prikkels en informatie te verwerken, dat ze snel afgeleid zijn.”

Je gaf aan hierdoor geïnspireerd te zijn door Marcel Keizer?
“Toen ik bij Ajax trainer was en hij trainer was van Jong Ajax, heeft hij een keer zijn werkwijze gepresenteerd aan andere jeugdtrainers. Toen hij vertelde dat hij beelden verzamelde uit wedstrijden dacht ik: hier kan ik weer iets mee. Dat had ik nog niet, laat ik eens zo’n database ontwikkelen en daar pluk ik nu de vruchten van.”

Zit je nu nog Champions League te kijken voor dit soort beelden?
“Ik kijk heel veel voetbal, maar ik kijk niet altijd om nog meer beelden te vinden. Mijn database is inmiddels goed gevuld. Van de lopende derde man heb ik inmiddels zes of zeven beelden, daar hoef ik er geen twintig of dertig van te hebben. Op een gegeven moment is het goed genoeg. Wel probeer ik goed in de gaten te houden of er vernieuwende dingen zijn, dan probeer ik ze toe te voegen.”

Zie je nog veel vernieuwende dingen?
“Die zie ik echt heel sporadisch. Vooral in Nederland zie je weinig coaches baanbrekende nieuwe dingen doen. Zo zag ik Ajax wel een keer, maar dat kwam misschien ook wel door het drukzetten van AZ (daar vertelde ik over bij FC Afkicken). Hierdoor ging Zeefuik niet zo hoog staan, waardoor Ziyech kon uitwijken naar de zijkant. Dat soort kleine dingen komen wekelijks wel terug.”

“Naast dat ik veel voetbal kijk, markeer ik sommige wedstrijden echt met rood in de agenda. Bijvoorbeeld als Red Bull, Dortmund, Manchester City of Barcelona spelen. Dit kijkt lekker weg en het inspireert, geeft nieuwe energie of je krijgt een nieuw detail te zien waar je zelf toch weer iets aan hebt. Je ziet onderscheidende dingen en mensen die onderscheidend zijn inspireren mij altijd. Zeker wanneer de speelwijze heel aanvallend georiënteerd is.”

“Het lef om andere dingen te durven doen, je nek uit te steken en om uit je comfortzone te treden, zorgen er vaak voor dat er veranderingen komen. Er is een mooi gezegde: diegene die gek genoeg is om dingen te veranderen, is net zolang een gek totdat hij een genie is. En je wordt vaak pas een genie als je honderd keer jouw kop hebt gestoten, misschien ook wel dingen fout hebt gedaan en op het moment dat het dan uiteindelijk wel lukt, ben je onderscheidend.”

“Kijk bijvoorbeeld naar Guardiola. Die kreeg vorig seizoen te horen dat zijn speelwijze niet kon in Engeland en achterhaald zou zijn. Hij laat nu zien dat met de juiste afstemming, het juiste budget en de juiste balans in het elftal het wel degelijk kan. Daarom vind ik het ook onzin dat de Hollandse School niet meer zou kunnen. Ik denk wel dat sommige aspecten van de Hollandse School moeilijk zijn, maar er zijn verschillende aspecten die prima toepasbaar zijn in de eredivisie.”

Maak je naast beelden ook een archief van oefenstof?
“Ik bewaar alle trainingen die ik uitwerk. Ik maak daarbij altijd een kopietje: één versie gaat mee het veld op, de andere gaat in een map. Hierop noteer ik achteraf welke trainingen aanslaan en welke trainingen goed geabsorbeerd worden door de spelers. Ook noteer ik hoeveel herhalingen van een bepaalde training ik moest doen om tot een bepaalde voetbalgedachte te komen. Door dit bij te houden, krijg je een soort van bibliotheek met een paar topoefeningen en kun je alles altijd nog een keer terugkijken.”

“Als je weet wat je gedaan hebt, kun je er ook weer details aan toevoegen waardoor het vernieuwend blijft. Ik geloof erin - dat is ook een stokpaardje van Thomas Tuchel - dat je moet blijven veranderen om het brein aan het denken te zetten. Je moet voorkomen dat spelers gaan verzadigen en dat een training routine wordt. Daarom begin ik iedere ochtend heel vroeg met mijn trainingsvoorbereiding, omdat ik iedere dag nieuwe elementen in mijn training probeer te implementeren, waardoor de training weer enigszins verrassend is voor spelers.”

Hoe richt jij die variatie in?
“Dat kan een heel nieuwe oefening zijn, maar dat kan ook een wijziging in aantallen zijn of bijvoorbeeld de manier van scoren. Zo kun je spelers laten scoren op grote goals, maar je kunt ook laten scoren door een derde man te bereiken. Je kunt variëren door wijzigingen in de ruimte aan te brengen, met verschillende kleuren te werken of denk aan het werken met andere maten van de bal.”

“Er zijn tal van mogelijkheden om iedere keer met een hele andere oefening te komen of een bestaande oefening net weer in een ander jasje te gieten, waardoor spelers net weer even het gevoel hebben dat er iets verandert. Hier moeten ze zich continu aanpassen aan nieuwe omstandigheden en krijgen ze nooit het idee dat ze al weten wat we gaan doen. Dat is immers dodelijk voor creativiteit, betrokkenheid en het hele communicatieve proces.”

“Daarom is het ook goed dat een oefening soms te moeilijk is voor spelers of dat ze het in het begin niet door hebben. Laat ze maar het idee hebben dat een oefening niet kan of loopt. Dat moeten ze dan toch proberen op te lossen.”

Hoe ga je daar dan als trainer mee om?
“Dat is natuurlijk best moeilijk. Zeker voor mij, omdat ik iemand ben met een profiel die een bepaalde mate van perfectie nastreeft en soms best wel een controlfreak wil zijn. Toch is het belangrijk dat je het team even zijn gang laat gaan. Ze moeten zelf dingen ontdekken en door een aantal aanmoedigingen of tips het wel gaan zien.”

“Je moet zeker niet meteen de clou weggeven. Dat is soms best lastig, omdat je als trainer gewoon wilt dat het een lekkere training is. Ook als er mensen staan te kijken wil je dat de oefening gewoon lekker loopt. Maar soms is het voor de spelers beter dat ze struggelen, het moeilijk vinden en de oplossing niet meteen zien. Dat ze even een overload hebben in hun brein. Daarom is het belangrijk om als trainer eerst passief te zijn en spelers tijd te geven het zelf uit te zoeken.”

Vertel je dit ook aan de spelers?
“Ja, maar wel vaak achteraf. Als je dit aan het begin doet, dan zijn ze erop voorbereid (en dat wil je vaak niet). Daarnaast geef je ze dan meteen een excuus waarom het eventueel niet zou lukken. Ze zouden dan vooraf al kunnen denken: “dit is toch te moeilijk, dat begrijpen we niet.”

“Wat ik vaak doe is uitleggen wat we gaan doen en dan meteen beginnen. Er is dan geen ruimte voor een vraag of ja maar. Achteraf zeg je tegen de spelers dat je begrijpt dat ze het moeilijk vonden. Maar het is niet goed om altijd maar in de comfortzone te blijven. We willen ook af en toe nieuwe dingen uitproberen, buiten onze grenzen gaan en onszelf uitdagen. Als trainer kijk je goed naar de oefening, want die oefening geeft je als trainer informatie hoe het team ervoor staat. Met deze informatie kun je de volgende stap in het proces zetten met jouw team.”

Als jij het voor het zeggen zou hebben voor een hele jeugdopleiding, hoe zou jij het dan inrichten qua spelprincipes?
“Ik zou deze acht altijd houden, maar bij de kleintjes, zou ik wel voor minder spelprincipes kiezen. Principes als superioriteit en ruimte creëren zou ik wat minder belangrijk maken, maar een principe als de vijfsecondenregel begrijpt iedereen. Dat snapt een jongere speler misschien nog wel beter, omdat ze van nature al de drang hebben om druk te geven op de bal.”

“Pro-actief verdedigen zou je kunnen vereenvoudigen in drukzetten en incidenteel kun je bij een individu misschien wel praten over ruimte creëren. Het is als trainer de kunst om je team op de weegschaal te leggen om in te schatten hoever je team en individuele spelers zijn.”
 


Hoe ga je om met nieuwe inzichten - zoals de nieuwe inzichten omtrent de voorzet - binnen het werken met spelprincipes?
“Je hebt natuurlijk spelprincipes en een aantal punten die zich gedurende een seizoen ontwikkelen binnen een team. Daarnaast heb je algemene trends in het voetbal. Die voorzet vind ik een voorbeeld van een trend in het voetbal. Die vertaalslag proberen we op dit moment ook te maken. Dan zou je kunnen praten over ruimte creëren. Want het gaat bij een voorzet met name ook over veldbezetting voor het doel.”

“Maar het kunnen ook punten zijn die zich gedurende een seizoen ontwikkelen. Zo nemen wij best veel risico in de opbouw. Dat is onze keuze, maar ik vind dat wij te veel risico nemen in het verwerken van een bal die we veroveren. En dan met name ballen die we rondom de eigen zestien veroveren. Als de tegenstander de lange bal speelt, proberen wij nog heel vaak die bal aan te nemen, om meteen weer door te voetballen. Er zijn soms momenten dat dat eigenlijk niet kan, omdat je bijvoorbeeld te veel onder druk staat, de bal stuitert of je in de hoek staat. Dan kun je beter niet te veel risico nemen. Zo’n wedstrijdsituatie valt niet per se onder een principe, maar krijgt op een andere manier extra aandacht. Zo hebben we momenteel een dangerzone ingericht op het veld. In die dangerzone nemen we, als we een bal verdedigend moeten verwerken, minder risico.”

“Kortom, sommige dingen ontwikkelen zich in een trend en sommige dingen ontwikkelen zich in een team. Soms kun je het binnen een principe plaatsen en soms is het wat lastiger. Je moet niet alles geforceerd onder een spelprincipe willen hangen. Dan schiet je het doel voorbij en dan heb je kans dat het weer ten koste gaat van de herkenbaarheid of van de duidelijkheid.”
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R