Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Opleiden vanuit 1:3:4:3
| Bedankt voor uw mening!
Dinsdag 4 September 2018


Stan Veger is trainer van de JO13-1 van Rigtersbleek en hanteert sinds dit seizoen een 1:3:4:3-systeem met zijn elftal. Hij richt zijn formatie in naar de kwaliteiten en behoeften van zijn leeftijdsgroep, omdat ontwikkeling voorop moet staan. In dit artikel schetst hij verschillende situaties waarin hij uitlegt waarom hij voorstander is van deze veldbezetting.

Tekst en beeld: Tom Druppers

“De voorgaande jaren hanteerde ik ‘gewoon’ het 1:4:3:3-systeem, omdat dat de meest eenvoudige teamorganisatie is. Sinds dit seizoen hebben we er bij mijn club Rigtersbleek echter voor gekozen om de JO13-1 en JO15-1 vanuit een andere formatie te laten spelen. Zij treden aan in een 1:3:4:3-formatie, waarbij de trainer zelf de vrijheid heeft om het middenveld naar eigen smaak in te richten. Na lang puzzelen heb ik ervoor gekozen om niet in een klassieke ruit, maar in een vierkant te spelen.”

Driemansverdediging binnen 1:3:4:3-formatie
“Een belangrijk verschil ten opzichte van het meer gebruikelijke 1:4:3:3-systeem is natuurlijk dat we met drie in plaats van vier verdedigers spelen. Het voordeel van het spelen met een achterhoede van vier verdedigers is het feit dat er een overtal is. Daardoor ben je in staat om elkaar rugdekking te verlenen en is het minder cruciaal als een verdediger eenvoudig gepasseerd wordt, omdat er een mannetje extra is die hem dan kan opvangen.”

“Het geeft dus meer defensieve zekerheid voor een trainer en zijn elftal. Wij willen het team graag beter maken en individuele spelers ontwikkeling op maat bieden. Daarom kiezen we bewust voor een driemansverdediging. In verdedigend opzicht staan we achterin een-op-een en komen we logischerwijs ook vaker in dit soort situaties. Puur naar het resultaat kijkend is dat riskant, want de kans op een tegendoelpunt wordt groter als de tegenstander tot scoren probeert te komen.”

“Aan de andere kant komen verdedigers regelmatig in een-tegen-een-situaties en hoe vaker dat gebeurt, hoe leerzamer het is. Er moet altijd scherp gedekt worden in de buurt van de bal en het kantelen en knijpen moet nog zorgvuldiger gebeuren. Er is geen medespeler zonder directe tegenstander die het voor iemand anders oplost in zo’n situatie. Verdedigers worden getriggerd om constant alert te zijn en elkaar hierop te coachen. Uiteindelijk leidt dit, denk ik, tot een versnelling van het leerproces, omdat spelers vaker in moeilijke situaties komen.”
 

Storen van de opbouw binnen 1:3:4:3-formatie
“Als je het 1:3:4:3-systeem wilt hanteren tijdens het storen van de opbouw van de tegenstander is het essentieel dat er onderlinge afstemming is tijdens het drukzetten. Dat is misschien een beetje een cliché, maar het vergt teamdiscipline om dit goed uit te kunnen voeren. Het liefst veroveren wij, als de tegenstander gaat opbouwen, de bal in een zo vroeg mogelijk stadium.”

“Dat komt door het risico dat we lopen tijdens het verstoren van de opbouw van de tegenstander. Doordat we met drie spelers in de achterhoede spelen staat het achterin een-op-een. Als de tegenstander tijdens het opbouwen voor een snelle dieptepass kiest, kunnen ze hun spitsen meteen aan het werk zetten. Die situatie proberen wij natuurlijk te voorkomen door de bal zo snel mogelijk te veroveren in de buurt van het doel van de tegenstander.”

“Daarom kiezen we ervoor om de tegenstander bij de doeltrap niet volledig vast te zetten. De doelman heeft eerst de vrijheid om een centrale verdediger in te spelen. Als dat gebeurt, wordt alles in gang gezet: de spits loopt zijn directe tegenstander met een boogje aan, zodat de speler aan de bal naar de zijkant wordt gedwongen. Tegelijkertijd kantelen alle andere spelers naar de kant van de bal, zodat we daar een overtal creëren en dus meer mensen in de buurt van de bal hebben. Een van de vier middenvelders aan de balkant dekt direct door, nadat de centrale verdediger van de tegenstander bal heeft ontvangen. Daardoor wordt er druk gezet vanaf twee kanten en is de kans op een balverovering groter.”
 

Afbeelding 1: ‘Storen van de opbouw binnen 1:3:4:3-formatie’

Als de onderlinge afstanden niet goed zijn, of er wordt niet intensief druk gezet speel je de tegenstander in de kaart, omdat ze te veel tijd en ruimte krijgen. Alles is er dus aan gelegen om te voorkomen dat de tegenstander de mogelijkheid krijgt om de bal vooruit te spelen. Enerzijds omdat het gevaar kan opleveren, maar anderzijds omdat wij vanuit een balverovering meteen in de buurt van het doel zijn. Bovendien hebben we dan veel spelers in de as van het veld, omdat de vier middenvelders zich allemaal in de buurt van de bal bevinden.”

Met vallen en opstaan kreeg het elftal van Veger de manier van drukzetten steeds beter onder de knie. “We zijn hiermee ook weleens op onze bek gegaan hoor”, zo zegt hij. “In een van de eerste wedstrijden van het seizoen ging het een aantal keer mis en kregen we zes tegendoelpunten. Dat was jammer, maar tegelijkertijd was het voor mij een goed moment om de spelers te laten inzien wat de voor- én nadelen van het hanteren van dit systeem zijn. Op een magneetbord ziet het er eenvoudig uit, maar in wedstrijdsituaties vraagt het enorm veel samenwerking en discipline van spelers.”

Opbouw binnen 1:3:4:3-formatie
“De meest belangrijke intentie van onze opbouw is dat we de middenvelders snel in stelling proberen te brengen. Dit zijn bij veel teams, en ook bij ons, technisch vaardige spelers die een goed gevoel voor ruimte hebben. Zoals gezegd spelen we niet met een vlak middenveld, maar spelen we in een vierkant. Dat houdt in dat we met twee controlerende en twee aanvallende middenvelders spelen (zie afbeelding 2, red.).”
 

Afbeelding 2: ‘Opbouw binnen de 1:3:4:3-formatie’

“Mijn ervaring is dat tegenstanders vaak drukzetten vanuit 1:4:3:3 met een aanvallende middenvelder. Doordat we met vier middenvelders spelen hebben we daar een overtal en dat willen we natuurlijk uitbuiten. Als een van de drie centrale verdedigers de bal ontvangt, willen we zo snel mogelijk een voorwaartse pass over de grond spelen. Essentieel zijn de loopacties van de controlerende middenvelders: een van hen beweegt horizontaal schuin naar de bal toe en probeert daarmee de aanvallende middenvelder te lokken. Hierdoor komt de andere controlerende middenvelder vrij en ontstaat de situatie dat hij de vrije man met de bal is.”

“Vanuit daar, of in een eerder stadium, is het ook mogelijk om een van de twee aanvallende middenvelders aan te spelen. Het voordeel daarvan is dat er altijd twee spelers, de controlerende middenvelders, kort onder de bal staan. Als de aanvallende middenvelder ingespeeld wordt met een tegenstander in zijn rug heeft hij altijd een afspeelmogelijkheid, als het niet lukt om in één keer open te draaien. Wanneer hij balverlies lijdt zijn de controlerende middenvelders bovendien in staat een voorwaartse pass te voorkomen, doordat ze snel druk kunnen zetten op de tegenstander met bal.”

Spel verplaatsen binnen 1:3:4:3-formatie
“Toen ik net begon als trainer binnen de D-pupillen, tegenwoordig O13 geheten, viel het me op dat het spel zich vaak heel erg aan één kant afspeelde. Op deze leeftijd zijn spelers nog erg geneigd erg naar de bal toe te kruipen. Tijdens het verdedigen sta je daardoor automatisch klein, maar binnen het aanvallen zijn de ruimtes daardoor erg beperkt.”
 

Afbeelding 3: ‘Spel verplaatsen binnen de 1:3:4:3-formatie’

“Daarnaast zijn spelers nog niet in staat het spel te verplaatsen door het geven van bijvoorbeeld een crosspass. In mijn ogen is 1:4:3:3 daardoor niet ideaal als je met D-pupillen werkt. Vaak worden de spelers op de flanken aan de niet-balkant nauwelijks bereikt, omdat middenvelders nog niet de kracht hebben voor het geven van zo’n pass, die leidt tot een spelverplaatsing.”

“Hierdoor ontstaan er nauwelijks een-tegen-een-situaties voor de buitenspelers en dat vind ik zonde. Niet alleen voor mijn teamprestatie, maar ook voor de individuele ontwikkeling. Hoe vaker een speler zijn tegenstander kan én moet passeren, hoe beter hij er na verloop van tijd in wordt. Het hanteren van het 1:3:4:3-systeem is volgens mij een van de middelen om dit probleem op te lossen.”

“Het voordeel hiervan is dat er minder spelers op de flanken staan, maar meer op het middenveld. Wel spelen we nog steeds met buitenspelers, omdat zij de ruimte aan de zijkant nodig hebben voor het ontvangen van de bal en het uitspelen van de een-tegen-een. Doordat de onderlinge afstanden op het middenveld minder groot zijn, is het makkelijker om het spel te verplaatsen richting de zijkanten. Als de spits in balbezit is, staan de twee aanvallende middenvelders vaak kort onder de bal en wanneer zij aangespeeld worden,
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen