Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
"De voetballer van vandaag is een ferrari"
| Bedankt voor uw mening!
Maandag 22 Juli 2019

Terry Peters is performancecoach bij het Leverkusen van Peter Bosz (en Hendrie Krüzen). Na in de winterstop te zijn ingestapt kwalificeerden ze zich uiteindelijk knap voor de Champions League. Hij vertelt over zijn visie en ervaringen van de eerste zes maanden in de Bundesliga.

Tekst: Paul van Veen

Terry Peters werd afgelopen winter bij Leverkusen herenigd met Peter Bosz. Hij leerde Peter kennen bij Vitesse. “Hij had zich het model van Verheijen eigen gemaakt en daar hebben we uiteindelijk onze eigen twist aan gegeven. Dat model is in de basis heel goed om als kapstok te gebruiken, maar de dagelijkse praktijk dwingt ons regelmatig om andere keuzes te maken.”

“Zo hebben we bijvoorbeeld aanvullend aan het model krachttraining ingepland in de weekschema’s. Zeker in deze tijd vinden we dat erg belangrijk. Voetbal is steeds meer een krachtsport aan het worden, dus zie je ook een verschuiving in het type arbeid dat verricht moet worden. Als je kijkt naar de data uit de wedstrijden wordt er steeds meer gesprint, er worden hogere volumes afgewerkt en de hersteltijden tussen de wedstrijden worden korter (omdat de speelkalender alleen maar voller raakt). Dat alles betekent dat je in korte tijd vaker op hoge intensiteit moet presteren en er sneller van moet herstellen. De stress op het lichaam als gevolg van accumulerende vermoeidheid wordt alleen maar groter. Dat zijn zaken waardoor je er niet meer aan ontkomt dat je niet alleen aan een duurzaam gestel moet werken, maar ook aan een krachtig gestel.”

 


“Kijk maar naar voetbalbeelden uit de jaren 80 en 90. Toen was het spel een stuk langzamer. Als we hier in Duitsland een nieuwe speler nodig hebben, is de eerste vraag of hij snel is. Daarna krijg je de vraag of hij die sprints ook vaak kan herhalen en de derde vraag is met hoeveel blessures een speler te maken heeft gehad. Je ziet dus steeds meer voetballers rondlopen die in grotere mate over explosieve vezels beschikken. Dat maakt dat de trainingen nog individueler benaderd moeten worden.”

“Vergelijk het maar met een Ferrari. In het voetbal willen we nu allemaal snelle sportauto’s als spelers hebben, maar als jij een Ferrari koopt, koop je die niet om daar elke dag duizend kilometer mee te rijden. Maar dat is wel de situatie waar we nu in het voetbal in zitten. Dus soms worden belachelijk hoge volumes aan hoge explosieve arbeid van spelers verlangd. Maar die spelers zijn wel allemaal Ferrari’s die er niet per definitie voor gemaakt zijn om verschrikkelijk vaak, heel veel meters te maken.”

“Deze metafoor maakt enigszins een karikatuur van de situatie, maar is wel beeldend voor de praktijksituatie waarin we werken. Toen we hier halverwege het seizoen instapten zaten we nog in de Europa League, de Duitse beker en hadden we de competitie nog. Dit betekent dat ik als performancecoach vooral eerst moet gaan kijken naar het herstelvermogen van de spelers, voordat je gaat kijken wat je wilt opbouwen. Je praat dus niet alleen over trainingsprikkels, maar vooral ook over recuperatie. Dat is een grote puzzel waar je alle puzzelstukjes op het juiste moment in elkaar moet klikken. In deze overvolle agenda’s luistert dat enorm nauw. Een rigide liniaire periodisering is dan niet toereikend, we moeten op individueel niveau aanpassingen maken en flexibel zijn.”

Maar hoe krijg je het dan toch voor elkaar?

“Dat is heel veel praten. Zoals je misschien wel weet, heeft Peter een heel duidelijk plan. Hij weet precies waar hij voetballend de accenten wil en moet leggen. Stel, hij vindt dat we wel genoeg balbezit hebben, maar niet op tijd op de juiste positie voor het doel komen, waardoor we te weinig doelpunten maken. Dan komt hij bijvoorbeeld met een afwerkvorm waarin spelers veelvuldig op tempo voor het doel moeten komen.”

“Ik geef Peter aan hoe hij dat in de week kan inplannen. Een voorbeeld: als we vandaag heel explosief aanpakken, kunnen we morgen de rustdag nemen en dan moeten we overmorgen voor een ander type trainingsvorm kiezen. Dan kunnen we kiezen voor een vorm die wat meer doorloopt, waar minder vaak een hoog explosieve inspanning wordt gevraagd en met relatief weinig pauzes. Op die manier wordt het laag intensieve duurarbeid. Of een 11-tegen-11, waar het accent op kennisoverdracht ligt.”

“Wil hij overmorgen meer doen? Dan moeten we misschien de afwerkvorm aanpassen.
Bijvoorbeeld door er maar een paar te doen (waar je makkelijker van kunt herstellen) of door in kleinere ruimtes te spelen, waardoor de ruimte er niet is om op hoge snelheid te komen. We hebben het dus gewoon erg vaak over ruimtes, hoeveel rust er tussen de acties zit, hoe lang we het willen doen en wat dit betekent voor de rest van de week. Het is dus vaak compromissen sluiten en zo puzzelen we, totdat we hebben wat we nodig denken te hebben.”

“Je hebt ook nog regelmatig spelers die door die hoge intensiteit niet krasvrij uit de wedstrijd komen. Dat is inherent aan een hoog intensieve competitie als de Bundesliga. Daar moet je goed mee oppassen en daar hebben we een passend gezegde voor: you can’t fix your car while driving. Op het moment dat spelers klachten hebben, kun je ze door laten lopen, maar dat is vragen om problemen. Op een gegeven moment zit je in een onomkeerbaar sneeuwbaleffect, waarin de problemen alleen maar groter worden. Ik geloof er heilig in dat er maar twee modi zijn waarin een lichaam zich kan begeven: aan de ene kant is dat overleven, dan is je lichaam alles aan het doen om de opgelopen stress het hoofd te bieden; de andere modus is adaptatie, dan is het lichaam niet alleen bezig met het weerstaan van die stress, maar heeft het een buffer om die stress om te zetten in een structurele aanpassing. Door deze aanpassing ben je op de langere termijn weerbaarder tegen die stressor. Dat noemen we binnen trainingskunde ‘supercompensatie’.”


Is dat nog wel mogelijk in zo’n druk schema?

“We hebben in deze tijd zoveel technische hulpmiddelen waardoor we steeds meer inzicht hebben in de gesteldheid van een speler. Hierdoor kunnen we steeds beter de prikkel van die dag afstemmen op zijn mogelijkheden. In zo’n druk schema spreek je de ene dag over mogelijkheden en de andere dag over beperkingen. Als we merken dat een speler een probleem met de pees heeft en als Peter dan een groot positiespel wil spelen, raad ik hem bijvoorbeeld aan om die speler aan de buitenkant als kaatser neer te zetten en zodoende minder aan sprinten toe te laten komen. Dat vraagt immers veelvuldiger om meer trekkracht van die betreffende peesstructuur.”

“Alle technische hulpmiddelen leveren waanzinnig veel data op. Belangrijk om te beseffen is dat data op zich nog helemaal niks brengen. Het gaat om de interpretatie van die data en dat ik die zo naar Peter kan brengen, waardoor hij daarop zijn trainingen kan aanpassen. Belangrijk is hierbij dat we dezelfde taal spreken. Dat is iets waar Peter heel hard op heeft gehamerd sinds onze tijd bij Vitesse. Als de technische staf niet weet wat een specialist bedoelt te zeggen vervalt het geheel in aannames, zonder dat we met z'n allen exact weten waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Dat is nooit goed. Daarom hebben we een manier afgesproken hoe we met elkaar praten.”
 


“Peter is een trainer die spelers in kleine ruimtes wil laten spelen, op de helft van de tegenstander en hij wil snel en aanvallend voetballen. Als we de bal verliezen, dan wil hij deze meteen weer veroveren. Er zijn ook trainers die na balverlies meteen weer inzakken. Als we deze twee speelstijlen met elkaar vergelijken, betekent dat dat je bij Peter bijvoorbeeld 5x10 meter moet sprinten en bij die andere trainer 2x25 meter. De som is hetzelfde maar de inspanning en de cognitieve vereiste verschilt significant. Trek dat door over een hele wedstrijd in alle fases en je zult zien dat er voor iedere trainer een ander plaatje ontstaat. Dat is iets wat ik als conditietrainer moet weten en we samen vorm moeten geven in de trainingspraktijk. Iedere trainer vraagt dus een compleet andere trainingsmethode.”

“Bovendien betekent 5x10 meter in plaats van 2x25 meter niet alleen kortere afstanden, maar dat betekent ook dat je drie keer vaker een beslissing moet nemen. Dat betekent dat er van je brein op twee vlakken meer wordt verlangd. Ten eerste moet je vaker aanzetten en iedere versnelling betekent dat er een lading energie door je lichaam stroomt. Ten tweede moet je vaker een keuze maken. Intensieve denk- en beslissingsprocessen kosten ook heel veel energie van het centrale zenuwstelsel. Het brein vormt 2% van ons lichaamsgewicht maar verbruikt meer dan 20% van de lichaamsenergie. Ook dat is dus een onderdeel van het lichaam dat we heel nauwgezet volgen.”

“Dat alles heeft weer gevolgen voor de fysieke arbeid van een speler. Als ik tegen Peter zeg dat iemand wat meer vermoeidheid in zijn centrale zenuwstel toont, weet Peter meteen dat we bij die speler even weg moeten blijven van sprints en hoog-cognitieve processen. Zo geldt ook dat als je ‘s morgens kleine partijtjes speelt, dat je spelers ‘s middags geen videobeelden meer moet laten bekijken. Immers, dat gaat allemaal om hetzelfde centrale zenuwstelsel. Je moet je centrale zenuwstelsel vergelijken met een soort hersenbatterij. Als deze op is, is deze op.”

“De volgende stap die we willen maken is dat we ons herbezinnen ten aanzien van tijdstip van belasten. Vanuit de fysiologie weten we dat in de middag je lichaam op zijn best is. Dat gaat weer om die hersenbatterij. We willen dat jouw computer volledig is opgestart en die batterij volledig opgeladen is, voordat we er als trainer weer aan gaan trekken. Je opent ook nog geen programma’s op de computer voordat deze volledig zijn opgestart. Als je dat wel doet, gaat de computer vastlopen of heel veel langzamer die programma’s openen. Dat is precies wat er met het lichaam gebeurt. De meest effectieve en veilige keuze is om specifieke prikkels ten aanzien van cognitie en explosiviteit later op de dag te plannen. We willen alle mogelijkheden aangrijpen om trainingen effectiever te maken.”


Die batterij, is die ook te trainen?

“Als het om cognitie gaat, bestaat er wel een grote genetische aanleg in. Het intellect van Einstein zal niet volledig getraind of gemaakt zijn. Daar zal een groot gedeelte aanleg en talent in zitten. De meest recente onderzoeken laten zien dat je brein wel plastischer is dan voorheen werd aangenomen en dat het brein pas later uitontwikkeld is dan we altijd hebben gedacht. Het brein blijkt prima bij spelers in hun twintiger jaren verder ontwikkeld te kunnen worden. Neem bijvoorbeeld het oversteken van een weg. Wij leren dat jong, maar praktisch gezien kun je dat op elke leeftijd leren. Voordat je de weg opstapt, kijk je rechts-links-rechts en steek je over. Dat om je heen kijken, is in voetbal net zo. Ik heb me - in samenwerking met de Noorse professor Jordet - verdiept in het kijkgedrag van spelers. Op het moment dat je vaker om je heen gaat kijken, krijg je ook vaker een visuele prikkel te verwerken. Dus je brein wordt vaker bloot gesteld aan nieuwe informatie. Uiteindelijk zal het veelvuldig herhalen daarvan ervoor zorgen dat je ook beter wordt in het verwerken van diezelfde informatie. Onderzoek wijst uit dat je daar een betere voetballer van wordt. Immers, als je meer kijkt én sneller informatie kan verwerken, zie je ook meer mogelijkheden. Zie je meer mogelijkheden, dan is de kans ook groter dat je een betere mogelijkheid (vooruit) ziet. En dat zijn de intelligente spelers waarvan Peter altijd zegt waar hij graag mee wil werken.”

“De voorbereiding voor volgend seizoen hebben we al helemaal uitgewerkt. We weten wanneer we willen spelen en hoeveel we willen spelen. Het grote plaatje ligt er en gedurende het seizoen zullen we van week tot week en uiteindelijk van dag tot dag nog dingen verfijnen of veranderen. Het grote voordeel van in januari instappen is dat we inmiddels bekend zijn met de mensen waarmee we aan het nieuwe seizoen beginnen. Daarnaast hebben we vorig jaar succes gehad met het behalen van de Champions League en dat betekent dat je het seizoen met vertrouwen begint.”
 

“Een ander voordeel is dat men hier nu gewend is aan onze werkwijze. Ondanks dat we op basis van het model van Verheijen onszelf regelmatig de noodzakelijke vrijheid toedichten op het gebied van ruimtes, speelduur en herstelrust, blijft voor mij het belangrijkste element uit het model overeind: dat in de weken dat je geen twee wedstrijden speelt, je dan éen dag uitkiest waar je de jongens zo fris mogelijk aan laat komen om ze vervolgens door middel van partijvormen volledig uit te buiten.”

“Dat was iets wat in de Duitse cultuur vaak anders was. Zeker niet minder, maar anders. Intensiteit is iets wat altijd wel gegarandeerd is bij deze spelers op de trainingen. Maar wat ze niet gewend waren is dat, als je 10x 4-tegen-4 speelt, je dan elke partij instapt alsof het je laatste is. Die doe je op de allerhoogste intensiteit, iedere seconde van de training. Zij waren gewend om op resultaat te spelen. Als jouw team 2-0 voor staat, kun je iets rustiger aan gaan doen en gewoon de goal verdedigen. Winnen is namelijk winnen. Dat is fysiek een stuk minder intensief en dat moesten we omzetten. Dat was iets wat ze toch wel lastig vonden, maar op een gegeven moment hadden ze door dat (ook) dit voor een mentaliteit zorgt die nodig is om wedstrijden te winnen.”

Opbouwen
“In het (periodiserings)model dat wij gebruiken, is het eigenlijk zo dat we gedurende het hele seizoen dit blijven opbouwen. We blijven de omvang en intensiteit stapelen. Ik kan me voorstellen dat mensen dat eng vinden op het moment dat je niet gewend bent om dat te doen. Maar wanneer je de structuur heel strikt bewaakt en dus niet ergens lukraak er een schep bovenop doet, dan gaat het lichaam daar uiteindelijk bestand tegen raken. Dan krijg je uiteindelijk een lichaam dat veerkrachtiger is, een lichaam dat veel vaker in die adaptiemodus zit, omdat het beter bestand is tegen die stressoren. Op het moment dat je de inspanning continu afstemt op iets wat je relatief eenvoudig kan verteren, dan behoud je toch altijd een soort conditionele status quo. Hierbij gaat het niet alleen om spieren, pezen en botten, maar ook om die grote spier tussen de oren.”

“Ook belangrijk is dat alles op hoge intensiteit gaat. Wanneer je vanuit een relatief passieve situatie leert om in een bepaald patroon te spelen, dan staat dat natuurlijk heel ver van de wedstrijd af. Kijk maar naar veel andere sporten: je hebt intensiteit van trainen nodig om je iets volledig eigen te maken, zodat je dit op een geautomatiseerde manier zeer snel kan herhalen in wedstrijdsituaties. Het moet geen bewust proces zijn. Dat je gaat nadenken wat je ook alweer zou moeten doen wanneer we de bal verliezen. Nee, het is balverlies en bam er meteen weer achteraan. Dat automatiseer je alleen maar door het op dezelfde manier te trainen. Het moet onderdeel van je DNA worden.”

“In de voorbereiding staan er soms ook twee wedstrijden op één dag op het programma. Dit doen we om ervoor te zorgen dat iedereen de juiste belasting krijgt. De eerste oefenwedstrijd spelen ze 45 minuten en zo willen we dat in stappen opbouwen naar een hele wedstrijd. Als we één wedstrijd spelen, kunnen maar elf spelers een hele wedstrijd spelen. Of wanneer je elf spelers 60 minuten laat spelen, betekent dat dat de rest maar 30 minuten speelt. Dat geeft scheefgroei in je selectie. Wat wij willen is dat op de dagen dat wij oefenwedstrijden plannen iedereen dezelfde load krijgt, anders moet je de training erop verschillende delen van de groep weer verschillende prikkels geven. Die versplintering zorgt ervoor dat je niet optimaal kan werken.”

“Ons voornemen is spelers van de Onder19 in beide wedstrijden de laatste 15 of 30 minuten te laten spelen. Die werken dan als het ware twee korte trainingen af. Dat geeft ons niet alleen het voordeel dat de spelers van het eerste de juiste prikkel krijgen, maar dat we dan ook meteen de O19 in de voorbereiding aan het werk kunnen zien.”

“Al met al komen we zo samen tot mooie dingen, zeker als je met een trainer als Peter werkt. Het is belangrijk dat de hele staf elkaar begrijpt. We moeten weten waar we naartoe willen, wat de stand van zaken is en vervolgens weten hoe we dat dan gaan doen. De gouden cirkel van Simon Cinek legt dat wel goed uit. Als staf ben je continu bezig om het idee te synchroniseren, voordat je overgaat naar de dagelijkse trainingspraktijk. Dat is de basis om het goede voetbal te spelen wat we uiteindelijk met z'n allen graag willen spelen. Dan komt alles samen en wordt periodiseren ook echt heel erg leuk.”

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen