Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Cijfers koppelen aan spelers
| Bedankt voor uw mening!
Maandag 12 Augustus 2019

Rogier Veenstra – genomineerd voor amateurtrainer van het jaar als trainer van Goes – maakte dit seizoen geen gebruik van het periodiseringsmodel van Verheijen. Toch is ook bij hem de opbouw van conditie een belangrijk speerpunt. Belangrijk onderdeel hierbij waren de spelers die zichzelf cijfers gaven.

Tekst: Rogier Veenstra
 
Ik deel graag mijn ervaringen van de eerste zes weken van het seizoen, voorafgaand aan de competitie. Omdat ik geen gebruik maak van het periodiseringsmodel van Verheijen ben ik op zoek gegaan naar een methode om toch goed in kaart te krijgen hoe fit mijn spelers zijn of zich voelen en de vooruitgang van die fitheid. De oplossing bleek uiteindelijk erg simpel, maar wel degelijk effectief te zijn: de spelers gaven zichzelf cijfers.

Zoals bij de meeste trainers is ook bij mij de opbouw van de conditie een belangrijk speerpunt in het begin van het seizoen. Je wilt als trainer natuurlijk bij aanvang van de competitie een zo’n fit mogelijke groep tot je beschikking hebben. Te hard trainen en te veel willen in korte tijd gaat vaak ten koste van de opbouw van de conditie. Sterker nog: je kan als speler weer flink worden teruggeworpen als je geblesseerd raakt en daardoor trainingen moet missen. Een aantal seizoenen gebruikte ik de methode van Raymond Verheijen. Het welbekende periodiseringsmodel leerde ik zoals bijna iedereen tijdens mijn trainersopleidingen van de KNVB. Het was duidelijk, gemakkelijk toepasbaar en de resultaten logen er niet om. Ook bij mijn selecties. Weinig blessures en tijdens de wedstrijden waren we in de meeste gevallen op het oog vaak fitter dan de tegenstander.

Toch stapte ik er dit seizoen vanaf. Ik had een aantal redenen om een andere weg in te slaan betreffende de trainingsmethode:
- Het was het tweede seizoen bij dezelfde club (automatische piloot/eentonig)
- We trainen maar drie keer per week (weinig tijd, inhoud meer de ruimte geven/wedstrijdecht)
- Geïnspireerd door andere trainers

Tweede seizoen
Omdat ik voor het tweede seizoen bij dezelfde club werkzaam bleef, kreeg ik vanzelfsprekend te maken met veel dezelfde spelers als het voorbije seizoen. Ik wilde voorkomen dat ik voorspelbaar zou worden. Weer dezelfde besprekingen, dezelfde stopwoordjes, dezelfde oefenvormen, zelfs dus dezelfde structuur. Ik wilde niet dat spelers naar de club kwamen en op voorhand al de hele trainingsavond konden schetsen. De reden had wat dit betreft dus niets te maken met de inhoud van het periodiseren of de winst daarvan. Ik wilde geen automatische piloot, het brein moet blijven werken.

Paar momenten in de week
Ik heb samen met mijn staf helaas maar de mogelijkheid om mijn spelers vier keer per week te zien. In het weekend wordt er een wedstrijd gespeeld en doordeweeks blijven er drie trainingen over. Door het periodiseringsmodel heb ik direct de trainingsdagen veranderd. Ik ben werkzaam bij een zondagclub en leek het mij verstandig om op maandag, woensdag en vrijdag te trainen. Ook in de voorbereiding. Op maandagen kan de groep herstellen van de vorige dag (speeldag), met de nodige kracht- en stabiliteitsoefeningen, inclusief een nabespreking. Op woensdag kan de conditionele prikkel worden gegeven en op vrijdag is er aandacht voor het tactische plan.
Toch liep ik al snel tegen twee dingen aan. Door de geringe momenten ging het één vaak ten koste van het ander. Het was dus of tactisch en niet conditioneel, of andersom. Al met al merkte ik dat ik door invloeden van buitenaf meer aandacht wilde voor de speelwijze, gericht op zowel het team als het individu. De conditie werd zeker getraind alleen niet overdreven gestructureerd.

 


Andere trainers
De derde reden om te kiezen voor andere vormen of een andere indeling van de week kwam voort uit het hedendaagse voetbal. De omschakelmomenten zorgen vaak voor kansen en dus doelpunten. Dat wilde ik trainbaar maken. Daarnaast wilde ik veel meer positiegericht trainen. Hierdoor kwamen de spelers veel meer in situaties terecht die overeenkwamen met de wedstrijd. De grote, kleine en middelgrote partijvormen waar tijd, aantallen en ruimte juist een bepalende rol spelen maakten dus plaats voor omschakelvormen en positiegerichte vormen.

Data
Inmiddels weet ik dat er bij veel clubs een mix wordt gemaakt tussen periodiseren, de speelwijze en de taken die horen bij de verschillende posities. In Spanje en Portugal spreken ze al jaren over ‘tactische periodisering’, waarbij de speelwijze altijd de boventoon voert.

Ook kun je gebruik maken van individuele periodisering, waarbij dus de focus ligt op het individu. Dat kan zijn na een blessure, om hem zo met zijn eigen programma toch een deel mee te laten doen met de groep die qua periodiseren misschien al enkele weken verder is. Ook kan hiermee de stap gemaakt worden naar de speelwijze. De speler krijgt dan met deze methode vormen of handelingen aangeboden die hij tijdens de wedstrijd ook vaak tegenkomt.

Beide varianten hebben dus veel met elkaar te maken en zijn misschien wel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het probleem waar ik tegenaan liep, op zoek naar meer ruimte voor de speelwijze en het individu, zou dus eigenlijk opgelost moeten zijn. Toch is het niet zo gemakkelijk. Ik ben ondertussen in staat om spelers een zware training te laten ervaren terwijl er ook aandacht is voor de speelwijze. En het lukt mij ook steeds beter om spelers vanuit hun eigen positie te laten trainen. Alleen de kracht van het periodiseren is de stappen die je er mee maakt, zonder te hard of te rustig te trainen. En die stappen zijn voor mij moeilijk te bepalen. Want hoe weet ik wanneer een buitenspeler net zo vaak of net lang sprint als in de wedstrijd. En komen de afstanden die mijn verdedigers afleggen binnen een tactische oefenvorm overeen met die van de wedstrijd?

Ik ben een trainer die niet in excuses denkt en ben dus alsnog opzoek gegaan naar een oplossing. Allereerst ben ik gaan rondvragen hoe andere trainers antwoord gaven op dit dilemma: hoe kun je gestructureerd conditionele stappen maken terwijl de speelwijze en het individu nagenoeg altijd centraal staan? Het antwoord was in de meeste gevallen niet zo moeilijk te vinden, maar wel erg interessant. Data was vaak het sleutelwoord.

 


Sportwetenschappers, fysieke trainers, performance coaches, allemaal mensen die steeds vaker op hoog niveau onderdeel uitmaken van de staf. Zo kwam ik in contact met stafleden van BVO´s en legden zij uit hoe zij de conditie trainen, met de speelwijze als rode draad. Spelers voetballen steeds vaker met hartslagmeters en GPS-systemen, waardoor er veel meer informatie uit wedstrijden gehaald kan worden dan de bekende statistieken. Ze kunnen ook op deze manier in kaart brengen wat er op fysiek vlak van spelers gevraagd wordt tijdens de wedstrijd en waar spelers zich nog in moeten ontwikkelen. Er kan dus een training worden bedacht waarbij spelers net zo vaak een sprint trekken als bijvoorbeeld in de eerste helft van een wedstrijd en er kan ook gespeeld worden met de rustperiode tussen die sprints. Omdat er tijdens de trainingen ook gebruik wordt gemaakt van data, is zo goed te zien of spelers zich fysiek gezien ontwikkelen en kunnen er dus ook gestructureerd stappen worden gemaakt.

Cijfers
Omdat ik trainer ben bij een club die helaas nog niet zo ver is om de staf aan te vullen met specialisten en spelers te laten voetballen met tools die data verzamelen, moest een andere manier ervoor zorgen dat mijn spelers op trainingen conditioneel getraind worden tijdens de tactische training en dat zij niet teveel maar ook zeker niet te weinig doen. Dit kan in mijn ogen op twee manieren.

1. Pen en papier
Ik zou de wedstrijd terug kunnen kijken en noteren hoe vaak een spelers sprint, wat de rustperiode is en hoe groot de afstand van de sprints is. En bij een centrale verdediger zou ik kunnen kijken hoe vaak hij aan moeten sluiten en wat deze afstand is en in welk tempo dat gebeurt. En wat hij aan de bal doet gerelateerd aan tempo en afstand. Dat is natuurlijk een flink karwei, maar het zou een optie zijn om zo in kaart te brengen wat spelers tijdens een wedstrijd doen. Om vervolgens als trainer te kijken waar spelers zich nog in moeten verbeteren. Dat is ook weer afhankelijk van de speelwijze. Dus de oefenvormen zijn in mijn ogen dan wel heel belangrijk.

2. Cijfers
Het is eigenlijk een handigheidje, maar ik heb geleerd dat het best wel zinvol is. Ik heb de eerste zes weken van het seizoen aan de spelers gevraagd of zij na elke training een cijfer willen geven. Het cijfer 1 zegt dat de training conditioneel niks voorstelde. Het hoogste cijfer is een 10, dan is de speler echt in het rood gegaan en was hij na afloop bekaf. Uiteraard is het belangrijk dat de spelers begrijpen dat dit eerlijk moet gebeuren, waardoor ze pas het cijfer mogen geven als ze weg zijn van de club en het moet in een privé-bericht naar mij. Op die manier probeerde ik eventuele groepsdruk te voorkomen. Daarnaast is het belangrijk om spelers duidelijk te informeren over de achterliggende gedachte ervan. Hierdoor kan ik zien hoe zwaar mijn trainingen worden ervaren door verschillende spelers op verschillende posities. En spelers vinden het ook fijn als je duidelijk aangeeft dat het zeker geen consequenties heeft voor een eventuele basisplaats.

Zo kon ik mijn speelwijze trainbaar maken en rustig afwachten hoe de spelers de training fysiek hadden ervaren. Volgden er nagenoeg lage cijfers, dan kon ik de rustperiode inkorten of de series langer laten duren. Ik was benieuwd naar de jongens die de hele dag op hun benen moesten staan op hun werk en de jongens die studeerden en dus nog vakantie hadden. Toch was de meest opvallende constatering er eentje die ik niet direct had verwacht of waar ik aan had gedacht. Het waren juist de spelers die nieuw bij de club waren die de hoogste cijfers gaven. Zo kwam het regelmatig voor dat de nieuwe spelers een 8 of 9 gaven, terwijl de spelers die al onder mij gewerkt hadden een 3 of 4 gaven.

Na wat gesprekken met de nieuwe spelers kwam ik erachter dat de spelers van clubs kwamen waar vooral heel compact werd gespeeld met laag druk en in balbezit een relatief laag tempo. Terwijl ik juist in een hele hoge intensiteit wil voetballen en trainen, zoals Liverpool. Of spelers die weinig hadden gespeeld bij hun vorige club of van een lager niveau kwamen. Ik heb deze spelers vervolgens één keer in de week een ander programma aangeboden. Dat varieerde van een dag vrij om extra te herstellen, een training in het krachthonk of ze deden maar een deel mee van de training.

Dat die cijfers echt een goede representatie van de werkelijkheid was bleek wel uit de testen die we deden. We hebben een aantal keer een interval shuttle run test gedaan met hartslagmeters gedaan en toen hebben we de cijfers van de trainingen vergeleken met de uitslagen neer gelegd. Het zou gek zijn als ze bij mij een hoog cijfer geven en die testen supergoed lopen, maar het bleek prima met elkaar overeen te komen. Degene die moeite hadden met hun herstelvermogen, bleken ook de hoogste cijfers te geven. Dat was voor mij een bevestiging dat het ook echt werkte, want het is natuurlijk de meest simpele vorm van ergens achter te komen.

Maar ik zat nog wel met een groep waarbij de cijfers erg ver uit elkaar lagen. Ik zat dus met twee problemen die ik moest oplossen: aan de ene kant wil je op zoek naar vormen die ook de spelers die altijd een hoog cijfer geven als relatief rustig ervaren, omdat je wilt kijken wat ze aan kunnen. Maar aan de andere kant wil je ook op zoek naar vormen waarbij iedereen een hoog cijfer geeft, omdat je ook de spelers die een laag cijfer geef wil prikkelen. We speelden dit seizoen immers een niveau hoger dan vorig jaar, dus ook zij moesten stappen maken en voorbereid worden voor de derde divisie.

Dat is even ten koste van de inhoud gegaan. Dat is ook logisch, want dan zit je toch wat meer op je klok te kijken en naar spelers en de ruimtes te kijken om te kijken of ze wel een conditionele prikkel krijgen. Maar dat is altijd het risico van fysieke periodisering. Het duurde langer dan verwacht dat deze spelers gewend waren aan de intensiteit hoe ik wilde spelen en hoe ik dus ook train, maar het lukte wel en je zag de cijfers naarmate het seizoen vorderde steeds lager worden.

Maar door de cijfers kreeg ik een goed beeld, ben ik wat voorzichtiger met hen omgegaan en gaf het me mogelijkheden om per individu te differentiëren. Misschien heeft het een positieve bijdrage geleverd aan het feit dat we de laatste vier maanden met een nagenoeg fitte selectie hebben kunnen werken en ontzettend veel wedstrijden hebben gewonnen met onze manier van voetballen en dus ook mét de nieuwe jongens.

 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen