Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Het ontwikkelen van spelers in opbouwend opzicht
Maandag 28 Januari 2019


Het is een eeuwenoude discussie in de voetballerij, die door de recente prestaties van Oranje opnieuw werd aangewakkerd. In hoeverre heeft een bond, club of trainer invloed op de ontwikkeling van de spelers die het opleidt? In dit artikel gaat TrainersMagazine opzoek naar handvatten voor opleiders om spelers te beïnvloeden in de ontwikkeling die ze doormaken.

Tekst: Tom Druppers | Beeld: Gerrit van Keulen

Het Nederlands elftal ontbrak de voorbije jaren op twee eindtoernooien. Eerst werd het EK van 2016 gemist en ook afgelopen zomer was Oranje niet present op het WK in Rusland. Paniek. Waren de teleurstellende resultaten simpelweg pech, of was het een gevolg van een falende opleiding? In 2016 ontvouwde de KNVB het rapport ‘Winnaars van Morgen’, waarin onder meer het pupillenvoetbal op de schop ging.

Anno 2019 hangt de vlag er anders bij. Onder leiding van bondscoach Ronald Koeman boekte het Nederlands elftal een aantal hoopvolle resultaten en bovendien ging dit gepaard met de doorbraak van een aantal grote talenten. Was er überhaupt wel behoefte geweest aan vernieuwing nu er alweer een nieuwe veelbelovende generatie op de deur klopt?

Frenkie de Jong
Een van de pijlers onder de opleving van het hernieuwde Oranje is middenvelder Frenkie de Jong. De Jong, spelend voor Ajax, bezit de kwaliteiten waar het Nederlands elftal de laatste jaren zo hartstochtelijk naar snakte. De middenvelder zoekt veelal de oplossing vooruit, beschikt over een voortreffelijk spelinzicht en raakt niet in paniek wanneer hij ingespeeld wordt met een tegenstander in zijn rug.

Het doorbreken van De Jong leidde tot een nieuwe discussie: zijn dit soort spelers op te leiden, of is hij simpelweg door Onze Lieve Heer gezegend met bovengemiddeld veel voetbaltalent?



Nature-nurture debat
Deze discussie doet denken aan het nature-nurture debat. Hierin wordt de vraag gesteld of de eigenschappen van een individu vastliggen bij de geboorte, of dat deze worden bepaald door externe omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de voetbalopleiding van een jonge speler.

In de hedendaagse psychologie valt er op dit moment nog geen eenduidig antwoord te geven op deze vraag. De discussie loopt vaak spaak op het feit dat voor- en tegenstanders een strikte scheiding maakten tussen ‘nature’ en ‘nurture’. De kleur van je ogen ligt bij de geboorte vast, omdat deze bepaald wordt door genen met een duidelijk biologische functie. In het geval van iemands leerprestaties is dit veel moeilijker.

De leerprestaties van een individu worden – net als veel andere eigenschappen - bepaald door een combinatie van genen én omgevingsfactoren. Voor Frenkie de Jong is dit niet anders. Hij bezit veel talent, maar dit komt tot wasdom doordat hij, dankzij diverse omgevingsfactoren, steeds in staat is deze verder te ontwikkelen. Omgevingsfactoren zijn bepalend in de ontwikkeling van voetballers. Door constant onder grote weerstand te trainen en wedstrijden te spelen is een speler in staat zijn kwaliteiten zo te ontwikkelen dat hij zijn eigen top bereikt.

In de voetbalwereld is het geen vanzelfsprekendheid. Zo gaat er veel talent verloren door het zogeheten geboortemaandeffect. Talentvolle jeugdvoetballers, geboren in de laatste maanden van een kalenderjaar, maken aanzienlijk minder kans op een gedegen opleiding, omdat zij wegens fysieke ongelijkheden vaak door scouts over het hoofd gezien worden.
 
Eerder verscheen op het Voetbal KennisPlatform een serie artikelen over het geboortemaandeffect

Ook voetbaltrainers zullen zich herkennen in de nature-nurture discussie. Velen zullen, in meerdere of mindere mate, toch de overtuiging hebben dat zij hun spelers tot op zekere hoogte kunnen beïnvloeden in de ontwikkeling die zij doormaken. Al is het alleen al omdat het anders niet zinvol zou zijn om meerdere keren per week aandacht te besteden aan de ontwikkeling van het team en haar individuele spelers.

In die zin zullen veel voetbaltrainers aanhanger zijn van de nurture-kant van de discussie. Echter is het helemaal niet nodig om als opleider een kant te kiezen tussen ‘nature’ of ‘nurture’. Het is goed om in acht te houden dat ieder individu een bepaalde mate van talent in zich heeft en dat jij (en de speler zelf) als trainer voor de uitdaging staat deze ook volledig te benutten.

Omgevingsfactoren
Als trainer heb je diverse handvatten om de ontwikkeling van je spelers en het team een bepaalde richting op te sturen. De voorbeelden hiervan zijn talrijk, namelijk de speelwijze, de gekozen oefenvormen tijdens een training, maar ook de pedagogische en didactische aanpak van de trainer. Dit alles kan ervoor zorgen dat de ontwikkeling van een jeugdspeler voortvarend verloopt, of in het slechtste geval juist stagneert. De omgevingsfactoren rondom een jeugdspeler worden dus voor een groot gedeelte bepaald door de werkwijze van de trainer en de jeugdopleiding van de club.

Wanneer een trainer bijvoorbeeld houdt van ‘mannelijk voetbal’ met veel fysieke duels zal hij er logischerwijs vaak voor kiezen om deze elementen veel te laten terugkeren in de oefenvormen die hij aanbiedt tijdens een trainingsmoment. Een trainer die graag interactief te werk gaat, zal in zijn manier van coachen proberen om spelers vragenderwijs te betrekken in bijvoorbeeld de wedstrijdbespreking. Kortom: de omgevingsfactoren vormen het kader van het ontwikkelingsklimaat.

Speelwijze
Een belangrijke hoeksteen in de werkwijze van een trainer is de speelwijze die een team hanteert. Dit is in grote lijnen de manier van spelen van een team tijdens het aanvallen, verdedigen en de omschakelmomenten.

Een van de moeilijkste onderdelen binnen de teamfunctie aanvallen is het spelen van een korte opbouw, vanuit een uitbal van de eigen keeper. Wanneer een tegenstander ervoor kiest om meteen door te dekken na een korte inspeelpass van de doelman, ontstaat er een gevaarlijke situatie in de buurt van het eigen doel. Als de tegenstander dit goed organiseert is de kans op een tegendoelpunt aanzienlijk, zeker wanneer een elftal niet gewend is aan het hanteren van de korte opbouw.

Daarom kiezen sommige trainers ervoor om risicovermijdend te werk te gaan, wat er vaak in resulteert dat spelers snel kiezen voor dieptespel in de eigen opbouw als de tegenstander aan het storen is. Zo voorkomt men dat er balverlies wordt geleden op de eigen speelhelft en dus is de kans op een tegendoelpunt een stuk kleiner. In het kader van de ontwikkeling van jeugdspelers is dit echter zonde. Als de keeper, of de centrale verdedigers, wordt geleerd om meteen te kiezen voor (hoog) dieptespel in de opbouw, komen zij (en de middenvelders) niet in de situatie dat ze uitgedaagd worden om, ondanks het storen van de tegenstander, iemand vrij te spelen in de opbouw.
 

Globale weergave van een spelsituatie in de opbouw op eigen speelhelft vanuit een doeltrap

De speelwijze binnen de opbouw is een voorbeeld van een handvat dat een trainer heeft om de ontwikkeling van zijn spelers sturing te geven. Een spelsituatie als de opbouw is erg gecompliceerd, maar juist daardoor ontzettend leerzaam voor alle spelers binnen een elftal. In afbeelding 1 is een voorbeeld geschetst van een mogelijke situatie binnen de opbouw, waarbij het blauwe team in een 1:4:3:3-formatie met de punt naar achteren start. Wanneer de keeper ervoor kiest om een van de twee centrale verdedigers in te spelen ontstaat er weer een nieuwe situatie, omdat de tegenstander hierop gaat anticiperen.

Met de centrale verdediger aan de bal zijn de tien andere spelers van het blauwe team aan zet. Het voert te ver om alle keuzes hier in detail uit te lichten. Er zijn tientallen, misschien wel honderden opties voor spelers binnen deze spelsituatie. Het gaat er niet om welke keuze er gemaakt wordt, maar wel dat spelers in een situatie gebracht worden waar ze veel van kunnen leren. Het daagt spelers uit om na te denken over het eigen handelen, omdat ze anders simpelweg de bal niet kunnen ontvangen.

Speelwijzeontwikkeling
In het voorbeeld van de speelwijze is er uitgegaan van de grootst mogelijke spelvorm in het voetbal: elf-tegen-elf. Om een dusdanige speelwijze te realiseren is er een omgevingsfactor die hier nauw aan verwant is: de speelwijzeontwikkeling. Dit zijn de momenten waarin de trainer met zijn team werkt aan de manier van spelen. De handvatten die een trainer hiervoor heeft zijn onder andere de trainingsmethodiek en de oefenvormen die hij hierbij kiest.

Om een speelwijze te optimaliseren is veel tijd en arbeid nodig. Een speelwijze kan op papier uitstekend in elkaar steken, maar als spelers tijdens trainingsmomenten nauwelijks in de situatie gebracht worden waar ze in de wedstrijd mee te maken krijgen, zullen ze het minder snel onder de knie krijgen. Bovendien heeft een trainer tijdens een training de mogelijkheid om situaties stil te leggen en spelers tot in detail te helpen bij het maken van de juiste keuze.

Een oud Nederlands spreekwoord luidt: ‘oefening baart kunst’. De letterlijke betekenis hiervan is: door veel te oefenen verbeteren de prestaties. Dat is niet anders binnen het ontwikkelen van een speelwijze. Sterker nog: een trainer moet zijn trainingen dusdanig inrichten dat spelers veel in situaties komen die vergelijkbaar zijn met de wedstrijd. Een training vormt hiervoor een ideaal platform en veilige omgeving. Spelers hebben de mogelijkheid om nieuwe dingen te ontdekken en te proberen. Het maken van fouten is essentieel en leidt op termijn tot het beter uitvoeren van bepaalde handelingen.

Om dit in een stroomversnelling te brengen kiezen veel trainers ervoor om wedstrijdsituaties na te bootsen en zo trainbaar te maken. Dit kan door simpelweg een trainingspartij elf-tegen-elf te spelen, met wedstrijdechte spelregels. Hierdoor lijkt het veel op een ‘echte’ wedstrijd en bovendien kunnen spelers zich zo richten op het uitvoeren van hun basistaak, omdat ze vaak vanuit hun eigen positie kunnen spelen.

Toch kleven hier enkele nadelen aan. Door de grootte van de oefenvorm (elf-tegen-elf) komen veel spelsituaties tijdens zo’n trainingspartij slechts enkele keren voor. Hierdoor is het interval van bepaalde handelingen (bijvoorbeeld de opbouw op eigen speelhelft) veel lager, waardoor een trainer beperkt wordt in de mogelijkheid om het team en haar spelers te beïnvloeden.

Verbeteren van de samenwerking in de opbouw
Wanneer je als trainer een specifiek onderdeel van de speelwijze wilt verbeteren moet je het dus trainbaar maken. Zoals gezegd moeten de spelers die je op dat moment wilt beïnvloeden veel in de situatie komen die voor hen relevant is, omdat dit het leerproces simpelweg versnelt. Vereenvoudiging is daarbij het toverwoord. Door goed na te denken over de veldafmetingen, de spelersaantallen en de spelregels kun je als trainer het verloop van een oefenvorm sturen.
 
In onze Oefenstof Database vind je alle spelregels van impliciet leren in het partijspel 

Als voorbeeld nemen we de samenwerking tussen de keeper, twee centrale verdedigers en drie middenvelders in de opbouw op de eigen speelhelft. Een geschikte oefenvorm om dit te verbeteren is een partijspel vijf-tegen-vier met twee keepers, waarbij de hoofdrolspelers één team vormen en een overtal hebben. Het vijftal start constant met de bal en wordt gedurende een x-aantal minuten uitgedaagd om vanuit de situatie in de opbouw tot scoren te komen. Op de oefenstofpagina van dit artikel wordt deze oefenvorm verder uitgelegd.

Deze oefenvorm is een vereenvoudiging van een wedstrijdsituatie binnen elf-tegen-elf. Het biedt de (hoofdrol)spelers de mogelijkheid om zich te oriënteren op de verschillende keuzes die er zijn in de opbouw op eigen speelhelft. De keeper moet iedere keer op basis van de situatie bij de uitbal, een inschatting maken, terwijl de verdedigers zoeken naar het juiste moment van spelen van de voorwaartse pass. De middenvelders moeten zich op hun beurt bezighouden met de afstemming van hun loopacties ten opzichte van elkaar. Ook de trainer heeft hier profijt van. Hij kan zich richten op een aantal spelelementen en spelers tot in detail helpen met het verbeteren van hun spel.

Het kiezen van de juiste veldafmetingen is van invloed op de moeilijkheidsgraad van de oefenvorm. In de breedte kun je er als trainer voor kiezen om het zestienmetergebied aan te houden, omdat de spelers dan gedwongen worden samen te werken in ruimtes waar ze in de wedstrijd ook veelal opereren. Criticasters zullen misschien zeggen dat een dergelijke oefenvorm te veel afwijkt van de wedstrijdsituatie, omdat er bijvoorbeeld geen flankspelers in betrokken worden. Een gebalanceerde trainingsopbouw is daarom belangrijk. Door in een later stadium te kiezen voor het toevoegen van spelers op de flank, werk je gedurende een training steeds meer naar de wedstrijdsituatie toe.

Verbeteren van het handelen van het individu in de opbouw
In bovenstaand stuk is verteld over het trainen van de teamtactische samenwerking tussen verschillende linies tijdens de opbouw op de eigen speelhelft. Toch zijn er nog een hoop andere invloedsfactoren die bepalen of het – op termijn – lukt om een verzorgde, korte opbouw te spelen. Het handelen van een individu is hier mede bepalend in. De samenwerking in het vrijlopen kan nog zo goed zijn: als een speler niet in staat is een bal goed aan te nemen met een tegenstander in zijn rug, springt de bal vaak van zijn voet als-ie wordt ingespeeld, wat alsnog leidt tot balverlies.

Een verdediger moet tijdens de opbouw in staat zijn om de voorwaartse pass richting een van zijn medespelers op het juiste moment, met de juiste snelheid en op het verste been van de ontvanger in te spelen. Tegelijkertijd moet de ontvangende speler (vaak een middenvelder of aanvaller) zo vaardig zijn dat hij een goed getimede loopactie kan inzetten, om vervolgens zijn balaanname af te stemmen op de weerstand die zijn directe tegenstander geeft.

De basis hiervoor wordt gelegd in de onder- en middenbouw, waar gewerkt wordt in kleinere ruimtes en met minder grote spelersaantallen. Jeugdspelers zijn dan op een leeftijd dat ze in staat zijn zichzelf op technisch vlak razendsnel te ontwikkelen en dus is het van belang dat er juist dan veel aandacht wordt besteed aan het verbeteren van deze vaardigheden.



Tekening 2: Gedetailleerde weergave van een spelsituatie in de opbouw op eigen speelhelft vanuit een doeltrap

Om de samenwerking tussen de balbezittende speler en vrijlopende (mede)speler te verbeteren moeten beide elementen terugkomen in een oefenvorm. Een verdediger moet zich, zowel in de onder-, midden- als bovenbouw, tijdens de opbouw bezighouden met verschillende zaken. Nadat hij de bal van de keeper heeft ontvangen moet hij aanvallend weerbaar zijn in een een-tegen-een-duel met een aanvaller die druk zet, terwijl hij zich tegelijkertijd oriënteert op vrijlopende medespelers hoger op het veld. De verschillende keuzes en weerstanden zijn goed zichtbaar in afbeelding 2.

Er is in deze situatie sprake van twee verschillende een-tegen-een-situaties. De verdediger aan de bal ondervindt voorwaartse weerstand van de spits die druk zet, terwijl de middenvelder juist een tegenstander in zijn rug heeft, die hij moet zien uit te spelen als hij de bal ontvangt. Het ‘mannetje-passeren’ staat centraal: denk maar aan Frenkie de Jong die tegenstanders met een aantal (lichaams)schijnbewegingen van zich afschudt en zo zorgt voor een overtal in de opbouw.

In het oefenstofgedeelte van dit artikel hebben we beide elementen, die voor beide individuen relevant zijn, samengevoegd tot één oefenvorm. De centrale verdediger start onder weerstand van een tegenstander voor zich met dribbelen, waarna een medespeler kan worden ingespeeld met een tegenstander in zijn rug. Er wordt gestart met een een-tegen-een-situatie, die uiteindelijk uitmondt in een twee-tegen-twee, die sterk lijkt op de spelsituatie in tekening 2.

Het voordeel van een oefenvorm als deze is dat spelers veelvuldig in een vergelijkbare situatie komen, die een afgeleide is van een daadwerkelijke wedstrijdsituatie. Dat geldt natuurlijk voor het tweetal dat start met een opbouwende taak, maar ook voor het tweetal dat de bal in eerste instantie moet veroveren. De oefening zelf nodigt de ontvangende speler impliciet uit om zich te ontdoen van de tegenstander in zijn rug. Dit kan door het maken van een explosieve loopactie ten opzichte van de bal, waardoor hij de ruimte heeft om de bal te ontvangen. Een andere speler kan, op basis van zijn eigen kwaliteiten, juist de voorkeur hebben om een lichaamsschijnbeweging zo te oefenen dat hij zijn directe tegenstander op het verkeerde been zet.

Uiteindelijk gaat het er niet om welke keuze er wordt gemaakt. Ook is het in eerste instantie niet belangrijk hoe de uitvoering is. Een speler moet zelf ontdekken waar zijn voorkeur naar uit gaat. Doordat er sprake is van veel herhalingen heeft hij bovendien de mogelijkheid om veel verschillende dingen te proberen en kan hij daarna een aantal specifieke vaardigheden perfectioneren.
 
Een ander onderdeel dat van belang is binnen het trainen van de opbouw is het verbeteren van het kijkgedrag. Lees op ons Voetbal Kennisplatform wat bewegingswetenschapper Jan van Norel zegt over het trainen van kijkgedrag:


Conclusie
In dit artikel is getracht om een veelomvattend antwoord te geven op de vraag in hoeverre een trainer, club of voetbalbond invloed heeft op het soort spelers dat er wordt afgeleverd aan het eerste elftal. Het blijft natuurlijk lastig om te bepalen in hoeverre alle omgevingsfactoren ook daadwerkelijk invloed hebben op de uiteindelijke ontwikkeling van individuele spelers.

Toch is wel duidelijk dat trainers voldoende handvatten hebben om sturing te geven aan de ontwikkeling van het team en haar individuele spelers. De manier van spelen tijdens een wedstrijd, of de trainingsmethodiek die je hanteert zijn slechts enkele voorbeelden hiervan. Denk ook eens aan de sfeer die hangt rondom het team dat je onder je hoede hebt. Voelen spelers zich veilig genoeg om fouten te maken, of proberen ze dit juist te voorkomen, omdat de trainer veel waarde hecht aan de ranglijst?
 
Voorbeelden van omgevingsfactoren
- Speelwijze (bijvoorbeeld: de gekozen spelprincipes)
- Speelwijzeontwikkeling (bijvoorbeeld: trainingsmethodiek, oefenvormen)
- Teamcultuur (bijvoorbeeld: normen en waarden)
- Leiderschapsstijl (bijvoorbeeld: interactief of directief)
- Persoonlijke Ontwikkelplan (ontwikkeling van individuen binnen het team)

Uiteindelijk is het ieders goed recht om dit op eigen wijze in te vullen. Door er alleen al goed over na te denken, en jezelf te evalueren, kom je misschien tot nieuwe inzichten en daar kunnen clubs, teams, trainers en individuele spelers alleen maar van profiteren.

Oefenvorm 1: Verbeteren van handelen van het individu in de opbouw (O8 t/m O12)
Dit is oefenvorm 2552 in De Oefenstof Database




Organisatie:
- Er wordt een oefenvorm gespeeld waarin 1 tegen 1 en 2 tegen 2 met elkaar worden gecombineerd. Beide teams kunnen scoren op de twee kleine doeltjes
- Lengte: 30-40 m, breedte: 15-20 m
- De gele speler start vanaf zijn eigen doeltje met dribbelen
- De blauwe speler rond de middenlijn mag dan proberen de bal af te pakken
- De gele speler aan de overzijde van het veld begint met vrijlopen, de blauwe speler verdedigt hem
 
Coaching:
- Tijdens het dribbelen over de bal heen kijken en contact maken met vrijlopende medespeler
- Explosieve vooractie maken tijdens het vrijlopen: naar de bal toe, of van de bal af
- Inspelen op het verste been, zodat de ontvangende speler in één keer door kan richting het doel
- Meteen aansluiten als de voorwaartse pass gespeeld wordt
- Kijk regelmatig over je schouder als ontvangende speler: weet waar je tegenstander is
 
Variatie:
- Methodische stap: werken met grotere spelersaantallen, meer ontvangende spelers: bijvoorbeeld 3 tegen 3 of 4 tegen 4


Oefenvorm 2: Verbeteren van de samenwerking in de opbouw (O13 t/m O19)
Dit is oefenvorm 2554 van De Oefenstof Database 




Organisatie:
- Partijspel 5+k tegen 4+k, waarbij beide teams kunnen scoren op twee grote doelen
- Breedte van het strafschopgebied, lengte tot kopcirkel van de andere speelhelft
- Formatie TCP (geel): 1:2:3, NTCP: 1:3:1
- Er wordt gestart met een uitbal van de keeper van het gele team, naar één van de twee centrale verdedigers
- Als de bal uit is speelt de trainer meteen een nieuwe bal in vanaf de zijkant
 
Coaching:
- Afstemmen van de loopacties door middenvelders
- Verbaal (praten) en non-verbaal (oogcontact) communiceren tussen achterhoede en middenveld
- Zonale positiewisselingen t.o.v. de bal, waarbij de posities door verschillende spelers bezet worden
- Schuine loopacties t.o.v. de bal, zodat er in twee richtingen (verticaal / horizontaal) ruimte wordt gemaakt
 
Variatie:
- Partijvorm 4+k tegen 3+k met tussenvak: na een voorwaartse pass door één van de twee verdedigers van blauw sluit er slechts één verdediger bij
- Methodische stap: partijvorm 7+k tegen 6+k, waarbij er ook sprake is van vleugelspelers

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen