Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Implementeren van spelprincipes
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 7 December 2018

Veel trainers maken voorafgaand aan de training hun doelstelling aan de spelers bekend. Daarna wordt een oefenvorm gegeven en ten slotte wordt gevraagd of de spelers het begrijpen. Ad Looijmans werkt omgekeerd. “Ik vraag eerst waar de spelers tegenaan zijn gelopen, speel vervolgens een oefenvorm en vraag naderhand wat het doel hiervan was. Op deze manier implementeer ik onze spelprincipes.”

Tekst: Rob Robben | Beeld: Hoi Fotografie

Om spelprincipes te implementeren moet je natuurlijk eerst bepalen wat je spelprincipes zijn. Dat hebben ze bij TSC op een open en democratische manier gedaan. “Ja, we hebben enkele jaren geleden, onder leiding van Hoofd Jeugdopleiding Rob Sestig, een bijeenkomst gehad met niet alleen alle jeugdtrainers, maar ook met de trainers van de seniorenselecties. We hebben toen gebrainstormd over wat wij bij TSC nu eigenlijk echt belangrijk vonden. We willen als TSC met alle teams hetzelfde uitstralen en ook naar de spelers dezelfde taal spreken. Een klein voorbeeldje: In een van de spelprincipes wordt gesteld dat we rondom de bal ‘een plus-1-situatie’ willen creëren. Als ik bij de O19 zeg, dat we ‘plus 1’ moeten spelen, weten de spelers precies wat ze moeten doen, omdat dit bij O17 ook uitvoerig behandeld en besproken is. Bij het bepalen van de spelprincipes was toen niet de uitkomst, dat we bijvoorbeeld in een bepaald systeem of een bepaalde formatie moesten gaan spelen, maar we hebben wel vastgesteld wat we echt belangrijk vonden. Deze spelprincipes hebben we op een sheet verzameld en het is de bedoeling dat alle trainers dit, onafhankelijk van het systeem dat ze spelen, in het spel van hun team proberen te implementeren. Hierin hebben onze trainers een grote mate van vrijheid.”
 
Spelprincipes TSC

De trainers van TSC kwamen bij die eerste bijeenkomst samen tot acht belangrijke spelprincipes:

1. Bij verdedigen
a. Linies kort bij elkaar, kleine onderlinge afstanden
b. Proactief, dwingend verdedigen

2. Bij aanvallen
a. Diepte voor breedte, vooruit georiënteerd
b. Creëren van een overtal rond de bal: een plus-1-situatie creëren

3. Bij omschakelen naar verdedigen
a. De bal zo snel mogelijk weer terugveroveren
b. Direct gevaar voorkomen

4. Bij omschakelen naar aanvallen
a. Directe spelverplaatsing
b. Safe met vervolg


Vrijheid
Looijmans realiseert zich heus wel, dat de samen bedachte spelprincipes niet allemaal tegelijk geïmplementeerd kunnen worden. “Nee, natuurlijk niet, maar trainers weten op deze manier wel waar ze gericht aan kunnen werken. Wij mogen individueel onze prioriteiten stellen en wat wellicht nog belangrijker is, dat we zelf mogen bepalen hoe we deze spelprincipes trainbaar willen maken. Wij hebben als jeugdtrainers van TSC dus een grote vrijheid. De spelprincipes zijn bovendien niet gekoppeld aan een bepaald systeem, dus we mogen ook ons eigen systeem kiezen. De enige restrictie is, dat de gekozen spelprincipes leidend moeten zijn. Dit is, vind ik, het mooie aan het trainen bij TSC.”
 

Afwijkende aanpak
De meeste trainers werken bij hun trainingen volgens een vast stramien. Voorafgaand aan de training maken de trainers aan de spelers bekend wat de doelstelling van de training of van een bepaalde oefening is. Daarna wordt de oefenvorm gespeeld om dit doel te bereiken. Na afloop vraagt de trainer of de spelers dit begrepen hebben, zodat dit de komende wedstrijd in praktijk gebracht kan worden. Looijmans doet dit anders. “Ik houd er niet van om te vragen of ze begrepen hebben wat ik gezegd heb. Ik wil dat het uit henzelf komt, dan beklijft het namelijk veel beter. Voorafgaand aan de training vraag ik aan de spelers waar ze de afgelopen wedstrijd tegenaan zijn gelopen. Natuurlijk stuur ik dat als trainer wel, maar we proberen samen het probleem te benoemen. Ik geef dan een oefenvorm, waarin ze tegen dit probleem gaan aanlopen of dat ze juist punten kunnen scoren door de oplossing te gebruiken, die ik in gedachten heb. De spelers moeten dan tijdens de oefenvorm zoeken naar de oplossing van het probleem of de oplossing zelf ervaren. Ikzelf reik die oplossing zeker niet aan. Ik creëer echter wel oefenvormen met bepaalde regels, beperkingen en mogelijkheden, waarin de spelers zelf mogelijke oplossingen kunnen vinden. Ik bedenk oefeningen waarin veel succesmomenten voor de spelers zitten. De spelers moeten de oplossing zelf ervaren en beleven. Na de oefening vraag ik de spelers welke oplossingen ze bedacht en gezien hebben. Soms duurt zo’n oefening veel langer dan gedacht, omdat ze niet of na erg lange tijd pas met de oplossing komen. Dat is dan maar zo, want ik wil het geven van een oplossing zo lang mogelijk uitstellen. Als de spelers de oplossing niet vinden, dan ga ik altijd als eerste bij mezelf te rade. Klaarblijkelijk heb ik niet de juiste randvoorwaarden geschapen.”

Sheet aanvullen
Net als de trainers samen heeft Looijmans aan het begin van het seizoen ook een sheet aangemaakt, waarop hij samen met zijn spelers een aantal spelprincipes verzamelt. “Ik weet zeker, dat die sheet op het eind van het seizoen overvol is. Ik geef de gevonden spelprincipes van de trainers nooit door aan mijn spelers en het mooie is, dat de spelprincipes van de trainers vrijwel overeenkomen met de gevonden spelprincipes van mijn spelers.” In tegenstelling tot de meeste trainers, die vooraf het doel bepalen, wordt bij Looijmans het doel dus pas achteraf bepaald. “Ik vraag dan of ze hier iets mee kunnen in de wedstrijd. Als dat zo is schrijven we dit nieuwe spelprincipe er op de sheet bij. Ik ben ervan overtuigd, dat het spel niet van de trainer is, maar vooral van de spelers. Ik noem het daarom ook altijd ons plan. Ik wil dat de spelers zelf, uiteraard wel met de nodige sturing van de trainer, moeten bepalen hoe het wedstrijdplan eruit gaat zien. Ik stel wel altijd, dat het plan erop gericht moet zijn, om de wedstrijd te winnen!”

Plus-1 creëren
Looijmans vertelt enthousiast over de manier waarop hij zijn spelprincipes probeert te implementeren. Hij geeft een voorbeeld. Een van de spelprincipes die wij bij aanvallen belangrijk vinden is een plus-1-situatie rondom de bal. Ik constateerde samen met mijn spelers, dat we aan de zijkant van het speelveld regelmatig ‘vast’ kwamen te zitten. We speelden dan de as in, maar dat had dikwijls balverlies tot gevolg. Ik heb toen niet de oplossing hiervan gegeven, maar we zijn oefenvormen gaan spelen, waarin de spelers hopelijk zelf tot de conclusie zouden komen, dat er een overtal (plus-1) rondom de bal gecreëerd moest worden. In de voorbereidende oefening (oefenvorm 1), ga ik met dertien spelers in een vierkant spelen. Dit vierkant verdeel ik weer in vier afzonderlijke vierkanten. Als geel in balbezit is, moeten ze in hetzelfde kleine vierkant de bal vijf keer rondspelen. De gele spelers in de andere vakken mogen uiteraard komen helpen. Ook de blauwe spelers zullen zich ermee gaan bemoeien. Bovendien is er altijd de rode neutrale speler nog om een overtal te creëren. Zonder dat de spelers dat echt in de gaten hebben ontstaat er dan eigenlijk altijd een ‘plus-1-situatie’. Als dat is gelukt, verplaatsen ze het spel naar een ander diagonaal vierkant waar gescoord mag worden. Er mag alleen uit een directe kaats gescoord worden, zodat er dus altijd minstens één extra speler moet zijn. Hier dus ook weer een ‘plus-1’! Ik ga bij deze oefenvorm dus niet vertellen, dat het doel van deze oefening is, dat ze een overtal rondom de bal moeten creëren, maar hopelijk komen ze na afloop van de oefenvorm zelf tot deze conclusie.”
 

Door de as
“Hierna bouw ik dit spelprincipe verder wedstrijdecht uit in de lengte van het veld (oefenvorm 2). Ik speel dan alleen met de spelers, die in de as staan. Eerst spelen mijn twee centrale verdedigers samen met de verdedigende middenvelder de spits en aanvallende middenvelder van de tegenpartij uit. Vervolgens wordt de spits aangespeeld, die daarna samen met de twee aanvallende middenvelders de twee centrale verdedigers probeert uit te spelen. Er wordt dus twee keer een overtal rondom de bal gecreëerd. Deze oefenvorm kan ik dan weer verder uitbouwen door zowel achter als voor een vier-tegen-drie-situatie te creëren. We proberen dus steeds een overtal rondom de bal te krijgen.”

Tegenstelling
Bij het omschakelen naar aanvallen heeft TSC twee ogenschijnlijke tegengestelde spelprincipes geformuleerd. Het ene spelprincipe zegt dat er bij balbezit directe spelverplaatsing moet plaatsvinden en een ander spelprincipe zegt ‘safe met vervolg’, wat betekent, dat de kans op balverlies minimaal moet zijn. Looijmans legt uit: “Beide spelprincipes zijn waar. Spelers moeten leren herkennen wanneer het verantwoord is om direct het spel te verplaatsen of dat de bal eerst goed vrijgemaakt moet worden. Als de bal drie keer direct diep wordt gespeeld en de bal wordt drie keer verloren, moeten de spelers zelf tot de conclusie komen, dat het verstandiger is om nu het spelprincipe ‘safe met vervolg’ te gaan hanteren. Natuurlijk willen we het liefst het spelprincipe ‘directe balverplaatsing’ hanteren, maar niet ten koste van steeds balverlies. Bij veel trainers is de ‘vijfsecondenregel’ erg populair. Ik hanteer die ook, maar dan op een andere manier. Natuurlijk wil ik ook, dat bij balverlies de bal binnen vijf seconden weer heroverd wordt, maar ik wil ook, dat bij balverovering de bal binnen vijf seconden niet weer verloren wordt!”
 

Goede keuze maken
Om in de wedstrijd de juiste keuzes te maken tussen deze twee spelprincipes heeft Looijmans twee oefenvormen bedacht. In de voorbereidende oefenvorm wordt gespeeld in een vierkant van twintig bij twintig meter met drie teams van vier of vijf spelers en twee neutrale spelers plus een keeper. “Dit is een oefenvorm, waarbij veel chaos gecreëerd wordt, omdat er met veel spelers in een relatief kleine ruimte gespeeld wordt en waarbij je het ene moment bij het overtal hoort en bij balverlies even later in ondertal speelt. Ook speel je soms samen met bijvoorbeeld blauw en even later met rood. In al die chaos met heel veel omschakelmomenten moet je toch steeds de rust bewaren en de juiste keuzes maken en dat is best moeilijk. We hebben dus drie teams. Geel en blauw spelen samen met de twee neutrale spelers tegen rood. Indien bijvoorbeeld geel de bal verliest, dan spelen rood en blauw samen tegen geel. Zij kunnen dan scoren door de bal tien keer rond te spelen, of meteen in drie passes tot scoren te komen op het grote doel. Er moet dus gekozen worden tussen ‘safe met vervolg’ (tien keer rondspelen) of ‘directe spelverplaatsing’ (in drie passes scoren) met het risico van balverlies. Evenals bij het creëren van een overtal rondom de bal, zeg ik hier vooraf ook niet wat het doel van de oefening is. Dat vraag ik pas achteraf en dat moeten ze dus tijdens de oefenvorm zelf ontdekken.”

Hoedjes
“Een vervolg op deze oefenvorm is een partijspel van zeven tegen zeven met drie neutrale spelers. Alle spelers hebben een hoedje in hun hand en op het moment, dat ze in balbezit komen laten ze het hoedje vallen. Als de tegenstander in balbezit komt, moeten ze eerst het hoedje ophalen. Ze moeten dus terug naar hun oorspronkelijke positie en zijn dus even uit positie gespeeld. De tegenstander moet nu kiezen tussen directe spelverplaatsing en diep spelen of de bal eerst rustig vrijmaken (‘safe met vervolg’). Vooraf aan de oefening ga ik ook nu niet zeggen wat het doel is. Ik leg de regels uit en de spelers moeten gaandeweg de oefening erachter komen wat het doel is. Grappig was, dat de spelers in eerste instantie zeiden, dat meteen diepspelen het doel was. Bij het teruglopen naar de kleedkamer merkte een speler terloops op, dat dat toch niet verstandig was, omdat we immers de bal altijd snel kwijt waren. Toen kwamen we alsnog tot de conclusie, dat we de eerste drie ballen niet mochten verspelen. Mooi hè?”

Positiespel met 12 spelers + 1 neutrale speler



Organisatie
• Positiespel met 12 spelers met als doel om plus-1-situatie te creëren
• Veld van 40 bij 40 meter met 13 spelers
• Veld wordt verdeeld in vier vierkanten van 10 bij 10 meter
• De vier spelers bij de doeltjes (N) blijven op de plaats
• De balbezittende kleur speelt de bal 5 keer rond in één vierkant. Daarna openen ze in een ander (diagonaal) vierkant
• Er mag niet uit de eerste pass gescoord worden en er moet uit een directe kaats
gescoord worden
• De neutrale speler in het midden (rood) speelt met de balbezittende partij mee

Coaching
• Aanwijzingen geven, zodat er een plus-1-situatie gecreëerd wordt (niet direct
benoemen)
• Na de training vragen wat ze denken dat het doel van de training was (plus-1-situatie
creëren)

6 + K tegen 6 + K in de as



Organisatie
• In de as zes tegen zes met twee keepers met als doel het creëren van een plus-1-situatie
• Speelveld met een breedte van 20 meter en een lengte van 50 meter
• Gele keeper speelt de bal bijvoorbeeld naar 4. Deze moet eerst samen met 3 de verdedigende middenvelder 6 bereiken, voordat er diep gespeeld mag worden op 9
• Opbouwend wordt dus 3 tegen 2 gespeeld
• Nadat 9 is aangespeeld, kunnen 10 en 8 bijsluiten
• Aanvallend ontstaat nu ook een 3 tegen 2 situatie
• Een volgende aanval start bij de blauwe keeper. De blauwe 6 gaat terug naar eigen verdediging, de gele 9 gaat wat dieper staan en de gele 6 gaat naar de blauwe 6

Coaching
• Alleen de organisatie aan de spelers duidelijk maken en tijdens de oefenvorm vragen stellen waarom iets niet of wel lukt en waarom
• Na afloop vragen naar de doelstelling (creëren van een plus-1-situatie)

Partijspel met 14 spelers + K



Organisatie
• Partijspel met 14 spelers en een keeper met als doel om de juiste keuze te maken tussen directe spelverplaatsing en ‘safe met vervolg’
• In een vierkant van ongeveer 20 bij 20 meter wordt 8 tegen 4 gespeeld
• De neutrale spelers aan de zijkant doen mee met het overtal. Er wordt dus eigenlijk 10 tegen 4 gespeeld
• Twee ploegen spelen de bal rond en kunnen scoren door de bal 10 keer rond te spelen
• De ploeg die de bal verspeelt ruilt met de verdedigende partij
• Dit nieuwe overtal heeft nu twee mogelijkheden om te scoren, namelijk weer tien keer rondspelen of scoren in drie passes op het grote doel
• Eventueel balaanrakingen beperken

Coaching
• Alleen de organisatie neerzetten en regelmatig vragen waarom ze een bepaalde keuze gemaakt hebben
• Naderhand aan de spelers vragen wat het doel van de oefening was

7 + K tegen 7 + K met 3 neutrale spelers



Organisatie
• 7 + K tegen 7 + K met 3 neutrale spelers met als doel om de juiste keuze te maken tussen directe spelverplaatsing en ‘safe met vervolg'
• Speelveld met een breedte van 20 en een lengte van 50 meter
• In eerste instantie wordt er alleen gespeeld in het middelste van de drie vakken
• De neutrale spelers kunnen ook als spits fungeren
• Alle spelers hebben een hoedje in hun hand, dat ze op de grond leggen als ze in balbezit komen. Indien de tegenstander in balbezit is, dan moet eerst het hoedje opgehaald worden, zodat de aanvallers iets meer ruimte en tijd hebben
• De spelers mogen pas in de vakken bij het doel komen als de bal daar al is. Zo voorkom je altijd buitenspel

Coaching
• De spelers zelf laten ervaren of ze direct het spel naar voren moeten verplaatsen, of dat ze de bal eerst rustig moeten vrijmaken
• Naderhand aan de spelers vragen wat het doel van de oefening was

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen