Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Trainen op omschakelen naar aanval met één oefening
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 8 Februari 2019

Hoe is met vijftien spelers op een half veld gericht te werken aan het omschakelen naar aanval? Het wordt beschreven aan de hand van één oefening waarbij vooraf bedacht is welke fouten spelers kunnen maken. Daarbij wordt uitgelegd welke vragen je als trainer op die momenten kunt stellen en welke input je spelers kunt geven ter verbetering van de omschakeling.

Tekst: Ruud Bijnen

Bij het omschakelen naar aanval gaat het om de situatie direct na balverovering. Wat is de intentie van de spelers? In welke richting moet de bal verplaatst worden? En in welke richting bewegen de spelers? Een keuze is om de bal terug te halen en op balbezit te spelen. De andere is om direct de diepte te zoeken en zo snel mogelijk een doelpunt te maken, zeker als dat in de groep zit waarmee getraind wordt. Is er snelheid naar voren? Is er een aanspeelpunt? Als het antwoord daarop bevestigend is, dan kan er rendement gehaald worden uit de omschakeling naar voren. Hieronder een oefening die hierop gericht is.

Voorbeeldoefening
De trainer heeft de volgende omstandigheden waarmee hij moet werken:
- Vijftien spelers
- Half veld
- Eén keeper
- Een vast groot doel en een verplaatsbaar doel
- Voldoende pylonen en hesjes

Eén van zijn spitsen is bijzonder snel en de andere een prima aanspeelpunt. Deze kwaliteiten zou de coach optimaal kunnen benutten in de omschakeling naar aanval. Er wordt een oefening bedacht waarbij vanuit een positiespel vijf-tegen-vijf deze twee spitsen gezocht moeten worden door de vijf verdedigers als zij de bal veroveren. In figuur 1 is de oefening zichtbaar met daarnaast een uitleg.


Figuur 1


Omschakelen naar aanval vanuit 5 tegen 5

De organisatie
In het vak met de oranje pylonen wordt een positiespel van vijf tegen vijf gespeeld waarbij blauw telkens met de bal start. Zij mogen de bal maximaal twee keer raken. De vijf gele spelers moeten de bal veroveren en dan binnen drie seconden nummer 9 of 11 zoeken in de diepte van het veld. Dan mag het hele veld benut worden (blauwe pylonen) en is het acht tegen zeven. Geel moet dan scoren op het grote doel bij de blauwe keeper nummer 1.

- Afmetingen 5 tegen 5 is 20x40 meter
- Afmetingen 7 tegen 8 is 50x65 meter 
- 1 groot doel
- 6 oranje en 6 blauwe pylonen
- Buitenspelregel op de helft van blauw


Het idee is dat er vanuit een aanvalssituatie van blauw op de helft van geel gespeeld wordt in een positiespel. Blauw heeft de bal in bezit. Indien de vijf verdedigers (geel) de bal veroveren, moeten zij direct de twee spitsen voorin zoeken en vervolgens vanuit de omschakeling en bijsluiting scoren op de het doel aan de overzijde. De bedoeling is, dat het proces van verdedigen naar scoren in een hoog tempo plaatsvindt. Als het spel gaat lopen kunnen vele zaken fout gaan. Handig om als oefenmeester daarover nagedacht te hebben en te beschrijven wat er aan te doen is. Hieronder zaken die een trainer tegen kan komen bij deze oefening.
 
Wat kan een trainer tegen komen in deze oefening?
1. De bal blijft te lang in bezit van blauw
2. De eerste pass, het vak uit, komt niet aan
3. De coördinatie tussen de spitsen is niet correct
4. De pass wordt onderschept door de verdedigers bij de spitsen
5. De bijsluiting van de vijf in het vak verloopt niet naar wens
Een fase na de omschakeling:
6. De eerste bal die in de diepte op de helft van de tegenstander wordt gespeeld is buitenspel
7. Het positiekiezen bij de eindpass voor het doel is niet goed

Andersom zou het ook te makkelijk kunnen gaan en elke omschakeling is een doelpunt. Daarom is het ook zinvol om te bedenken wat de verdedigers anders moeten doen om het omschakelen naar de aanval lastiger te maken. Dat is hier achterwege gelaten.

Van de eerste vijf bovenstaande bullitpoints is hieronder bedacht wat er aan te doen is én hoe het over te brengen is naar de spelers. Dat is te verdelen in regelwijzigingen en in aanpassingen in de manier van handelen door de spelers. Hierbij is per punt aangegeven wat een trainer kan doen in de spelorganisatie en verbale aanwijzingen richting de voetballers. Spelers zelf laten nadenken over de oplossingen werkt aangetoond veel beter om te onthouden van wat er in het veld moet gebeuren, dan hen opdragen wat ze moeten doen. Vragen stellen is een goed hulpmiddel. Per punt worden dus ook vragen opgegeven.

1. De bal blijft lang in bezit van blauw
Als de spelers die met de bal starten een stuk beter zijn in positiespel dan de vijf die hem moeten veroveren, is er misschien geen balans in de kwaliteiten van de beide teams. De samenstelling van de groepen wijzigen ligt voor de hand, zodat er minder krachtsverschil is. Of dat de beste manier is, kan men zich afvragen. Eventueel zijn regels in te stellen als: de blauwen maximaal tweemaal raken of de ruimte verkleinen waardoor rondspelen moeilijker wordt. De pass uit het kleine vak is vervolgens ook wat lastiger te geven. Is de partij samengesteld op basis van de normale rollen van de spelers in de wedstrijden en ze moeten ongewijzigd blijven, dan zal de balveroverende partij gecoacht moeten worden in het drukzetten en het verkrijgen van balbezit. De oefening draait om verbetering van hen in de situatie van omschakeling, maar de voorbereiding naar de switch kan niet achterwege gelaten worden.

Vragen die de coach daarbij kan stellen zijn onder andere
- Waarom lukt het niet om de bal te veroveren?
- Wat kun je doen om dat te veranderen?

Meestal komen de spelers niet met werkbare antwoorden. Dit is het moment waarop de trainer wat kan gaan toevoegen en visie kan overdragen. Vaak moeten de voetballers dan geholpen worden met het vinden van de antwoorden:

Wie gaat er praten?
De man die het verste van de bal afstaat coacht de mensen voor hem.

Wanneer gaat hij praten?
Direct als hij de achterste is.

Wat gaat hij zeggen?
Een naam en een handeling. Sem zeg bijvoorbeeld als je als achterste staat “Joost, stap naar rechts. Henk, druk op de bal vanaf links”.

Wanneer verdedig je op de bal?
Als je allemaal in positie staat. De achterste kan dat het beste zien en geeft aan wanneer. De voorste heeft ook de verantwoordelijkheid om te wachten op een signaal.  Of er wordt ingestapt als de bal niet goed wordt aangespeeld, te zacht te hard of stuitend. Of als de bal een hoek in gaat, want dan zijn de afspeelmogelijkheden beperkt.


2 De eerste pass, het vak uit, komt niet aan
Als de bal binnen het kleine vak in bezit van geel komt, moeten de spitsen direct ingespeeld worden. Als deze eerste pass niet aankomt, waar ligt dan de oorzaak? De trap is technisch niet goed uitgevoerd en is uit de richting. Dan zou er op traptechniek getraind kunnen worden, maar daar gaan we hier verder niet op in. Datzelfde geldt voor te lage handelingssnelheid. Ook daar zijn andere oefeningen voor nodig om dat te verbeteren. Andere oorzaken kunnen zijn dat de ontvanger niet goed getimed beweegt, niet in de juiste richting of met een snelheid die de verdediger toestaat de bal te onderscheppen. Als dat naar vragen vertaald wordt die een coach kan stellen aan de spitsen, dan komt dat op het volgende neer.

Op welk moment kom je in beweging?
Een optie is bijvoorbeeld op het moment dat de passgever oogcontact zoekt. Of als de spelers zien dat de bal verloren wordt door de tegenstander.

In welke richting gaat de spits bewegen?
In ieder geval in een richting die bereikbaar is voor de persoon die de pass geeft. In figuur 2 is een bewegingspatroon zichtbaar. Nummer 5 heeft de bal. Als hij linksbenig is en de bal ligt rechts, dan zou hij eventueel 4 in kunnen spelen die vervolgens lang speelt. We gaan ervan uit dat die rechts is en direct speler 9 of 11 kan inspelen. Om het zichzelf niet al te moeilijk te maken, kunnen spitsen 9 en 11 beter niet loodrecht op de bal aflopen. Met een man in de rug en op snelheid is balcontrole ontzettend lastig. Eventueel eerst een vooractie in de diepte nét voordat de bal gegeven gaat worden, kan ervoor zorgen dat een speler met meer rust en minder snelheid de bal kan aannemen. In figuur 2 zijn zijwaartse bewegingen van de spitsen getekend. Dat maakt de aanname makkelijker evenals het draaien naar voren.

Wat wil je met de beweging bereiken?
Dat kan zijn om de bal te ontvangen, maar ook om ruimte te maken in de as van het veld voor iemand anders. Door zijwaarts weg te bewegen én een tegenstander mee te lokken bijvoorbeeld. Een loopactie naar de bal toe kan ook ruimte creëren in de diepte voor de speler zelf achter zijn tegenstander.

 

Figuur 2. Mogelijke bewegingen en drie varianten in passing na balverovering


3 De coördinatie tussen de spitsen is niet correct
De afstemming tussen de twee diepste spelers, is erg belangrijk. Te dicht naar elkaar toe bewegend, is makkelijk te verdedigen. Beiden naar de bal komen of beiden diepgaan kan nadelen hebben voor een vervolg. Kortom, er moet naar elkaar gekeken worden.

Welke bewegingen kun je ten opzichte van elkaar maken?
Eentje in de bal komen en de andere de diepte zoeken is een mogelijkheid. Let daarbij wel op de timing van de diepte zoeken. Slimme tegenstanders proberen je buitenspel te zetten. Je kunt dus alle twee tegelijk in de bal komen en dan kan de niet-ontvanger de diepte zoeken. Andere optie is dat je niet al te ver uit elkaar start in de as, kruist en zijwaarts vraagt of zelfs direct in de diepte. Ook is mogelijk om achter elkaar te starten waarbij de voorste overstapt en direct de diepte zoekt waarbij de achterste de bal meegeeft. Besef wel dat als er snel de diepte gezocht wordt, de mogelijkheid tot tijdige bijsluiting lastiger is.


4 De pass wordt onderschept door de verdedigers bij de spitsen
De spitsen verliezen direct de bal of de pass naar hen toe wordt onderschept. Sommige verdedigers doorzien heel goed het spel en weten precies in te schatten waar de pass uit gaat komen. Belangrijk is dat de spits óf de tegenstander op het verkeerde been zet óf hem goed opvangt. Enkele vragen die een coach spelers kan stellen.

Wat kan een spits doen om zijn tegenstander te slim af te zijn?
Het opvangen van een spits in de rug is een technisch aspect. Dat kan op verschillende manieren. Tegenstander even wegduwen of vasthouden, of opvangen voor de bal bij je is en dan uitstappen. Het creëren van tijd om de bal te kunnen controleren kan door middel van een goed getimede vooractie. Deze heeft pas effect als hij minimaal uit drie stappen bestaat in een andere richting. Dat is een wetenschappelijk feitje. De actie om de tegenstander op het verkeerde been te zetten moet in richting en overtuiging goed zijn, maar vooral ook in timing kloppen. Soms kan een simpele afspraak met de passgever ook zinvol zijn. “Jij geeft in de voeten als ik diepvraag en diep als ik in de voeten vraag”. Maar er is nog meer te bedenken. Als de bal zijwaarts van de startplek (van de ontvanger) gegeven wordt, dan heeft een ontvanger de mogelijkheid om in de lengterichting van het veld mee te gaan met de bal of hem tegen te houden en terug te draaien. De spits moet weten waar de tegenstander is ten opzichte van hemzelf, maar kan ook een schijnbeweging maken.

Hoe kan de passgever voorkomen dat de pass gelezen wordt door de tegenstander?
De meeste spelers die een pass geven kijken waar de bal naartoe gegeven wordt. Dat kan de tegenstander helpen de bal te onderscheppen. Een simpele afspraak, zoals bij de vorige vraag beschreven, is een handig hulpmiddel om het onderscheppen lastiger te maken. Maar ook de bal geven naar de andere spits dan waarnaar gekeken wordt. Vanuit een ooghoek is deze toch in het vizier. Met de juiste afspraken kunnen ballen bijna blind gegeven worden.


5 De bijsluiting van de vijf in het vak verloopt niet naar wens
Nadat de pass voorwaarts gegeven wordt is het bijsluiten van de middenvelders en/of verdedigers belangrijk. Maar het kan ook zijn dat de trainer het de (in dit geval) twee spitsen zelf wil laten oplossen en vooral de diepte te zoeken. De oefening gaat om het principe van diepte zoeken, het bijsluiten in de omschakeling en het komen tot een kans. Wat kan er aan de hand zijn als de bijsluiting te laat is of niet op de juiste plek(ken)? Vragen aan de spelers om mee te denken, kan op de volgende manier.

Komen we op tijd met de bijsluiting?

Hoe kun je ervoor zorgen dat je wel op tijd start?
Dat is een kwestie van al onderweg zijn als de speler ziet dat de bal veroverd gaat worden, anticiperen dus. Zeker de diepste mensen en/of de snelste van de vijf moeten daar alert op zijn. Of misschien degene die die beste pass kan verzorgen in de diepte of met het beste schot vanaf de rand van de zestienmeter voor het doel. Een andere manier van denken is de persoon die het verst van de bal verwijderd is (tijdens het positiespel), klaar te laten staan om de diepte te zoeken. Hij heeft immers het kleinste aandeel in het veroveren van de bal. Er zijn dus verschillende redeneringen mogelijk.

Sluiten de mensen op de juiste plek bij?
De eerste persoon die bijsluit zou moeten komen op de plek waar de spits, die als eerste de diepe bal ontvangt, de bal kan laten vallen. Op deze manier kan bijvoorbeeld deze ontvanger de tweede spits in de diepte wegsturen. Maar wellicht kan de eerste bijsluitende middenvelder de bal meenemen en kiezen vervolgens beide spitsen positie om de bal te ontvangen. Bijsluiten achter de spits die al bezig is met diepte kiezen kan ook, als deze vervolgens wegtrekt om ruimte te maken voor de bijsluitende middenvelder, die door iemand anders ingespeeld kan worden.

Hoe wordt er bijgesloten ten opzichte van de tegenstanders?
Loopt de opponent mee met de bijsluitende speler? En als deze meebeweegt, loopt hij dan achter of voor hem? Met deze factoren kan een trainer wat doen. Hoe zorgt een speler dat hij in positie komt en blijft zodat hij van waarde is? Beweeg niet alleen om de bal te ontvangen, maar ook om ruimte te maken voor een teamgenoot door een tegenstander mee te trekken. Soms betekent dat versnellen en weg bewegen om een opening te maken en soms is het gewoon even inhouden om de bal te kunnen ontvangen.

Hoe moet de restverdediging zijn en staan?
Met elf spelers houden veel coaches drie spelers achterin, of de drie achterste spelers worden zo gepositioneerd dat ze op tijd weer achterin naast elkaar kunnen staan. Ook in deze oefening zou een trainer kunnen vragen om daar in de bijsluiting rekening mee te houden.
 

Figuur 3. Omschakelpatroon met spits die bal laat vallen.


In figuur 3 een voorbeeld van een patroon waarop geoefend kan worden.
- Het inspelen van nummer 11 door speler 5.
- Nr. 2 komt onder 11 en geeft het vervolg op nr. 9 die achter 11 langs beweegt.
- Nr. 6 is gestart om de ruimte te pakken op links.
- 11 neemt de plek over die 9 achter laat en 2 komt achter 9.
- Niet onbelangrijk: Nummers 3, 4 en 5 verzorgen de restverdediging. Ze schuiven wel op richting de middenlijn.
 

Figuur 4. Omschakelpatroon met voorbewegingen van de spitsen en vervolgens diepte


In figuur 4 een tweede voorbeeld van een patroon waarop geoefend kan worden.
- Het inspelen door 5 van nummer 4. Tegelijkertijd maakt 9 een voorbeweging naar de bal toe om net voordat de pass gegeven wordt de diepte achter hem in te bewegen.
- 11 beweegt eerst zijwaarts en dan diep.
- 4 speelt de bal in de diepte op 9.
- 2 en 6 sluiten bij op verschillende plekken.
- Nummers 3, 4 en 5 verzorgen de restverdediging. Ze schuiven wel op richting de middenlijn.

In voorbereiding van een oefening naar omschakeling zijn vele zaken te bedenken. De trainer kan kiezen voor zijn visie en patronen oefenen of de spelers geheel vrijlaten in hun keuzes. Ook kan hij eerst enkele patronen oefenen en dan de spelers de vrijheid geven. Het is een proces van het bewust maken van de groep voetballers in de mogelijkheden en de bijbehorende consequenties per keuze die ze maken. Er zijn dus vele mogelijkheden om een training te prepareren en spelers beter te maken in het omschakelen naar aanvallen. Met dit artikel is aangegeven dat met één oefening ontzettend veel te doen is. Elke week werken aan een onderdeel zou een proces van verbetering op gang kunnen houden.
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R