Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
De 9 meest gemaakte fouten in de periodisering
| Bedankt voor uw mening!
Dinsdag 30 Juli 2019

Jelmer Siemons geeft met zijn bedrijf Start2Move al jaren de cursus Conditietraining Voetbal. Na jaren ervaring ziet hij dat er toch nog steeds veel fouten gemaakt worden met het in de praktijk brengen van de periodisering. In dit artikel zet hij 9 valkuilen/fouten op een rij.

Tekst: Paul van Veen


Fout 1: Te veel focus op fitheid (in plaats van frisheid)
“Je merkt dat veel trainers vooral de focus leggen op de fitheid van de spelers. Dit betekent dat ze heel veel aan het trainen zijn, omdat ze hun team zo snel mogelijk klaar willen stomen voor de eerste wedstrijd. Dit terwijl amateurvoetballers in de vakantieperiode vaak weken niets hebben gedaan. Dan is het verschil tussen, waar ze staan en de trainingsprikkel die ze krijgen, veel te groot, met alle gevaren van dien.”

“Daarom raad ik altijd aan onderscheid te maken tussen de korte- en langetermijnconditie. Als jij de opbouw van conditie te snel doet, kun je daar op korte termijn wel profijt van hebben, maar dan is de kans groot dat je gaandeweg het seizoen hierdoor meer blessures gaat krijgen. Zo verscheen er onlangs nog een onderzoek waarin aangetoond was dat er een grote relatie zat tussen een te hoge intensiteit in de voorbereiding en het aantal blessures dat een voetbalteam gedurende een seizoen heeft. Dat is dus echt iets waar een trainer voor moet waken.”

“Dus als jij zowel de trainingsintensiteit als het volume heel snel opvoert, zullen er best wel een aantal spelers zijn die op dat moment aanhaken en stappen maken, maar er zullen ook een aantal spelers afhaken. Dan treedt er cumulatieve vermoeidheid op. Vervolgens is de kans groot dat ze ergens in het seizoen een breekpunt krijgen en dan zie je dat er blessures ontstaan, omdat er geen frisheid meer is.”

“Als je niet meer fris bent, ben je conditioneel op orde, maar ben je te vermoeid om een prestatie te leveren. Dat kunnen spieren zijn, maar het kan ook mentaal zijn. Of een speler fris is, is niet altijd makkelijk te zien, daarom is het ook heel belangrijk om hierover in gesprek te gaan met spelers. Dat is een proces, want ze zullen daar niet altijd even eerlijk in zijn, omdat ze misschien bang zijn om dan gewisseld te worden.”

“Als je bijvoorbeeld kijkt naar het allerhoogste niveau, bijvoorbeeld de finales van de Nations League, hoef je aan de fitheid van spelers niet zo heel veel aandacht meer te geven. Ze moeten ontspannen zijn, er zin in hebben en hersteld zijn.”

“Maar ook aan het begin van het seizoen is dat belangrijk. Je ziet veel teams in de voorbereiding een aantal dagen met het team weggaan en dan gaan ze opeens twee keer per dag trainen. “Het is immers wel een trainingskamp”, hoor je de trainer zeggen. Hierbij moet je altijd heel goed nadenken wat je doel is. Je kunt bijvoorbeeld wel een tactische (rustige) training doen, maar het gevaar van zo’n tactische training is dat het toch vaak nog een prikkel is en zo stapelt de vermoeidheid zich al op. Zeker als je ‘s middags dan nog een conditionele prikkel geeft. Voor dat soort dingen moet je toch wel waken.”

“Maar het gevaar kan ook vanuit de spelers komen. Vaak hebben spelers, zeker op zo’n trainingskamp, pas een goed gevoel over een training op het moment dat ze pas echt het gevoel hebben dat ze wat gedaan hebben. Als trainer krijg je dan toch snel de neiging om nog even af te sluiten met een partijtje, om de spelers dat goede gevoel te geven. Maar ook dat is een gevaarlijke valkuil waar je voor moet oppassen.”

“Af en toe is het beter om spelers rust te geven. Zeker naarmate het seizoen vordert, kan een vrije dag zeer positief uitpakken, zowel qua mindset als qua herstel. De angst bij trainers is altijd: doe ik niks, dan kan het minder worden. Ook de druk van de buitenwacht moet je nooit onderschatten. Die roepen vaak: niet zeuren, maar werken. Zeker als je verloren hebt, hoor je de leek en de supporter roepen dat jullie juist harder moeten werken. Hierdoor wordt een trainer toch vaak verleid om die vrije dag toch maar niet te doen. Maar dat is niet altijd beter, dat zou een goede voetbaltrainer moeten weten.”



Fout 2: Kwantiteit boven kwaliteit stellen
“De intensiteit (dus de kwaliteit) van de training moet altijd centraal staan. Bij het voetbal gaat het er uiteindelijk om dat spelers op een hele hoge intensiteit een actie moeten kunnen maken. Je zult merken dat als je een vorm of een training langer laat duren, dat de kwaliteit van de uitvoering minder wordt. Je wilt echter van 100% naar 101%, dat betekent dat je jouw acties kwalitatief goed wilt houden. Als je (te) lang door traint, worden die acties niet beter, maar ben je alleen nog maar aan het volhouden. Dan ga je van 99 naar 98 naar 97 en ben je bezig het verval tegen te gaan.”

“Kortom, liever 45 minuten goed trainen dan een uur matig.”

“Ik begrijp dat dit lastig is als trainer. Wat zie jij als trainer gebeuren op het veld? Zie je dat jouw linksback of linkshalf die actie niet meer kan maken? Zie jij dat het aantal acties van die speler achteruitgaat? Dat bepaalt natuurlijk of de kwaliteit goed is. Dat kun je natuurlijk tot op een bepaalde hoogte monitoren, maar de gemiddelde amateurtrainer moet dat met zijn eigen ogen doen.”

“Als je geen meetapparatuur hebt, is het een goed idee om in gesprek te gaan met de spelers. Vraag spelers om hun vermoeidheid een cijfer te geven op een schaal van 1 tot 10 en ga daarover in gesprek. Waarom is het een 7 en geen 6 of 8? Op die manier kom je met elkaar in gesprek en gaat hij het ook echt omschrijven. Het blijft natuurlijk subjectief, maar op deze manier krijg je er langzamerhand een gevoel bij.”

“En dan heb je nog de spelers die zich altijd verstoppen. Er zitten er altijd een paar bij die niet de juiste mentaliteit hebben en af en toe een duwtje in de rug nodig hebben. Als je een kleine investering kan doen, zou ik een aantal spelers met een hartslagmeter laten spelen en het gaan monitoren. Die speler heeft dan meteen het idee dat hij in de gaten gehouden wordt. Daarnaast kun je ook aantoonbaar maken waar de verschillen zitten en dan wordt zo’n jongen ook wel wakker geschud. Ga maar eens uitleggen waarom je veel lager scoort dan een andere speler. Op zo’n manier heb je een veel makkelijker verhaal richting de speler dan dat je de discussie aangaat.”



Fout 3: Minuten leidend maken
“Het tactische verhaal is belangrijk. Als je 11-tegen-11 speelt en één partij gaat druk zetten en de andere wordt onder druk gezet, zullen ze veel sneller moeten handelen binnen die 3 keer12 minuten dan wanneer je met een rustige opbouw speelt en de tegenstander inzakt.”

“Het is allebei 3 keer12 minuten, maar toch heel anders. Het mag duidelijk zijn dat het aantal minuten in jouw periodisering niet altijd leidend is. Zo kun je bijvoorbeeld ook de linkshalf de opdracht geven om steeds acties te maken, de achterlijn te halen en voorzetten te geven. Zo krijgt hij een veel hogere intensiteit.”


Punt 4: Model in plaats van maatwerk
“Een periodiseringsmodel zoals die van Verheijen is een kapstok. Je ziet veel trainers die op een cursus de stappen hebben geleerd en deze blindelings volgen. Ze weten niet (of zijn vergeten) wat erachter zit en wat er precies in het lichaam gebeurt als je klein, middel of groot traint. Verdiep je als trainer altijd in de materie en weet waarom je iets doet. Als je dat weet, ben je flexibeler en kun je reageren op veranderende situaties.”

“Het model is namelijk niet leidend, maar de spelers zijn leidend. Soms kun je bij de een ook wat minder doen en bij de ander wat meer. Of doe je hetzelfde als vorige week omdat je merkt dat ze er nog niet aan toe zijn om een extra stap te maken. Het oog van de meester blijft belangrijk. Als je van 2 keer 12 naar 2 keer 13 gaat en de intensiteit gaat omlaag, dan is dit opeens een heel andere trainingsprikkel. Dit kan bijvoorbeeld een simpel gevolg zijn van de doelstelling van de training.”




Fout 5: Het team boven het individu stellen
“Dit is eigenlijk een logisch vervolg op het vorige puntje. Je ziet vaak dat trainers alleen teambreed en volgens het model werken. Ze hebben een truc geleerd en doen die na. Maar je moet goed naar het individu kijken. Een speler kan bijvoorbeeld net geblesseerd zijn geweest. Die spelers moet je dus minder belasten.”

“Maar de andere kant op is ook mogelijk. Als je werkt volgens het model van Verheijen en alles in voetbalvormen doet, dan is mijn ervaring dat sommige jongens ook best wel wat meer kunnen doen. Dat kan omdat ze meer kunnen dan de prikkel die je aanbiedt, maar ook doordat spelers hun snor drukken. Deze groep spelers kun je dus best wat extra’s laten doen.”

“Ik gaf die spelers soms, voorafgaand aan de reguliere training, een extra prikkel. Maar dat betekent dat je wel van tevoren moet weten wie er waarschijnlijk onvoldoende belast gaat worden. Daarom zie je veel trainers na afloop van de training spelers nog een extra prikkel geven. Wees er dan zeker van dat je weet wat je doet. Als jij nog even aan de explosiviteit gaat werken, terwijl een speler niet fris meer is, train je uiteindelijk iets anders dan je eigenlijk zou willen.”


Fout 6: Te weinig aandacht voor externe invloeden
“Als er gesproken wordt over individuele periodisering, wordt er vaak gesproken over geblesseerde spelers of jeugdspelers. Maar er zijn nog veel meer factoren, die vaak volledig buiten het voetbal staan. Een speler kan ziek zijn geweest, in scheiding liggen, hard hebben gewerkt, slecht geslapen hebben, ontslagen zijn of last hebben van stress.”

“Al deze factoren kunnen van invloed zijn op de gesteldheid en dus de belastbaarheid van spelers. Dat wordt vaak nog wel eens vergeten. Als je die spelers op dezelfde manier belast, kunnen ze ook geblesseerd raken. En dan hebben we het niet eens over de situatie, waarbij het lijkt dat de speler zijn snor drukt en je hem daarom een extra prikkel wilt geven, maar dat die speler minder goed trainde, omdat er een oorzaak buiten het voetbal is.”

“Daarom is het van belang om altijd in gesprek te blijven met spelers. Op hoger niveau zie je dat er steeds meer gemonitord wordt, zoals hartslag, slaap en herstel. Uiteindelijk is het een totaalplaatje.”


Fout 7: Kracht- en stabiliteitstraining worden niet of verkeerd geïmplementeerd
“Ik hoor heel vaak amateurtrainers zeggen: ik heb geen tijd voor kracht- en stabiliteitstraining, want we trainen maar twee keer per week. Ik ben het met de trainers eens dat het lastig is om dit los in te plannen, maar ik geef ook aan dat het vaak verrassend eenvoudig te combineren is met bestaande vormen.”

“Neem als voorbeeld een afwerkvorm. Je zou daar spelers, voordat ze afronden, over een aantal hekjes kunnen laten springen voor hun sprongkracht. Of je kunt spelers laten starten met een duw- en trekvorm en van daaruit laten afwerken. Dan doen ze nagenoeg dezelfde oefening en als je dit goed integreert, kost het nauwelijks extra tijd.”

“Of je laat spelers tijdens een warming-up stabiliteitsvormen doen. Denk aan het overgooien met verzwaarde ballen. Op die manier gaat hun hartslag omhoog, waardoor je dus ook je hart-long-systeem aan het werk zet.”

“Je ziet tegenwoordig ook steeds meer trainers planken tijdens de training. Als je dat doet, dan zou ik spelers ook meteen laten opdrukken, dan pak je twee vormen ineen. Nog beter is als je niet voor horizontale , maar voor verticale stabilisatie kiest, dus waar spelers rechtop staan. Denk bijvoorbeeld aan een vorm waarbij allebei de spelers een bal vasthebben en dat je dan bezig bent om die bal naar je toe te trekken. Dan ben je ook bezig met je core-stabiliteit, maar wel uit een staande situatie.”

 


Fout 8: het aantal aanwezige spelers bepaalt de intensiteit
“Op amateurniveau zie je vaak dat trainers grote partijvormen gepland hebben , maar dat ze niet voldoende spelers hebben. Dan hebben ze groot (focus: aërobe capaciteit) gepland, maar dan wordt er in de praktijk anaëroob getraind.”

“De meest ideale situatie is om de aantallen aan te vullen, maar als je jouw team niet compleet kan krijgen, moet je er extra goed over nadenken. Als je weinig spelers hebt en je wilt grote vormen doen, zorg er dan voor dat je het veld niet te klein maakt, want dan wordt het aantal acties groter. En zorg voor het inbouwen van extra rustmomenten.”

“Een ander voorbeeld in dezelfde context is dat ik regelmatig trainers zie die de arbeid-rust-verhouding maar aan het toeval overlaten. Dan zie ik bijvoorbeeld een afwerkvorm waarbij een speler een bal over de omheining schiet en is die vervolgens een paar minuten weg om de bal te halen. Die speler krijgt dan een heel andere prikkel dan de rest van het team.”


Fout 9: de intensiteit van de training wordt verkeerd ingeschat
“Wanneer je trainingsvormen doet met een kort herstel, hoor (en zie) je de spelers hijgen. De spelers ervaren dan ook echt die vermoeidheid. De trainer ziet dat de spelers moe zijn.”

“Maar je kunt ook neurale vermoeidheid hebben. Die merken spelers vaak niet, maar ook daar hebben spelers tijd nodig om van te herstellen. Daar wordt wel eens te gemakkelijk overheen gestapt. Het is niet zo erg dat de spelers dit niet zien, maar de trainer zou beter moeten weten, anders kunnen er problemen ontstaan. Daarom moet je als trainer precies weten welke prikkel je de spelers hebt gegeven, hoeveel herstel daarvoor staat en je moet ervoor zorgen dat spelers die prikkel niet binnen die hersteltijd nog een keer krijgen.”

“Anders zie je opeens iemand met een hamstringblessure en dan wordt er gezegd: ‘dat is pech’. Maar dat is de vermoeidheid die op zenuwniveau zit, waarbij je spieren eigenlijk onvoldoende hersteld waren om zich op tijd aan te spannen voor die specifieke situatie. En dan heb je de meeste kans op blessures.”

“Een andere situatie is dat je na een VCT-training bijvoorbeeld een afwerkvorm doet die stiekem toch nog best wel zwaar is. Dan kan het gebeuren dat de stap die je wilde maken opeens een enorme stap voor het lichaam van de spelers is geworden. Dus je moet als trainer niet alleen de intensiteit van de VCT-trainingen goed inschatten, maar ook die van de andere vormen."
 
Start2Move

Wil je jouw kennis op het gebied van conditietraining verbeteren? Bekijk dan het cursusaanbod van Start2Move.
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen