Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Leerprincipes toepassen in de tactische trainingen
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 14 December 2018

Dat de wetenschappelijke kennis over motorisch leren van meerwaarde zouden zijn voor de methodische opbouw die een trainer gebruikt in het ontwikkelen van techniek bij zijn of haar spelers, dat ligt voor de hand. Maar dat de principes van ‘impliciet leren’ ook van grote waarde zijn voor tactische ontwikkeling, is dat wellicht minder. Hierbij ligt de nadruk niet op de begeleiding en coaching, maar op het trainbaar maken van principes door het ontwerp van de oefenvormen.

Tekst: Remo Mombarg, Hans Slender en Mischa Visser | Redacteur: Paul van Veen | Foto’s: privé

Onderzoekers Remo Mombarg en Hans Slender van het lectoraat Praktijkgerichte Sportwetenschap sloegen voor dit artikel de handen ineen met hun collega Mischa Visser (bondscoach O16 en O18) om deze principes te vertalen naar oefenvormen voor tactische ontwikkeling. “Het voordeel van impliciet leren ten opzichte van de meer traditionele vormen van leren, is dat de sporter zonder de expliciete kennis over een beweging of handeling zijn gedrag aanpast. Dit maakt dat de sporter cognitief minder belast wordt en daardoor niet alleen sneller de handeling onder de knie krijgt, maar deze handeling ook langer beklijft, beter blijft uitvoeren in stressvolle situaties en zich beter weet aan te passen aan wisselende omstandigheden,” begint Mombarg zijn pleidooi voor impliciet leren. “Dit kan gelden voor technische handelingen, maar ook voor gedragingen ten opzichte van tegenstanders of teamgenoten. Als een speler een aantal gedragingen automatisch doet, heeft hij meer ruimte in zijn hoofd voor meer complexe taken en opdrachten.”

Knijpen
“Als ik terugdenk aan mijn tijd als jeugdspeler, dan was er altijd veel aandacht voor het knijpen van de backs en buitenspelers als de tegenstander de bal heeft. Hier werd steevast veel op gecoacht en het spel werd stil gelegd op momenten dat het fout ging. Ik heb met jongens gespeeld die dit aspect zelfs in de senioren nog altijd niet constant onder de knie hadden,” haalt Slender een eenvoudig tactisch principe aan. Terwijl je dit volgens Visser zeer eenvoudig in een oefenvorm kan trainen. “Waarom gebruiken trainers met enige regelmaat de dwangstelling dat een doelpunt in een partijvorm alleen telt als iedereen is aangesloten over de middenlijn? Dit dwingt spelers bij te sluiten en de linies kort op elkaar te houden voor het geval er balverlies is. Het is een sterke vereenvoudiging van wat je zou willen zien, maar het werkt wel. In het betaalde voetbal zie je ook steeds vaker verticale lijnen op het veld. Ook met deze lijnen kun je ‘straffen’ verzinnen wanneer er onvoldoende geknepen wordt. Je zou bijvoorbeeld de dwangstelling kunnen invoeren dat het team telkens in drie van de vijf verticale zones moet verdedigen. Als je dit met enige regelmaat doet, dan wordt het vanzelf een automatisme.”
 

Tekening 1

Visser: “Voor mij is het essentieel dat ik in positie- en partijspelen dicht bij de spelprincipes en speelwijze kan blijven die ik in de wedstrijd ook wil zien. Door situaties na te bootsen, vervolgens met de spelregels te spelen en spelers uit te dagen situaties zelf op te lossen, oefenen we daadwerkelijk op de uitdagingen waar we in de wedstrijd tegenaan lopen. Hierin moet je als trainer soms creatief zijn. Ik gebruik plastic pannenkoekjes met rugnummers, zodat in bepaalde vormen iedereen meteen weer in de juiste uitgangspositie start. Wanneer je niet in de gelegenheid bent met kalklijnen de gewenste zones te markeren, kun je ook linten gebruiken. Dit wordt voornamelijk in Spanje veel gedaan. In iedere zone kun je aan de hand van je eigen visie bepaalde principes in aanvallen en verdedigen terugzien. Zo wil ik graag de bal op de helft van de tegenstander, in de as, veroveren omdat de kans om dan zelf een doelpunt te maken het grootst is. Het bevorderen van het gewenste gedrag van de spelers kan bijvoorbeeld aan de hand van straffen en belonen. Het afdwingen van dit gedrag en het oefenen is veel krachtiger dan er alleen op coachen.”

Pep Guardiola
Slender: “Beroemd zijn de foto’s van het trainingsveld van Guardiola waarin beide flanken, de halfspaces en de as uitgelijnd staan. Een van de spelprincipes voor zijn positiespel is dat er in balbezit slechts één speler op de flank staat en dat dus of de back of de buitenspeler aanspeelbaar is in de halfspace. Hierdoor ontstonden geheel nieuwe opbouwvarianten met backs die zich naast de middenvelders opstellen en buitenspelers die zich verder laten zakken (tekening 1 en 2). Door dit te oefenen middels dwangstellingen ontwikkel je een dergelijke speelwijze veel sneller dan als je er alleen op coacht. Op het moment dat Guardiola twee spelers op de flank ziet in een partijspel, fluit hij het gewoon af en krijgt de tegenstander de bal. Moet je eens kijken hoe snel spelers dit onder de knie krijgen.”
 

Tekening 2

Visser: “Ook in positiespelen kan het werken met vakken erg effectief zijn. Bepaalde tactische aspecten kunnen door de regels afgedwongen worden. Bijvoorbeeld het wel of niet inschuiven van een verdediger naar het middenveld, of juist het uitzakken van een aanvaller. Maar ook het doordekken kan met regels afgedwongen worden (oefening 1). Verder kun je ook nog spelen met regels over het aantal balcontacten in bepaalde zones. Bijvoorbeeld maximaal twee of drie keer raken als je wil dat achterin het spel versneld wordt of minimaal twee keer raken als je wil dat er minder risico genomen wordt op bepaalde delen van het veld. Als je wilt dat middenvelders beter opengedraaid staan als zij in de opbouw de bal vragen, meer vooruit spelen en dus meer vanuit de diagonale pass aangespeeld worden, dan kun je gewoon de regel instellen dat na het inspelen van het middelste vak de bal niet (direct) terug mag. Spelers vinden dan snel genoeg oplossingen als alternatief voor het veilige terugkaatsen naar de centrale verdediger. Overigens kun je in een eenvoudig positiespel meer diagonale ballen al snel afdwingen door niet in een rechthoek, maar in een achthoek of cirkel te spelen. Ook dit zie je bijna nooit iemand doen, terwijl het een eenvoudige aanpassing is.”

Breintraining
Naast impliciet leren is ook breintraining in opkomst. Onder meer de jonge Duitse trainer Julian Nagelsmann (Hoffenheim) is bekend geworden met enorm complexe oefenvormen waarbij spelers continu meerdere taken moeten uitvoeren en waarbij de regels zich veelvuldig aanpassen. “Zelf zou ik dit in het amateurvoetbal of bij jeugdvoetbal niet zo snel doen,” aldus Mombarg. “Wat je doet is dual tasks geven waardoor een hoge cognitieve belasting ontstaat. Het idee is dat sporters nog beter en sneller kunnen denken, waardoor ze in volle stadions en onder druk nog steeds een goede beslissing kunnen nemen. Dit is net een beetje extra wat een topsporter wellicht moet krijgen en wat je kan doen als je zes of zeven trainingen in de week hebt. Juist het trainen van de basisprincipes en de eigen speelwijze zouden prioriteit moeten hebben als je twee of drie keer per week traint.”

Visser: “Toch heeft Nagelsmann wel een punt als het aankomt op tactische varianten. Als je altijd uitgaat van één plan binnen het aanvallen, verdedigen en omschakelen, dan kan het team in problemen komen als de tegenstander zich net even anders opstelt dan verwacht. Als je meerdere varianten traint qua opbouw, of qua manier van drukzetten, dan wordt het team adaptiever en kan het zich in wedstrijden sneller aanpassen aan de mogelijkheden die een tegenstander biedt. Ook dit is een vorm van ‘differentieel leren’. Veel trainers passen dit, hetzij onbewust, al toe. Mombarg: “Je kunt hier nog verder in gaan door spelers zelf te betrekken in het maken van keuzes en het stellen van doelen. Als zij zichzelf eigenaar voelen van ‘de manier van drukzetten en alle varianten die we beheersen’ en hier gericht aan werken tijdens de training, dan zullen zij zelf ook met de oplossingen komen in de wedstrijd. Dit is het principe van zelfregulatie wat erg effectief blijft. En spelers voelen ruimte voor dit soort tactische keuzes in wedstrijden als veel van de kleinere keuzes (vrijlopen, vooracties, knijpen, doordekken, etc.) en hun techniek automatismen zijn waar ze zich niet meer druk om hoeven te maken. Een combinatie van impliciet leren en zelfregulatie maakt een erg sterk team.”


Positiespel in drie vakken


Dit is oefenvorm 2512 van De Oefenstof Database


Uitleg
Visser: “In drie vakken wordt bijvoorbeeld 3:2, 2:2 en 2:3 gespeeld. Doel in dit positiespel is balbezit houden, al kan je ook regels toevoegen om meer richting in het spel te krijgen. Start eenvoudig met spelers die in de eigen vakken blijven.”

Variatie
“Later kan je werken met regels waarin overtal situaties op het middenveld gecreëerd kunnen worden door een inschuivende verdediger, of een inzakkende aanvaller. Dit is afhankelijk van wat je in de wedstrijd wil zien. Ook zou je het doordekken kunnen toevoegen van een middenvelder naar het voorste vak of een verdediger naar het middelste vak. Verder kan je met de regels spelen, bijvoorbeeld 2x raken in de verdediging (overtal), maar niet op het middenveld of in de aanval.”


Positiespel om de ballijnen eruit te halen


Dit is oefenvorm 2441 van De Oefenstof Database


Uitleg
Visser: “Als je bijvoorbeeld kiest voor verdedigen in de zone, dan is dit positiespel een mooie vorm. In beide vakken heeft de balbezittende partij een overtal (4 tegen 2). Doel is balbezit houden en op het juiste moment diep spelen naar het andere vak. De twee spelers in het middelste vak proberen juist de passlijnen eruit te halen en moeten samenwerken (coaching) met de aanvallers die druk zetten.”

Variatie
• “Je kunt ook spelen met 5:2 in de vakken. Als je bijvoorbeeld drie teams van 5 hebt, blijft er steeds één verdediger hangen in het verste vak.”
• “Met omschakelen kan je spelen door bij balverovering meteen het andere vak in te spelen en van rol te wisselen. Ballijnen afschermen is heel belangrijk in het uitvoeren van een goede zonedekking.”


Positiespel 5 tegen 5 + 2


Dit is oefenvorm 1433 in De Oefenstof Database

Uitleg
Visser: “Positiespelen met 5:5 of 6:6 met twee neutrale spelers komen erg veel voor op de Nederlandse velden. Door te spelen met de ruimte en de positie van de neutrale spelers, dwing je andere gedragingen af. Door ze op de korte zijde te plaatsen gaan oefenen spelers meer diepte zoeken. Dit kan je bijvoorbeeld extra stimuleren door voor een lang en smal speelveld te kiezen.”


Positespel 5 tegen 5  + 2 (II)


Dit is oefenvorm 1433 van De Oefenstof Database


Uitleg
“Als we dezelfde oefenvorm doen als boven, maar door het plaatsen van de neutrale spelers in het vak, moeten teams continu zoeken naar formatie en de juiste onderlinge posities.”

Variatie
“Door te spelen in een achthoek of cirkel worden het formeren van driehoekjes en het spelen van diagonale ballen nog belangrijker.”



 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen