Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Sarina Wiegman en Arjan Veurink: Er zit nog veel rek in de ploeg
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 1 November 2019


In de vorige editie van TrainersMagazine analyseerden Benno Nihom, Richard Mank en Roeland ten Berge de groepsduels van de Oranje Leeuwinnen bij het WK in Frankrijk. In dit nummer blikken we met bondscoach Sarina Wiegman en haar assistent Arjan Veurink terug op het WK én kijken we naar de toekomst van het Nederlands vrouwenelftal. “Er zit nog veel rek in de ploeg.”
 
Tekst: Paul van Veen en Martin van Veldhuizen | Beeld: Gerrit van Keulen

Op de KNVB Campus in Zeist staat het vizier deze middag op de komende interlands van het Nederlands vrouwenelftal. De Oranje Leeuwinnen hebben het wereldkampioenschap in Frankrijk achter zich gelaten en moeten zich zien te plaatsen voor het EK van 2021 in Engeland, waar Nederland de in 2017 veroverde titel verdedigt. Over drie dagen (4 oktober) staat de uitwedstrijd tegen Slovenië op het programma, drie dagen daarna komt Rusland naar het Philips Stadion in Eindhoven. Toch willen Sarina Wiegman en Arjan Veurink op verzoek van TrainersMagazine best nog even terugblikken naar dat succesvolle WK, waar Nederland achter de Verenigde Staten vicewereldkampioen werd.
 
De finale is al weer drie maanden geleden. Wat komt als eerste in je op als je terugdenkt aan het WK?
Wiegman: “Ik denk niet aan één specifiek moment, er waren heel veel bijzondere ervaringen. Op 13 mei begonnen we met een kleine groep aan de voorbereiding. Die aftrap vond ik speciaal, omdat het toen echt ging beginnen. Na drie weken vertrokken we richting Frankrijk, dat was een mooi moment en de openingswedstrijd voelde ook bijzonder. En ondanks dat we de finale verloren, was dat natuurlijk ook een hoogtepunt.”

 
Veurink: “Dankzij de 2-0 zege op Italië in de kwartfinale plaatsen wij ons voor de Olympische Spelen. Dat was voor mij het meest emotionele moment. De Olympische Spelen is het grootste sportevenement ter wereld en heeft iets magisch. Als coach wil je daar heel graag bij zijn.”
 
Wiegman: “Ik droomde vroeger van de Olympische Spelen, tegelijkertijd wist ik dat de kans dat ik er ooit actief zou zijn heel klein was. Dat we ons kwalificeerden tijdens het WK was echter supermooi. Na afloop van de wedstrijd tegen Italië kwamen we met de vijf trainers apart van de rest een moment bij elkaar. Wij hadden geen woorden nodig om onze trots en blijdschap te delen. Er was zó hard en intens gewerkt om dat doel, de Olympische Spelen, te bereiken.”
 
Welke lessen heeft het WK opgeleverd?
Wiegman: “We konden presteren omdat iedereen, zowel spelers als stafleden, zichzelf heeft weggecijferd en de rol heeft geaccepteerd die paste bij zijn of haar kwaliteiten. Dan zijn belangrijke ingrediënten voor het succes, waaraan iedereen een bijdrage heeft geleverd. De les die ik meeneem van het WK is dat er nog veel rek in de ploeg zit. Wij zijn al supergoed, maar kunnen nóg beter voetballen dan we hebben laten zien. Terwijl we nu al de finale haalden, hè!”
 
Wat kan er dan beter?
Veurink: “Een van onze aandachtspunten is dat wij verdedigend dominanter willen zijn in de wijze waarop de tegenstander aanvalt. Wij willen de bal aan één kant van het veld hebben, maar op welk moment en op welke wijze zetten wij dan druk? Wij vinden dat dit nog beter kan.”
 
Wiegman: “Iets anders is dat wij graag van achteruit willen opbouwen. Wij willen ons graag doorontwikkelen in het nog beter opbouwen onder verschillende weerstanden. Al zullen we in situaties waarin de tegenstander met vier spelers hoog drukzet ook weleens de lange bal spelen. De spelers moeten die situaties nog beter gaan herkennen. Tijdens het EK in 2017 speelde elke ploeg 1:4:4:2, in Frankrijk maakten wij kennis met andere systemen en culturen. Tegen Kameroen zette een buitenspeler ineens druk op onze centrale verdedigers, buiten hun gezichtsveld (zie situatie 1). Op dat soort onverwachte situaties willen wij sneller en beter anticiperen. Als de spelers zich nog beter leren oriënteren kunnen ze rustiger blijven in de opbouw. Ook de eindpass achter de verdediging kan beter. In de finale tegen Amerika lag er bij vlagen best veel ruimte om hen pijn te doen. Als wij beter het overzicht behouden en rustiger worden in de keuzes die wij maken, dan lukt dat de volgende keer wel. Wij hebben genoeg spelers die dat in potentie kunnen.”
 

Situatie 1

Arjan, we zagen jou met een tablet op de bank zitten. Wat doe je daarmee?
Veurink: “Tijdens de wedstrijd stond ik in directe verbinding met collega-assistent Michel Kreek die hoog op de tribune zat. Tijdens de wedstrijd beschikten wij over data en beelden waarop wij direct konden anticiperen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de halve finale tegen Zweden. In onze verdedigende organisatie kwamen wij te veel met vier verdedigers en drie middenvelders op een lijn, waardoor de ruimtes te groot werden en de Zweden te makkelijk onder onze druk uit konden voetballen (zie situatie 2). Dat hebben wij snel omgezet: Jackie Groenen en Sherida Spitse moesten voor de verdediging spelen en Daniëlle van de Donk dáárvoor (zie situatie 3). Na die omzetting stond het een stuk beter en kregen wij veel meer grip op de wedstrijd.
 

Situatie 2


 

Situatie 3

Wiegman: “Tijdens de wedstrijd is er nauwelijks tijd om te discussiëren, een kleine tactische aanpassing, zoals een metertje meer naar links of rechts, kan direct invloed hebben. Het is daarom superbelangrijk dat je als staf vertrouwen in elkaar hebt en goed samenwerkt. Hetzelfde geldt eigenlijk in de rust; ook dan ontbreekt de tijd om onze analyse uitgebreid te bespreken. We maken gebruik van een televisie in de kleedkamer en dat is echt een meerwaarde. We tonen in de rust maximaal drie beelden, zodat het team direct ziet wat beter moet of wat juist heel goed gaat. Daarna gaat ieder van ons één of meer spelers langs met individuele tips.”
 
De FIFA heeft het WK op allerlei technische aspecten geëvalueerd. Wat kunnen jullie met dit rapport?
Wiegman: “Een dag voor de uitreiking van de FIFA-awards was er een congres waar liefst 152 landen aanwezig waren. Dat aantal zegt iets over de ontwikkeling van het vrouwenvoetbal. Tijdens het congres werd het rapport besproken en een aantal zaken uitgelicht, waaronder het niveau van de keepers. Dat is in vergelijking met het vorige WK in 2015 enorm verbeterd. Ook werd met beelden aangetoond dat de spelers in de laatste linie veel meer dan voorheen gebruikt worden in de opbouw en dat in de eindpass veel winst valt te behalen. Dat hadden wijzelf ook al geconstateerd, maar het was goed om het rapport en de conclusies daarvan met al die landen te delen.”
 
Veurink: “Het rapport is een analyse van de data van álle wedstrijden op het WK en niet alleen van die van Nederland. Terwijl een aantal landen na de poulefase uitgeschakeld waren, speelden wij tot en met de finale. Het is dus logisch dat wij bijvoorbeeld meer op doel hebben geschoten hebben dan landen die vroegtijdig werden uitgeschakeld. Als wij de data uit het rapport willen gebruiken bij de ontwikkeling van onze speelwijze en die van individuele spelers, dan zullen we die data specifieker moeten maken. Daarnáást geldt dat data een objectief beeld geeft, maar je moet altijd het subjectieve beeld eraan koppelen. En je hebt data over een langere periode nodig om er écht iets mee te kunnen. Kortom, de cijfers die de FIFA heeft opgeleverd zijn zeker interessant, maar om er voordeel uit te halen moeten we aanvullend onderzoek doen.”
 

Als we toch een paar opvallende zaken uit het rapport mogen uitlichten: Sari van Veenendaal kreeg van de vier halvefinalisten over het hele toernooi gemeten de meeste schoten (26) te verwerken.
Veurink: “Dat is precies wat ik bedoel. Het gegeven klopt, de vraag is hoe het aantal is onderverdeeld. Ik kan niet uit het rapport aflezen hoeveel keer Japan op ons doel heeft geschoten, ik weet wel dat we in die wedstrijd een paar keer heel goed zijn weggekomen.”
 
Wiegman: “In de laatste fase van het duel met Amerika gingen wij risico's nemen, ook toen kregen we een paar schoten tegen. Haal je de pieken tegen Japan en de Verenigde Staten eruit, dan krijg je een heel ander beeld. Dus data alleen zegt lang niet alles.”
 
Nog iets dat opviel: Nederland maakte vijf doelpunten uit 'open spel', terwijl de standaardsituaties zes goals opleverden. Wat zegt dat?
Wiegman, lachend: “Dat wij heel goed zijn in corners en vrije trappen. Met Anouk Dekker, Dominique Bloodworth en Stefanie van der Gragt hebben wij lengte in de ploeg, maar ook Vivianne Miedema en Lineth Beerensteyn zijn goede koppers. Vanaf januari hebben wij volgens een vaste methodiek veel tijd en aandacht besteed aan standaardsituaties. Door 'droog' te oefenen op vrije trappen en corners, waarbij de trap net zo belangrijk is als de loopacties. Daarnaast hebben we trainingsvormen gecreëerd waarin standaardsituaties steeds terugkeerden. Dat vele oefenen heeft zich uitbetaald.”
 

Vind je het niet jammer dat Nederland relatief weinig scoort uit open spelsituaties?
Wiegman: “Het gaat allereerst om winnen, hoe de goals vallen maakt mij in principe niet uit. Maar natuurlijk zijn wij bezig met de ontwikkeling van ons spel en werken wij aan een manier om tot meer kansen en doelpunten te komen vanuit lopende aanvallen. In het FIFA-rapport valt te lezen dat de centrale verdedigers steeds meer de eerste opbouw verzorgen én dat er veel winst te behalen valt in de eindpass. Zojuist vertelden wij al, dat dit voor ons aandachtspunten zijn waar nog veel ontwikkeling in zit.”
 
Jullie hebben de spelers slechts een paar keer per jaar enkele dagen bij elkaar. Hoeveel invloed hebben jullie op hun ontwikkeling bij hun club.
Wiegman: “Sinds Nederland in 2009 voor het eerst op een eindtoernooi in actie kwam, hebben de spelers zich dusdanig ontwikkeld dat ze nu dagelijks op het allerhoogste niveau met voetballen bezig zijn. Door het bekijken van wedstrijden (live en op beeld) blijven wij op de hoogte van hun situatie, maar het belangrijkste blijft het persoonlijke contact. Wij proberen ze te helpen in hun ontwikkeling door feedback te geven op hun kwaliteiten en ontwikkelpunten. Want die willen we graag zien. Wat onderscheidt hen van anderen, wat kunnen ze goed en hoe kunnen ze zaken waar ze minder goed in zijn verdoezelen of verbeteren? Wij hopen dat de speler in kwestie er hetzelfde naar kijkt en onze opmerkingen meeneemt naar haar club.”
 

Veurink: “Ik wil nog even terugkomen op het gebruik van data. Natuurlijk geeft data belangrijke informatie, maar ons vertrekpunt is altijd de voetbalhandeling van een speler. Wij hebben bijvoorbeeld geen cijfers nodig om te zien dat Lineth Beerensteyn ontzettend explosief is. De vraag is hoe zij die explosiviteit gebruikt om achter de verdediging van de tegenstander in balbezit te komen en zo een kans creëert. Daar hebben wij het met haar over, data en beelden gebruiken wij daarbij ter ondersteuning.”
 
Wat kun je verder zeggen over de wijze waarop jullie de internationals coachen?
Wiegman: “Wij voeren inderdaad alles terug op de voetbalhandeling die een speler uitvoert. Dáár beoordelen en coachen wij op, naast houding en gedrag uiteraard. In elke spelsituatie hebben spelers een aantal keuzes, daaruit moeten zij de beste kiezen. Het gaat mij daarbij vooral om de intentie waarmee iets wordt uitgevoerd. Als iemand met een goede loopactie achter de verdediging van de tegenstander komt, maar de bal vervolgens verkeerd raakt, dan vestig ik liever de nadruk op die goede loopactie. Pas als de voorzet structureel mislukt, ga je het daarover hebben.”
 

Wat is het grote verschil in de huidige EK-cyclus ten opzichte van het WK?
Wiegman: “Het tempo, de duelkracht, de kwaliteit van de tegenstander, onze positie op het veld, het is allemaal anders. Wij zijn veel meer aan de bal en komen minder vaak én minder snel in alle vier de teamfuncties terecht. We kunnen vaker de bal rondspelen, tegen bijvoorbeeld Amerika ben je 'm veel sneller kwijt. De EK-wedstrijden hebben één groot voordeel: wij kunnen perfect het voetbal in de kleine ruimtes oefenen.”
 
Veurink: “Tegenstanders zien waar onze kracht ligt en zijn steeds beter in staat een goede organisatie neer te zetten en het ons moeilijk te maken. Dat vraagt aanvallend meer van ons. Met spelprincipes als in een zo hoog mogelijk tempo opbouwen en veel diepgang proberen we de linies van de tegenpartij uit elkaar te trekken.”
 
Wiegman: “Ik ben benieuwd hoe wij tegen de ploegen die wij in de kwalificatie treffen tot kansen komen. In de WK-kwalificatie kwamen we tegen Slowakije en Ierland moeilijk tot scoren, in de eerste wedstrijd voor het EK ging dat tegen Estland best goed. Tegen Turkije was het weer iets minder, maar daar staat tegenover dat het doelpunt van Daniëlle van de Donk van wereldklasse was. Ik vind dat wij in beide duels al veel beter speelden dan tegen Slowakije. Het team is duidelijk gegroeid, wij zullen per tegenstander een uitdaging proberen te zoeken.”
 

We hebben net uitgebreid het rapport besproken. Een dag na het congres was de Voetballer van het Jaar-verkiezing waar Sari van Veenendaal werd uitgeroepen tot beste keeper van de wereld.
Wiegman: “Daar zijn wij met z'n allen verschrikkelijk trots op. Sari heeft een pittig en moeilijk jaar achter de rug en speelde een geweldig toernooi. Haar uitverkiezing was dik- en dikverdiend.”
 
Veurink: “Sari is niet alleen een goede keeper, ze is ook een voortreffelijke teamspeler die verder kijkt dan haar eigen prestatie. Zij was en is een verbindende schakel en helpt spelers én staf om samen te presteren.”
 
Tot slot: we hebben het vooral over balbezit en aanvallen gehad. Is dat typisch Nederlands of past dat bij jullie?
Wiegman: “Het eerste wat Arjan zei, is dat wij willen bepalen hoe de tegenstander aanvalt. Ons spel begint met een goede verdedigende organisatie en het houden van de nul. Daar trainen we al een aantal jaren op en voor het WK hebben wij het met de spelers bijvoorbeeld specifiek gehad over meedogenloos verdedigen in de buurt van het eigen strafschopgebied. Eén van onze principes is dat we verdedigend eerst goed willen staan en dan pas de bal afpakken. Wij zijn zover in onze ontwikkeling dat die basis staat. Maar wij zijn wel zo avontuurlijk dat we de ploeg graag zien aanvallen. We hebben er ook genoeg creatieve spelers voor. Gedurende de EK-kwalificatie zullen wij veel vaker de bal hebben dan tijdens het WK. Dat is niet alleen wat wij willen, maar ook goed voor de ontwikkeling van onze aanvallende kwaliteiten. Daar zit echt nog voldoende rek in.”

 
Enkele opvallende cijfers uit het FIFA-rapport.
 
Algemeen
- 87% van de wedstrijden werd gewonnen door het team dat het eerst scoorde
Wereldkampioen Amerika scoorde in elk duel binnen 13 minuten, behalve in de finale tegen Nederland
- 27 van de 146 doelpunten viel uit een kopbal
- Slechts 9% van de passes werd lang gespeeld
- 61% van de balveroveringen vond plaats binnen 7 seconden
- De keepers hadden een reddingspercentage van 70%
- 24% van de strafschoppen werden gestopt 

Nederland
- 5 doelpunten kwamen voort uit open spel, 6 uit standaardsituaties
- 4 tegengoals kwam voort uit open spel, 1 uit een standaardsituatie (strafschop)
- Gemiddeld aantal schoten op doel per duel: 13,1 (gemiddelde alle ploegen: 12,9)
- Sari van Veenendaal kreeg gemiddeld per duel 4,1 schoten te verwerken (toernooigemiddelde 4,4)
- Nederland had gemiddeld 8,4 schoten nodig voor een goal (toernooigemiddelde 9,2, Amerika 5,1)
- Sari van Veenendaal verrichte de meeste reddingen: 21 

 
 
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen