Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
"Trainen op de rand van de chaos"
| Bedankt voor uw mening!
Woensdag 17 Juli 2019


Na de hockeymannen en -vrouwen op verschillende Olympische Spelen op het gebied van performance begeleid te hebben, maakte Rick Cost de overstap naar het voetbal. Hij werd performancemanager bij de Feyenoord Academy. Hoe is hij begonnen? Wat doet hij? En wat is trainen op de rand van de chaos? Lees het in dit artikel.
 
Tekst: Paul van Veen | Beeld: Feyenoord/John Groeneweg

Halverwege het interview klopt voormalig international en huidig jeugdtrainer Dirk Kuijt op de deur. “En Rick? Hoe heb ik gescoord?” Hij bedoelt hiermee of hij de fysieke doelstelling van de training heeft behaald. Rick Cost bekijkt de data op zijn computer en constateert dat de meeste spelers hun doel van de training (vandaag 20 minuten) hebben gehaald. Ze bespreken kort het plan voor de rest van de dag en week en Dirk gaat tevreden weg.

Rick: “Het is geweldig om te zien hoe enthousiast en bewust veel trainers inmiddels met ons plan aan de gang zijn. Je hoort in Dirk zijn stem dat hij het gevoel heeft, dat de training goed was en dat bleek inderdaad zo te zijn.”

Maar deze cultuur stond er niet van de ene op andere dag. “Ik ben hier in 2016 begonnen en toen was er nog niet echt een gestructureerd plan. De eerste week ben ik vooral gaan luisteren en met mensen gaan praten. Waar staat Feyenoord eigenlijk voor? Dan hoor je al vrij snel: geen woorden, maar daden. Vervolgens ben ik naar de trainingen gaan kijken. Als dat hetgeen is waar Feyenoord voor staat, dan verwacht je daar veel arbeid en keihard werkende spelers te zien. Dat kon vaak nog wel beter. Eén ding was duidelijk: we moeten aan de slag, anders krijgen we niet die daden die iedereen graag wil zien.”

Startpunt
“De kernwaarden van de organisatie/club waar je werkt is altijd het startpunt. Ik ben op basis daarvan begonnnen om kleine dingen te veranderen. Bijvoorbeeld de warming-up. Als wij in de wedstrijd de tegenstander willen aanvallen, dan moet de warming-up dat ook uitstralen. Die moet dus energiek zijn, bijvoorbeeld eindigen met een sprint.”

“Vervolgens moeten we een plan maken om beter te worden, met andere woorden: we moeten gaan periodiseren. Daar hebben al veel mensen iets over gezegd. Tim Gabbott zegt bijvoorbeeld: hoe harder je traint, hoe beter je in staat bent om elke week weer te groeien. Jens Bangsbo zegt dat je veel high-intensity-meters moet maken. Bij Juventus vinden ze dat je juist moet trainen op veel richtingsverandering. En volgens Verheijen moet je per blok van twee weken verschillende dingen trainen: van 4-tegen-4 naar 7-tegen-7 en naar 11-tegen-11.”

“Ze zeggen allemaal goede dingen en ik heb daar ook zeker een aantal zaken uitgehaald, maar ik mis vaak een beetje een totaalplan en hoe je het dan moet meten. Wat is nu precies zwaar genoeg trainen? Stel, je speelt 4-tegen-4 gedurende een aantal minuten. Dat zegt op zich niets, want het ene 4-tegen-4 is het andere niet. Moet je dan naar de hartslag kijken? Ook dat zegt in mijn ogen niets over de prestatie die een speler levert, dat zegt alleen maar iets over hoeveel energie dat het lichaam gekost heeft.”

Concreet
“Belangrijk is dus om het zo concreet mogelijk te maken. Daarbij is de voetbalwedstrijd altijd het uitgangspunt. Wat willen we graag? We willen graag spelen zoals onze drie beste/ meest zware wedstrijden die we ooit gespeeld hebben. Die hebben we dan ook als uitgangspunt genomen. In die wedstrijden hebben we gekeken naar de prestatie van de spelers en die hebben we gemiddeld naar één minuut. Dat is dus hetgeen we moeten kunnen leveren, dat is onze stip op de horizon en dat noemen wij de benchmark of excellence.”

“Maar hoe maken we die minuut nu concreet? De gemeten parameters hebben we uiteindelijk afgezet tegenover alle partijvormen die we konden vinden en daaruit bleken de volgende vijf parameters het belangrijkste:
 
1. Totale afgelegde afstand per minuut
2. Aantal sprintmeters (> 20 km/u) per minuut
3. Aantal acties (acceleraties én deceleraties) per minuut
4. Aantal sprints per minuut
5. Aantal herhaalde sprints per minuut

“Al die vijf parameters hadden dus allemaal een bepaalde waarde. Als spelers dus één minuut op de juiste waarde trainen, dan hebben ze één minuut van de wedstrijd getraind. Als we die ene minuut tien keer trainen, hebben we netto tien minuten van de wedstrijd gespeeld. Maar we willen natuurlijk zwaarder en intensiever trainen dan de wedstrijd. Dus wat als we er nu tien procentbovenop gooien? De zwaarste wedstrijden die we spelen in de 11-tegen-11, plus tien procent.” “Dat gingen we trainen en wat bleek? Dat konden de spelers heel goed volhouden. En ook de intensiteit van de wedstrijd ging omhoog en we hadden een nieuwe wedstrijd in de top drie. Dus zo hadden we al snel een nieuwe benchmark of excellence.”

“Zo zijn we uiteindelijk alle partijvormen gaan analyseren. Van alle 3-tegen-3 partijvormen die we ooit hadden gedaan, namen we de beste drie. Die hebben we gemiddeld en dat was onze benchmark.” “Op die manier kwamen we tot een worstcasescenario van de 3tegen-3 tot de 11-tegen-11. We wisten nu welke intensiteit we in één minuut volgens de benchmark moesten leveren. De volgende vraag was hoe om te gaan met volume. Als we namelijk met één minuut starten, dan kunnen we in die week niet opeens een half uur trainen. Dat slaat nergens op.”

Optimum van prestatie
“Maar hoeveel kun je nu groeien? Er blijkt dat er een optimum van prestatie op volume zit. Als wij bijvoorbeeld een 3-tegen-3 spelen en dat doen we vier minuten, dan kunnen we dat maar één keer volhouden. Dat moet je dus niet doen, want als je dat steeds gaat herhalen, dan gaat de vermoeidheid accumuleren en uiteindelijk kun je geen prestatie meer leveren.”

“We moesten dus op zoek naar het ideale volume op de hoogste intensiteit. Dat noemen we de rand van de chaos. Trainen op de rand van de chaos betekent dat de speler net vermoeid is en ze in de voetbalvorm nog net de vermoeidheid kunnen smoren, zonder dat het ten koste gaat van hun prestaties. Vervolgens geef ik als trainer de spelers een ideale rust, waardoor ze dermate hersteld zijn dat ze datzelfde blokje weer kunnen herhalen. Op die manier kun je bijvoorbeeld vier blokjes doen, waarbij de spelers in elk blokje maximaal kunnen presteren.” “Doe je dit niet en je gaat nog drie blokjes doen waarin ze wel moe zijn (en dus minder concentratie en coördinatie hebben), dan zullen ze niet goed kunnen presteren. Dat wil je niet. Het voetbal is namelijk leidend. En tijdens iedere vorm wil je dat spelers maximaal kunnen presteren (voetbalhandelingen uitvoeren).”

Het maken van een plan
“Hier een plan voor maken, zie ik als mijn taak. Ik moet ervoor zorgen dat het volume zo groot mogelijk is, de rust en herstel daar perfect op is afgestemd en dan kunnen we van dag tot dag meer leveren en zo kunnen we van één naar twee minuten groeien en van twee naar drie, etc. Groeien we te snel? Dan kunnen we geblesseerd raken of kunnen spelers de voetbalprestatie niet leveren en komen we voetballend achterop. Groeien we te langzaam? Dan raakt de club op fysiek vlak op achterstand. Ik kom uit het hockey en ik merk in de voetballerij dat de rust erg belangrijk wordt gemaakt ,onder het mom van: als ik minder ga doen en meer rust neem, heb ik minder blessures en dan ben ik beter inzetbaar. Maar we vergeten dat je dan ook minder fit bent geworden, je hebt minder omvang gedraaid en je hebt je lichaam minder aangezet om iets te kunnen volhouden. In de top kan je je niet veroorloven om te langzaam te groeien.”

“Zo zijn we uiteindelijk tot een programma gekomen dat we konden periodiseren. Een voorbeeld van een trainingsweek vind je in figuur 1. Trainers ontvangen dit programma en zo helpen we trainers om partijvormen te spelen met een vooraf bepaalde duur en waarbij de afmetingen vaststaan. Zo had Dirk Kuijt de opdracht om een trainingsomvang van twintig minuten te trainen. Met andere woorden: de spelers moeten twintig minuten op de benchmark van excellence trainen. Red een trainer dat, dan heeft deze trainer voldaan aan het trainingsplan. Zo plannen we in welke prestatie spelers leveren en alle activiteiten bij elkaar op één dag noemen we de dagomvang. Vervolgens tellen we alle dagen bij elkaar op en zo komen we tot een weekomvang.”
 “Als een vorm onderdeel is van het periodiseringsplan, dan moet de trainer de organisatie goed neerzetten om de rand van de chaos op te zoeken. De ballen moeten rondom het veld klaarliggen en moeten snel weer ingespeeld worden. Als je ballen moet gaan halen, dan zie je achteraf in de data niet meer dat je een positiespel hebt gespeeld. Hoe een trainer dat uiteindelijk regelt, dat bepaalt de trainer zelf.” “Wij zijn van mening dat je alles door elkaar heen moet trainen. Niet alleen omdat dat in onze ogen beter is, maar vooral ook omdat het voetbalspel leidend is. Stel je voor dat je als trainer het 1-tegen-1 verdedigend wilt benadrukken omdat dat team aankomend weekend tegen een tegenstander speelt waarbij ze in dat soort situaties komen. Dan kan ik niet tegen de trainers zeggen dat we deze week volgens de periodisering 7tegen-7 moeten spelen. Dit is anders dan bijvoorbeeld Raymond Verheijen die twee weken 11-tegen-11 en dan twee weken 7-tegen-7 speelt. Wij hebben heel veel variatie in de week, geen enkele week is hetzelfde.” 
 

Figuur 1

Elke dag
“Elke dag werken we aan de conditie. Maar elke dag is er een andere verhouding. De ene dag is het bijvoorbeeld groot en tactisch, terwijl het de volgende dag klein en tactisch is. Als het zwaar is, moeten we ervoor zorgen dat ze hersteld zijn voordat we verder gaan. En zo werken we van supercompensatie naar supercompensatie. Het belangrijkste daarin is dat het voetbal altijd leidend is.”

De volgende fase
“Inmiddels zitten we in de volgende fase. We begonnen met één benchmark die hetzelfde was voor elke speler. Inmiddels zitten we in een fase waarin er gekeken wordt naar de positie van de spelers. Als je logisch nadenkt, dan heeft de positie van een speler invloed op wat er van een speler gevraagd wordt. We zitten nu in de fase waarin we benchmarks voor een linie hebben. Ik ben van origine geen voetbaltrainer, dus ik kan er blanco naar kijken. De logische manier lijkt misschien om verdedigers, middenvelders en aanvallers bij elkaar te plaatsen, maar we willen juist goed kijken welke posities op elkaar lijken. Moet je nu juist de verdedigers bij elkaar plaatsen of juist verticale linies nemen en dus alle centrale spelers bij elkaar zetten en alle flankspelers in een groep zetten?”

“Op dit moment zien we bijvoorbeeld weinig verschil in de external load tussen een rechtsbuiten en een rechtsback. Ook zit er weinig verschil tussen een spits en een verdedigende middenvelder wanneer je met de punt naar achteren speelt. Dat is gek, want veel trainers zeggen dat het anders is, maar dit blijkt nu eenmaal uit de data. En uiteindelijk moeten wij periodiseren voor de meters die in de wedstrijd afgelegd moeten worden.”

“Belangrijk is om hier te melden dat dit voor de Feyenoord-situatie geldt, hoe wij met de teams spelen. Dat wil niet zeggen dat dit voor iedere club gelijk is of dat ons plan een-op-een door andere clubs gekopieerd kan worden.”

Meten
“Hoe we precies meten? De benchmark bestaat uit de bovengenoemde vijf parameters. Als we een vorm van vijf minuten doen, dan middelen we het voor iedere speler terug naar één minuut en dan kijken we of ze voldaan hebben aan hun benchmark voor die vijf parameters. Is dat de speler gelukt op drie van de vijf parameters? Dan heeft die speler vijf minuten wedstrijdintensiteit gehad voor die specifieke vorm.”

“Zo haalt speler X in een training bijvoorbeeld achttien minuten ‘in de zone’ waarbij wij die speler graag hadden willen hebben voor zijn leeftijd en zijn positie. Stel we hadden die training geperiodiseerd op twintig minuten, dan wordt die speler groen. Hij valt namelijk binnen de marges, die wij op twintig procent stellen.”
 


De kunst van de perceptie
“We kijken dus naar de external load. In de ideale wereld periodiseren we helemaal geen meters meer, maar zijn dat je controleparameters. Het gaat namelijk om de beleving van de spelers. De perceptie van de speler weegt veel zwaarder dan hetgeen in het lichaam gebeurt. De trainer moet dus de kunst van de perceptie beheersen. De trainer moet precies datgene aan kunnen bieden waarbij de speler zich in staat voelt om iedere training weer maximaal te leveren.”

“Wij vragen dan ook voor de training aan iedere trainer: geef een score over hoe zwaar je de training wilt hebben. Na de training stellen we de trainer dezelfde vraag: hoe zwaar heb je de training ervaren? Diezelfde vraag stellen we aan de spelers na de training.”

“Dat moet complementair zijn aan elkaar. Als de trainer het een acht vindt, moeten de spelers het ook als een acht ervaren. De perfecte trainer in de ideale wereld is de trainer die je de opdracht kan geven om van de training een acht te maken en dat iedere speler dat op basis van internal én external load bereikt.”
 
“Maar omdat je een team traint, zit je automatisch niet in de ideale wereld. Je moet altijd concessies doen. Daarnaast kan die perceptie vertroebeld worden. Dit kan door de spelers, maar ook door de trainers. Zo hadden we gisteren geen zware training, maar toch vulden de jongens een negen in voor hoe zwaar ze het vonden. Toen we naar de training keken, bleek de partij en de looptraining aan het eind van de training te zitten. Het effect van die laatste oefening had dus een (te) grote invloed op hun beleving. Dat is zeer interessant om te zien, omdat ik bij het hockey gewend was dat spelers wat makkelijker de gehele training konden overzien. Ook kunnen er andere zaken zijn waarom een speler iets als zwaarder ervaart. Verandert er iets in de thuissituatie? Gaat het niet goed op school? Wordt er gesproken over een contract? Zo staat er in de vragenlijst ook een vraag over of ze energie hebben, blessures hebben of dat ze gelukkig zijn. Als ze daar een vijf of lager invullen, krijgen ze vervolgvragen. Dan koppelen we de speler vaak aan Pim van Lamoen van de TalentenAcademie, want dan valt het op sociaal maatschappelijk vlak. Zo proberen we geen eilandjes te zijn, maar er een plan van heel Feyenoord van te maken.”

“De verkeerde perceptie kan ook van de trainer zijn. Zo was er pas een wedstrijd die de trainer maar een gezapige boel vond, terwijl uit de data bleek dat het een hele zware wedstrijd was en alle spelers met een verval met minder dan tien procent de eerste en tweede helft hebben gespeeld. Als je dat dan niet meet, dan zit je vaak met iets wat de trainer zelf beleefd heeft, dit vervolgens projecteert op de spelers en dus krijgen ze verkeerde informatie.”

“Of het kan een combinatie van beide zijn. Vorige week was er een sessie die we hadden neergezet op zeven zwaar. De trainer had achteraf een vier gegeven, terwijl de spelers het een negen vonden. Ergens zat er iets in de beleving van de trainer dat ze niet hard gewerkt hebben en de jongens hadden een week vakantie gehad en vonden blijkbaar alles zwaar. Maar conclusie is wel dat het doel van deze training in het water is gevallen.”
 
“Er heeft nog nooit iemand bewezen dat de dag na de training rust nemen je helpt in je herstel. Als je stil gaat zitten, dan herstel je net zo snel dan als je dribbelt. Veel belangrijker is het gevoel van de speler.”


Voor amateurtrainers
“Hoe wij het doen, is misschien te veel gevraagd voor amateurtrainers, maar ook amateurtrainers kunnen prima periodiseren. Belangrijk is dat je een plan maakt en dit opbouwt. Vergelijk het maar met een marathon. Als je 42 kilometer moet gaan lopen en je hebt nog nooit getraind, dan kun je morgen niet opeens 42 km lopen. Dan ga je langzaam terugrekenen vanaf die 42. De week ervoor doe je dan 32, de week ervoor doe je 28, de week ervoor doe je twee keer veertien (want dat is makkelijker), en zo kom je uiteindelijk op wat je deze week gaat doen. Belangrijk is wel dat je dat plan bij de hand houdt.”

“Hetzelfde kun je bijvoorbeeld met partijspelen doen op de training. Ons lichaam is namelijk gefixt. We kunnen niet iets sneller of langzamer laten verlopen. Uiteindelijk gaat het erom dat je de intensiteit en de omvang steeds groter maakt. Een goede trainer is iemand die het lichaam van de spelers zo goed mogelijk hun eigen ding laat doen, maar wel op de grens zit van wat mogelijk is. Ook als amateurtrainer probeer je die rand van de chaos op te zoeken.”

“Daarbij kun je bijvoorbeeld in partijvormen van tien minuten naar partijen van bijvoorbeeld 2x6 en vervolgens naar 12 minuten gaan. Daarna houd je het weer een week hetzelfde, om te voorkomen dat we te snel groeien. Raymond Verheijen heeft ook een prima programma gemaakt, maar ik vind het daarbij jammer dat het schema vooraf bepaald en leidend is. Ik vind dat een trainer zelf moet nadenken en het zelf op gaat schrijven. Ik wil dat die trainer niet 5tegen-5 gaat spelen omdat het toevallig in het programma staat, maar omdat die trainer met die 5-tegen-5 een bepaald doel voor ogen heeft. Je doet iets met een reden, omdat je ergens beter in wilt worden. Dat is nou juist de definitie van trainen.”


 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen