Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Het ontwikkelen van spelers in opbouwend opzicht
Maandag 28 Januari 2019


Het is een eeuwenoude discussie in de voetballerij, die door de recente prestaties van Oranje opnieuw werd aangewakkerd. In hoeverre heeft een bond, club of trainer invloed op de ontwikkeling van de spelers die het opleidt? In dit artikel gaat TrainersMagazine opzoek naar handvatten voor opleiders om spelers te beïnvloeden in de ontwikkeling die ze doormaken.

Tekst: Tom Druppers | Beeld: Gerrit van Keulen

Het Nederlands elftal ontbrak de voorbije jaren op twee eindtoernooien. Eerst werd het EK van 2016 gemist en ook afgelopen zomer was Oranje niet present op het WK in Rusland. Paniek. Waren de teleurstellende resultaten simpelweg pech, of was het een gevolg van een falende opleiding? In 2016 ontvouwde de KNVB het rapport ‘Winnaars van Morgen’, waarin onder meer het pupillenvoetbal op de schop ging.

Anno 2019 hangt de vlag er anders bij. Onder leiding van bondscoach Ronald Koeman boekte het Nederlands elftal een aantal hoopvolle resultaten en bovendien ging dit gepaard met de doorbraak van een aantal grote talenten. Was er überhaupt wel behoefte geweest aan vernieuwing nu er alweer een nieuwe veelbelovende generatie op de deur klopt?

Frenkie de Jong
Een van de pijlers onder de opleving van het hernieuwde Oranje is middenvelder Frenkie de Jong. De Jong, spelend voor Ajax, bezit de kwaliteiten waar het Nederlands elftal de laatste jaren zo hartstochtelijk naar snakte. De middenvelder zoekt veelal de oplossing vooruit, beschikt over een voortreffelijk spelinzicht en raakt niet in paniek wanneer hij ingespeeld wordt met een tegenstander in zijn rug.

Het doorbreken van De Jong leidde tot een nieuwe discussie: zijn dit soort spelers op te leiden, of is hij simpelweg door Onze Lieve Heer gezegend met bovengemiddeld veel voetbaltalent?



Nature-nurture debat
Deze discussie doet denken aan het nature-nurture debat. Hierin wordt de vraag gesteld of de eigenschappen van een individu vastliggen bij de geboorte, of dat deze worden bepaald door externe omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de voetbalopleiding van een jonge speler.

In de hedendaagse psychologie valt er op dit moment nog geen eenduidig antwoord te geven op deze vraag. De discussie loopt vaak spaak op het feit dat voor- en tegenstanders een strikte scheiding maakten tussen ‘nature’ en ‘nurture’. De kleur van je ogen ligt bij de geboorte vast, omdat deze bepaald wordt door genen met een duidelijk biologische functie. In het geval van iemands leerprestaties is dit veel moeilijker.

De leerprestaties van een individu worden – net als veel andere eigenschappen - bepaald door een combinatie van genen én omgevingsfactoren. Voor Frenkie de Jong is dit niet anders. Hij bezit veel talent, maar dit komt tot wasdom doordat hij, dankzij diverse omgevingsfactoren, steeds in staat is deze verder te ontwikkelen. Omgevingsfactoren zijn bepalend in de ontwikkeling van voetballers. Door constant onder grote weerstand te trainen en wedstrijden te spelen is een speler in staat zijn kwaliteiten zo te ontwikkelen dat hij zijn eigen top bereikt.

In de voetbalwereld is het geen vanzelfsprekendheid. Zo gaat er veel talent verloren door het zogeheten geboortemaandeffect. Talentvolle jeugdvoetballers, geboren in de laatste maanden van een kalenderjaar, maken aanzienlijk minder kans op een gedegen opleiding, omdat zij wegens fysieke ongelijkheden vaak door scouts over het hoofd gezien worden.
 
Eerder verscheen op het Voetbal KennisPlatform een serie artikelen over het geboortemaandeffect

Ook voetbaltrainers zullen zich herkennen in de nature-nurture discussie. Velen zullen, in meerdere of mindere mate, toch de overtuiging hebben dat zij hun spelers tot op zekere hoogte kunnen beïnvloeden in de ontwikkeling die zij doormaken. Al is het alleen al omdat het anders niet zinvol zou zijn om meerdere keren per week aandacht te besteden aan de ontwikkeling van het team en haar individuele spelers.

In die zin zullen veel voetbaltrainers aanhanger zijn van de nurture-kant van de discussie. Echter is het helemaal niet nodig om als opleider een kant te kiezen tussen ‘nature’ of ‘nurture’. Het is goed om in acht te houden dat ieder individu een bepaalde mate van talent in zich heeft en dat jij (en de speler zelf) als trainer voor de uitdaging staat deze ook volledig te benutten.

Omgevingsfactoren
Als trainer heb je diverse handvatten om de ontwikkeling van je spelers en het team een bepaalde richting op te sturen. De voorbeelden hiervan zijn talrijk, namelijk de speelwijze, de gekozen oefenvormen tijdens een training, maar ook de pedagogische en didactische aanpak van de trainer. Dit alles kan ervoor zorgen dat de ontwikkeling van een jeugdspeler voortvarend verloopt, of in het slechtste geval juist stagneert. De omgevingsfactoren rondom een jeugdspeler worden dus voor een groot gedeelte bepaald door de werkwijze van de trainer en de jeugdopleiding van de club.

Wanneer een trainer bijvoorbeeld houdt van ‘mannelijk voetbal’ met veel fysieke duels zal hij er logischerwijs vaak voor kiezen om deze elementen veel te laten terugkeren in de oefenvormen die hij aanbiedt tijdens een trainingsmoment. Een trainer die graag interactief te werk gaat, zal in zijn manier van coachen proberen om spelers vragenderwijs te betrekken in bijvoorbeeld de wedstrijdbespreking. Kortom: de omgevingsfactoren vormen het kader van het ontwikkelingsklimaat.

Speelwijze
Een belangrijke hoeksteen in de werkwijze van een trainer is de speelwijze die een team hanteert. Dit is in grote lijnen de manier van spelen van een team tijdens het aanvallen, verdedigen en de omschakelmomenten.

Een van de moeilijkste onderdelen binnen de teamfunctie aanvallen is het spelen van een korte opbouw, vanuit een uitbal van de eigen keeper. Wanneer een tegenstander ervoor kiest om meteen door te dekken na een korte inspeelpass van de doelman, ontstaat er een gevaarlijke situatie in de buurt van het eigen doel. Als de tegenstander dit goed organiseert is de kans op een tegendoelpunt aanzienlijk, zeker wanneer een elftal niet gewend is aan het hanteren van de korte opbouw.

Daarom kiezen sommige trainers ervoor om risicovermijdend te werk te gaan, wat er vaak in resulteert dat spelers snel kiezen voor dieptespel in de eigen opbouw als de tegenstander aan het storen is. Zo voorkomt men dat er balverlies wordt geleden op de eigen speelhelft en dus is de kans op een tegendoelpunt een stuk kleiner. In het kader van de ontwikkeling van jeugdspelers is dit echter zonde. Als de keeper, of de centrale verdedigers, wordt geleerd om meteen te kiezen voor (hoog) dieptespel in de opbouw, komen zij (en de middenvelders) niet in de situatie dat ze uitgedaagd worden om, ondanks het storen van de tegenstander, iemand vrij te spelen in de opbouw.
 

Globale weergave van een spelsituatie in de opbouw op eigen speelhelft vanuit een doeltrap

De speelwijze binnen de opbouw is een voorbeeld van een handvat dat een trainer heeft om de ontwikkeling van zijn spelers sturing te geven. Een spelsituatie als de opbouw is erg gecompliceerd, maar juist daardoor ontzettend leerzaam voor alle spelers binnen een elftal. In afbeelding 1 is een voorbeeld geschetst van een mogelijke situatie binnen de opbouw, waarbij het blauwe team in een 1:4:3:3-formatie met de punt naar achteren start. Wanneer de keeper ervoor kiest om een van de twee centrale verdedigers in te spelen ontstaat er weer een nieuwe situatie, omdat de tegenstander hierop gaat anticiperen.

Met de centrale verdediger aan de bal zijn de tien andere spelers van het blauwe team aan zet. Het voert te ver om alle keuzes hier in detail uit te lichten. Er zijn tientallen, misschien wel honderden opties voor spelers binnen deze spelsituatie. Het gaat er niet om welke keuze er gemaakt wordt, maar wel dat spelers in een situatie gebracht worden waar ze veel van kunnen leren. Het daagt spelers uit om na te denken over het eigen handelen, omdat ze anders simpelweg de bal niet kunnen ontvangen.

Speelwijzeontwikkeling
In het voorbeeld van de speelwijze is er uitgegaan van de grootst mogelijke spelvorm in het voetbal: elf-tegen-elf. Om een dusdanige speelwijze te realiseren is er een omgevingsfactor die hier nauw aan verwant is: de speelwijzeontwikkeling. Dit zijn de momenten waarin de trainer met zijn team werkt aan de manier van spelen. De handvatten die een trainer hiervoor heeft zijn onder andere de trainingsmethodiek en de oefenvormen die hij hierbij kiest.

Om een speelwijze te optimaliseren is veel tijd en arbeid nodig. Een speelwijze kan op papier uitstekend in elkaar steken, maar als spelers tijdens trainingsmomenten nauwelijks in de situatie gebracht worden waar ze in de wedstrijd mee te maken krijgen, zullen ze het minder snel onder de knie krijgen. Bovendien heeft een trainer tijdens een training de mogelijkheid om situaties stil te leggen en spelers tot in detail te helpen bij het maken van de juiste keuze.

Een oud Nederlands spreekwoord luidt: ‘oefening baart kunst’. De letterlijke betekenis hiervan is: door veel te oefenen verbeteren de prestaties. Dat is niet anders binnen het ontwikkelen van een speelwijze. Sterker nog: een trainer moet zijn trainingen dusdanig inrichten dat spelers veel in situaties komen die vergelijkbaar zijn met de wedstrijd. Een training vormt hiervoor een ideaal platform en veilige omgeving. Spelers hebben de mogelijkheid om nieuwe dingen te ontdekken en te proberen. Het maken van fouten is essentieel en leidt op termijn tot het beter uitvoeren van bepaalde handelingen.

Om dit in een stroomversnelling te brengen kiezen veel trainers ervoor om wedstrijdsituaties na te bootsen en zo trainbaar te maken. Dit kan door simpelweg een trainingspartij elf-tegen-elf te spelen, met wedstrijdechte spelregels. Hierdoor lijkt het veel op een ‘echte’ wedstrijd en bovendien kunnen spelers zich zo richten op het uitvoeren van hun basistaak, omdat ze vaak vanuit hun eigen positie kunnen spelen.

Toch kleven hier enkele nadelen aan. Door de grootte van de oefenvorm (elf-tegen-elf) komen veel spelsituaties tijdens zo’n trainingspartij slechts enkele keren voor. Hierdoor is het interval van bepaalde handelingen (bijvoorbeeld de opbouw op eigen speelhelft) veel lager, waardoor een trainer beperkt wordt in de mogelijkheid om het team en haar spelers te beïnvloeden.

Verbeteren van de samenwerking in de opbouw
Wanneer je als trainer een specifiek onderdeel van de speelwijze wilt verbeteren moet je het dus trainbaar maken. Zoals gezegd moeten de spelers die je op dat moment wilt beïnvloeden veel in de situatie komen die voor hen relevant is, omdat dit het leerproces simpelweg versnelt. Vereenvoudiging is daarbij het toverwoord. Door goed na te denken over de veldafmetingen, de spelersaantallen en de spelregels kun je als trainer het verloop van een oefenvorm sturen.
 
In onze Oefenstof Database vind je alle spelregels van impliciet leren in het partijspel 

Als voorbeeld nemen we de samenwerking tussen de keeper, twee centrale verdedigers en drie middenvelders in de opbouw op de eigen speelhelft. Een geschikte oefenvorm om dit te verbeteren is een partijspel vijf-tegen-vier met twee keepers, waarbij de hoofdrolspelers één team vormen en een overtal hebben. Het vijftal start constant met de bal en wordt gedurende een x-aantal minuten uitgedaagd om vanuit de situatie in de opbouw tot scoren te komen. Op de oefenstofpagina van dit artikel wordt deze oefenvorm verder uitgelegd.

Deze oefenvorm is een vereenvoudiging van een wedstrijdsituatie binnen elf-tegen-elf. Het biedt de (hoofdrol)spelers de mogelijkheid om zich te oriënteren op de verschillende keuzes die er zijn in de opbouw op eigen speelhelft. De keeper moet iedere keer op basis van de situatie bij de uitbal, een inschatting maken, terwijl de verdedigers zoeken naar het juiste moment van spelen van de voorwaartse pass. De middenvelders moeten zich op hun beurt bezighouden met de afstemming van hun loopacties ten opzichte van elkaar. Ook de trainer heeft hier profijt van. Hij kan zich richten op een aantal spelelementen en spelers tot in detail helpen met het verbeteren van hun spel.

Het kiezen van de juiste veldafmetingen is van invloed op de moeilijkheidsgraad van de oefenvorm. In de breedte kun je er als trainer voor kiezen om het zestienmetergebied aan te houden, omdat de spelers dan gedwongen worden samen te werken in ruimtes waar ze in de wedstrijd ook veelal opereren. Criticasters zullen misschien zeggen dat een dergelijke oefenvorm te veel afwijkt van de wedstrijdsituatie, omdat er bijvoorbeeld geen flankspelers in betrokken worden. Een gebalanceerde trainingsopbouw is daarom belangrijk. Door in een later stadium te kiezen voor het toevoegen van spelers op de flank, werk je gedurende een training steeds meer naar de wedstrijdsituatie toe.

Verbeteren van het handelen van het individu in de opbouw
In bovenstaand stuk is verteld over het trainen van de teamtactische samenwerking tussen verschillende linies tijdens de opbouw op de eigen speelhelft. Toch zijn er nog een hoop andere invloedsfactoren die bepalen of het – op termijn – lukt om een verzorgde, korte opbouw te spelen. Het handelen van een individu is hier mede bepalend in. De samenwerking in het vrijlopen kan nog zo goed zijn: als een speler niet in staat is een bal goed aan te nemen met een tegenstander in zijn rug, springt de bal vaak van zijn voet als-ie wordt ingespeeld, wat alsnog leidt tot balverlies.

Een verdediger moet tijdens de opbouw in staat zijn om de voorwaartse pass richting een van zijn medespelers op het juiste moment, met de juiste snelheid en op het verste been van de ontvanger in te spelen. Tegelijkertijd moet de ontvangende speler (vaak een middenvelder of aanvaller) zo vaardig zijn dat hij een goed getimede loopactie kan inzetten, om vervolgens zijn balaanname af te stemmen op de weerstand die zijn directe tegenstander geeft.

De basis hiervoor wordt gelegd in de onder- en middenbouw, waar gewerkt wordt in kleinere ruimtes en met minder grote spelersaantallen. Jeugdspelers zijn dan op een leeftijd dat ze in staat zijn zichzelf op technisch vlak razendsnel te ontwikkelen en dus is het van belang dat er juist dan veel aandacht wordt besteed aan het verbeteren van deze vaardigheden.



Tekening 2: Gedetailleerde weergave van een spelsituatie in de opbouw op eigen speelhelft vanuit een doeltrap

Om de samenwerking tussen de balbezittende speler en vrijlopende (mede)speler te verbeteren moeten beide elementen terugkomen in een oefenvorm. Een verdediger moet zich, zowel in de onder-, midden- als bovenbouw, tijdens de opbouw bezighouden met verschillende zaken. Nadat hij de bal van de keeper heeft ontvangen moet hij aanvallend weerbaar zijn in een een-tegen-een-duel met een aanvaller die druk zet, terwijl hij zich tegelijkertijd oriënteert op vrijlopende medespelers hoger op het veld. De verschillende keuzes en weerstanden zijn goed zichtbaar in afbeelding 2.

Er is in deze situatie sprake van twee verschillende een-tegen-een-situaties. De verdediger aan de bal ondervindt voorwaartse weerstand van de spits die druk zet, terwijl de middenvelder juist een tegenstander in zijn rug heeft, die hij moet zien uit te spelen als hij de bal ontvangt. Het ‘mannetje-passeren’ staat centraal: denk maar aan Frenkie de Jong die tegenstanders met een aantal (lichaams)schijnbewegingen van zich afschudt en zo zorgt voor een overtal in de opbouw.

In het oefenstofgedeelte van dit artikel hebben we beide elementen, die voor beide individuen relevant zijn, samengevoegd tot één oefenvorm. De centrale verdediger start onder weerstand van een tegenstander voor zich met dribbelen, waarna een medespeler kan worden ingespeeld met een tegenstander in zijn rug. Er wordt gestart met een een-tegen-een-situatie, die uiteindelijk uitmondt in een twee-tegen-twee, die sterk lijkt op de spelsituatie in tekening 2.

Het voordeel van een oefenvorm als deze is dat spelers veelvuldig in een vergelijkbare situatie komen, die een afgeleide is van een daadwerkelijke wedstrijdsituatie. Dat geldt natuurlijk voor het tweetal dat start met een opbouwende taak, maar ook voor het tweetal dat de bal in eerste instantie moet veroveren. De oefening zelf nodigt de ontvangende speler impliciet uit om zich te ontdoen van de tegenstander in zijn rug. Dit kan door het maken van een explosieve loopactie ten opzichte van de bal, waardoor hij de ruimte heeft om de bal te ontvangen. Een andere speler kan, op basis van zijn eigen kwaliteiten, juist de voorkeur hebben om een lichaamsschijnbeweging zo te oefenen dat hij zijn directe tegenstander op het verkeerde been zet.

Uiteindelijk gaat het er niet om welke keuze er wordt gemaakt. Ook is het in eerste instantie niet belangrijk hoe de uitvoering is. Een speler moet zelf ontdekken waar zijn voorkeur naar uit gaat. Doordat er sprake is van veel herhalingen heeft hij bovendien de mogelijkheid om veel verschillende dingen te proberen en kan hij daarna een aantal specifieke vaardigheden perfectioneren.
 
Een ander onderdeel dat van belang is binnen het trainen van de opbouw is het verbeteren van het kijkgedrag. Lees op ons Voetbal Kennisplatform wat bewegingswetenschapper Jan van Norel zegt over het trainen van kijkgedrag:


Conclusie
In dit artikel is getracht om een veelomvattend antwoord te geven op de vraag in hoeverre een trainer, club of voetbalbond invloed heeft op het soort spelers dat er wordt afgeleverd aan het eerste elftal. Het blijft natuurlijk lastig om te bepalen in hoeverre alle omgevingsfactoren ook daadwerkelijk invloed hebben op de uiteindelijke ontwikkeling van individuele spelers.

Toch is wel duidelijk dat trainers voldoende handvatten hebben om sturing te geven aan de ontwikkeling van het team en haar individuele spelers. De manier van spelen tijdens een wedstrijd, of de trainingsmethodiek die je hanteert zijn slechts enkele voorbeelden hiervan. Denk ook eens aan de sfeer die hangt rondom het team dat je onder je hoede hebt. Voelen spelers zich veilig genoeg om fouten te maken, of proberen ze dit juist te voorkomen, omdat de trainer veel waarde hecht aan de ranglijst?
 
Voorbeelden van omgevingsfactoren
- Speelwijze (bijvoorbeeld: de gekozen spelprincipes)
- Speelwijzeontwikkeling (bijvoorbeeld: trainingsmethodiek, oefenvormen)
- Teamcultuur (bijvoorbeeld: normen en waarden)
- Leiderschapsstijl (bijvoorbeeld: interactief of directief)
- Persoonlijke Ontwikkelplan (ontwikkeling van individuen binnen het team)

Uiteindelijk is het ieders goed recht om dit op eigen wijze in te vullen. Door er alleen al goed over na te denken, en jezelf te evalueren, kom je misschien tot nieuwe inzichten en daar kunnen clubs, teams, trainers en individuele spelers alleen maar van profiteren.

Oefenvorm 1: Verbeteren van handelen van het individu in de opbouw (O8 t/m O12)
Dit is oefenvorm 2552 in De Oefenstof Database




Organisatie:
- Er wordt een oefenvorm gespeeld waarin 1 tegen 1 en 2 tegen 2 met elkaar worden gecombineerd. Beide teams kunnen scoren op de twee kleine doeltjes
- Lengte: 30-40 m, breedte: 15-20 m
- De gele speler start vanaf zijn eigen doeltje met dribbelen
- De blauwe speler rond de middenlijn mag dan proberen de bal af te pakken
- De gele speler aan de overzijde van het veld begint met vrijlopen, de blauwe speler verdedigt hem
 
Coaching:
- Tijdens het dribbelen over de bal heen kijken en contact maken met vrijlopende medespeler
- Explosieve vooractie maken tijdens het vrijlopen: naar de bal toe, of van de bal af
- Inspelen op het verste been, zodat de ontvangende speler in één keer door kan richting het doel
- Meteen aansluiten als de voorwaartse pass gespeeld wordt
- Kijk regelmatig over je schouder als ontvangende speler: weet waar je tegenstander is
 
Variatie:
- Methodische stap: werken met grotere spelersaantallen, meer ontvangende spelers: bijvoorbeeld 3 tegen 3 of 4 tegen 4


Oefenvorm 2: Verbeteren van de samenwerking in de opbouw (O13 t/m O19)
Dit is oefenvorm 2554 van De Oefenstof Database 




Organisatie:
- Partijspel 5+k tegen 4+k, waarbij beide teams kunnen scoren op twee grote doelen
- Breedte van het strafschopgebied, lengte tot kopcirkel van de andere speelhelft
- Formatie TCP (geel): 1:2:3, NTCP: 1:3:1
- Er wordt gestart met een uitbal van de keeper van het gele team, naar één van de twee centrale verdedigers
- Als de bal uit is speelt de trainer meteen een nieuwe bal in vanaf de zijkant
 
Coaching:
- Afstemmen van de loopacties door middenvelders
- Verbaal (praten) en non-verbaal (oogcontact) communiceren tussen achterhoede en middenveld
- Zonale positiewisselingen t.o.v. de bal, waarbij de posities door verschillende spelers bezet worden
- Schuine loopacties t.o.v. de bal, zodat er in twee richtingen (verticaal / horizontaal) ruimte wordt gemaakt
 
Variatie:
- Partijvorm 4+k tegen 3+k met tussenvak: na een voorwaartse pass door één van de twee verdedigers van blauw sluit er slechts één verdediger bij
- Methodische stap: partijvorm 7+k tegen 6+k, waarbij er ook sprake is van vleugelspelers

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R