Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Cognitieve vaardigheden toepassen in het voetbal
| Bedankt voor uw mening!
Maandag 10 Februari 2020


Waarom is een bepaalde speler zo goed? Vaak antwoorden trainers hierop met begrippen als ’hij heeft een goed inzicht’ of ’hij ziet het spelletje’. Maar wat betekenen deze begrippen? Om dit te vertalen naar cognitieve functies heeft wetenschapper Lot Verburgh, met hulp van promotor Paul van Lange, onderzoek gedaan aan de VU en een cognitieve test voor spelers ontwikkeld.

 Tekst: Andre Krul : Beeld: Gerrit van Keulen en privéfoto's

Lot Verburgh is in 2015 aan de VU gepromoveerd met een onderzoek naar de cognitieve functies aandacht, geheugen en inhibitie bij kinderen (8-12 jaar), jongeren (12-17 jaar) en jongvolwassenen (18-30 jaar), en wat de invloed van bewegen op deze functies is. Het tweede deel van het onderzoek ging over neurocognitief functioneren en de motorische vaardigheden van jonge topvoetballers. In dit artikel zoomen we in op de cognitieve vaardigheden die onderzocht zijn en hoe trainers op alle niveaus hier hun voordeel mee kunnen doen.

Vraag uit de voetbalwereld
Verburgh vertelt dat het onderzoek is ontstaan na een vraag die zij vanuit de voetbalwereld kreeg. “Bij een professionele club kan iedere trainer wel de twee grootste talenten van een bepaalde lichting aanwijzen, en vaak komt dan ook uit dat deze talenten uiteindelijk doorstromen naar de hoogste jeugdteams en het eerste. Er is in elk team ook een vrij grote middengroep van jongens die niet bovenmatig uitblinken op bijvoorbeeld technische aspecten, maar anderzijds wel goed kunnen scoren op tactisch gebied of sociaal vlak.”

Als antwoord op de vraag hoe deze middengroep te herkennen is en verder te ontwikkelen - er zijn natuurlijk altijd talenten die pas later komen bovendrijven, de zogeheten laatbloeiers, waarvan Ruud van Nistelrooij een goed voorbeeld is - zijn de cognitieve testen wellicht een goed hulpmiddel. Geen enkele club wil immers potentiele toppers wegsturen. Daarnaast is het interessant om het vage begrip ’hij ziet het spelletje’ te vertalen naar herkenbare cognitieve vaardigheden.

Grote verschillen in cognitief vermogen
In het onderzoek van Verburgh is duidelijk naar voren gekomen dat er grote verschillen zijn tussen de cognitieve functies van inactieve kinderen, amateurvoetballers en talentvolle voetballers. Talentvolle voetballers scoren op enkele gebieden – volgehouden aandacht, ruimtelijk werkgeheugen en inhibitie – duidelijk hoger dan de andere onderzochte groepen. Paul van Lange, als sociaalpsycholoog al bijna dertig jaar verbonden aan de VU en dus als promotor betrokken geweest bij het onderzoek van Verburgh: “Als je kijkt naar mensen die weinig aan sport doen en dat vergelijkt met mensen die veel aan sport doen en mensen die goed in voetballen zijn, zie je grote variatie in het cognitieve functioneren. Voornamelijk de aandacht, concentratie, motorisch leren en het ruimtelijk inzicht zijn hierbij van cruciaal belang. Het gaat hierbij om de functies die nodig zijn om dat wat je in je hoofd hebt te kunnen vertalen naar wat je doet. Deze functies zijn bij sommige mensen veel beter ontwikkeld dan bij anderen. Ook binnen teams, zowel bij amateurs als profs, zitten er grote verschillen tussen personen.”

Omdat er tussen alle mensen grote verschillen zitten, zitten er dus ook verschillen tussen het cognitieve functioneren van de trainer en de spelers. Een probleem waar oud-topvoetballers die trainer worden bij een club op een lager niveau weleens tegen aanlopen, is dat het voor hen moeilijk voorstelbaar is dat wat zij ‘zien’, de spelers niet, of juist wel zien, maar daar niet snel genoeg naar kunnen handelen. Voor deze trainers kan het nuttig zijn om de spelers een aantal tests te laten uitvoeren die Verburgh heeft ontwikkeld: om uit te vinden wat dat ’zien’ dan precies inhoudt op cognitief gebied, om hun spelers beter te leren begrijpen, en om de spelers oefenstof aan te bieden, zodat zij zich op dit gebied kunnen ontwikkelen.

Geheugen en inhibitie
De cognitieve tests van Verburgh, waar jeugdspelers bij tal van profclubs zoals FC Utrecht en FC Groningen voor het onderzoek aan zijn onderworpen, worden door de spelers uitgevoerd op de computer. Een voorbeeld uit de test op het gebied van geheugen gaat als volgt. In een rooster lichten in verschillende vakken één voor één een aantal bollen op, die erna weer verdwijnen. De speler moet vervolgens in het lege rooster precies aangeven waar en in welke volgorde de bollen oplichtten. Om dit testvoorbeeld te vertalen naar een situatie op het veld kan worden gedacht aan een volgende situatie: voordat een speler de bal ontvangt weet hij de positie van zijn medespelers ten opzichte van de tegenstanders, maar weet hij dat ook nog wanneer hij de bal daadwerkelijk ontvangen heeft en zijn aandacht ook gericht is op zijn balbehandeling? Het ’zien’ van de situatie hangt dus sterk af van het cognitieve functiegeheugen.

Uiteraard veranderen de posities van medespelers en tegenstanders continu en daarom volgen dus in razend tempo verschillende situaties zich op. Hierbij komen we op de volgende cognitieve functie: inhibitie, oftewel het reguleren/remmen van gedrag en het kunnen uitstellen van keuzes. In de test wordt dit onder meer onderzocht door zo neutraal mogelijke plaatjes te gebruiken, in dit geval afbeeldingen van vliegtuigen. De deelnemers moeten op verschillende knoppen drukken wanneer het vliegtuig dat in beeld verschijnt naar rechts wijst en wanneer het vliegtuig naar links wijst. Behalve wanneer er een kruis door het vliegtuig staat moet er helemaal niet gedrukt worden. Op deze manier moet er dus steeds zo snel mogelijk een keuze worden gemaakt, terwijl deze keuze soms weer geremd moet worden.

 


In het voetbal is het volgende voorbeeld treffend. Een aanvaller duikt vrij op voor de keeper en staat op het punt om hard uit te halen richting de hoek, tot hij vanuit zijn ooghoeken ziet dat de keeper zich in de baan van het schot wil werpen, waarna de aanvaller op het laatste moment besluit om zijn keuze te veranderen: in plaats van een hard geplaatst schot kiest de aanvaller voor een subtiel stiftballetje over de keeper heen. De mensen langs de kant zullen spreken van genialiteit of vernuft, maar Verburgh en De Lange zien het voornamelijk als een hoge mate van inhibitie.

Tafeltennis
De Lange vertelt dat er zeker op cognitieve vaardigheden getraind kan worden, maar dat er wel rekening moet worden gehouden met beperkingen. “Het cognitieve functioneren kan uitgebouwd worden, maar er zit zeker wel een begrenzing aan. Wat ik trainers bij amateurclubs voornamelijk zou adviseren is om spelers om zich heen te leren kijken, ook wanneer zij de bal niet hebben. Dit is iets wat de meesten niet automatisch doen. Vaak zijn het de echte toppers die hier continu mee bezig zijn, zoals vroeger Johan Cruijff en Jari Litmanen. Maar door als trainer spelers erop te wijzen dat ze steeds om zich heen moeten kijken en dit ook te controleren, kan iedereen beter worden op het gebied van ruimtelijk inzicht.

Om de motorische vaardigheden te trainen kan het volgens de hoogleraar een goed idee zijn om tafeltennis te spelen. “Tafeltennis kan volgens mij erg functioneel zijn om je hersenen te trainen. Je moet heel snel op de bal reageren zonder dat je precies kunt voorspellen waar de ander naartoe slaat en waardoor je continu moet schakelen in je hoofd. Steeds op het laatste moment moet je een verandering doorvoeren en een keuze maken.” Verburgh vult De Lange aan met een voorbeeld uit het hockey. “Toen ik zelf hockeyde werd er door de trainer tijdens de training soms plotseling op een fluit geblazen, waarna het spel stopgezet werd en de speelster in balbezit moest aangeven welke opties er waren om de bal naar toe te spelen. Op deze manier werd je bewust gemaakt van je kijkgedrag.”

Door als speler eerst bewust te zijn van het kijkgedrag en hier vervolgens gericht mee aan de slag te gaan, is voor Verburgh en De Lange dus een goede manier voor de speler om zich op cognitief vlak te ontwikkelen. De Lange heeft al verteld dat er grenzen zijn, Verburgh legt dit verder uit. “Als speler kun je je goed aanleren om continu om je heen te kijken, maar uiteindelijk gaat het erom wat je ermee doet. Wanneer de informatieverwerking niet snel genoeg is en/of de motorische acties niet goed zijn, en de speler niet goed weet wat hij ermee moet, zal hij nooit helemaal top worden. Uiteindelijk werken de cognitieve functies altijd samen.”

Oefenstof
Wel wil Verburgh duidelijk maken dat het voor trainers goed is om oefenstof aan te bieden om kijkgedrag (zie oefenvorm 3065 van De Oefenstof Database) en ook inhibitie (zie oefenvorm 3066 van De Oefenstof Database) te verbeteren. “Sowieso is het altijd het beste, en dit is gebleken uit onderzoeken die zijn uitgevoerd in het tennis en honkbal, dat bepaalde aspecten terugkomen in de naar de sport gerelateerde spelsituaties op het trainingsveld in plaats van in een labsetting.” Bij een labsetting kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een bord met lichtjes waarbij de speler zo snel mogelijk het lichtje moet aantikken dat oplicht.

“Ook het spelen van PlayStation, wat weleens wordt beweerd, zal weinig bijdragen aan het verbeteren van cognitieve functies als voetballer, omdat hierbij voornamelijk fijn motorische handelingen worden getriggerd, in plaats van de grof motorische handelingen die in het voetbal nodig zijn. Het is beter om tijdens een training spelers in situaties te brengen waarbij ze heel snel moeten schakelen in het maken van keuzes, dus inclusief de oog-voet coördinatie. Een middenvelder met de bal aan zijn voeten heeft bijvoorbeeld vaak zo’n drie of vier afspeelmogelijkheden, waarvan er één leidend is in zijn hoofd. Het kan zijn dat de speler in zijn hoofd de keuze al heeft om naar rechts te passen. Als trainer wil je, om de inhibitie te verbeteren, de verdediger forceren om op het laatste moment een van de andere afspeelmogelijkheden te benutten. In de wedstrijd kan namelijk altijd een externe factor ervoor zorgen dat de speler plotseling een andere keuze moet maken, bijvoorbeeld wanneer de middenvelder ziet dat zijn medespeler rechts vrijstaat, maar plotseling uitglijdt.”

“Om dit tijdens een training na te bootsen kan de trainer tijdens een partijspel bijvoorbeeld op elk moment een aantal nieuwe spelers inbrengen met een ander kleur hesje aan, waardoor de speler die de bal aan de voet heeft plotsklaps andere keuzes kan en moet maken”, vult Paul van Lange aan.

 


Voorzichtig
Al met al kan het onderzoek en de daarbij horende cognitieve test van Lot Verburgh bijdragen om het cognitieve vermogen van spelers op alle niveaus in beeld te brengen, wat kan helpen bij talentherkenning en spelersontwikkeling. Wel zijn Verburgh en De Lange voorzichtig om hier grote conclusies aan te verbinden. Verburgh: “Het onderzoek wat ik verricht heb is eigenlijk nog iets wat in de kinderschoenen staat. Het is bijvoorbeeld nooit onderzocht of spelers die op cognitieve testen supergoed scoren ook de spelers zijn die Ajax 1 hebben gehaald of een enorme carrière aan het doorlopen zijn. Er zijn natuurlijk ook altijd omgevingsfactoren van invloed, zoals motivatie, zelfregulatie en de thuissituatie van spelers.

Wellicht kan het meenemen van cognitieve functies ooit wel een onderdeel zijn van de scouting. “In de klassieke scouting is het vaak het oog van de meester wat bepalend is, tegenwoordig wel aangevuld met cijfers en statistieken om een objectiever beeld te kunnen vormen. Hierin zou je een cognitief onderzoek ook kunnen meenemen. Of het kan een aanvullende factor zijn wanneer er twijfel is tussen twee spelers. Het is natuurlijk een heel specifiek en klein onderdeel van het voetbal, maar het zijn details die het verschil maken in de sport, ook op amateurniveau. Zo laat recenter Zweeds onderzoek zien dat spelers met uitmuntende cognitieve vaardigheden beter presteerden tijdens het seizoen: het is dus zeker iets om rekening mee te houden.”

Nieuw onderzoek
Wat erg interessant kan zijn is om een onderzoek te verrichten waarbij er twee groepen met elkaar worden vergeleken. Na een eerste cognitieve test gaat een groep spelers met oefeningen op het veld aan de slag en een andere groep blijft op dezelfde manier trainen, waarna na verloop van tijd de test herhaald wordt en waarbij ook de prestaties op het veld in beeld gebracht worden. Zo kan echt worden gezien in welke mate spelers zich kunnen ontwikkelen vanuit het cognitieve perspectief. Dit blijkt echter complex in opzet te zijn. Paul van Lange: “Het onderzoek richt zich bijvoorbeeld op waarneming in situaties waarin iemand een goed overzicht heeft over alle keuzemogelijkheden en over voldoende tijd beschikt. Maar op het voetbalveld kan een speler worstelen met controle over de bal en daardoor maar een heel beperkt overzicht hebben van de situatie op dat moment. Niet alles kan worden ingebouwd in een wetenschappelijk onderzoek of een test. Het uitgangspunt van een psychische of cognitieve test is inzicht geven in de mogelijkheden, dus wat iemand in principe tot zijn beschikking heeft. Vervolgens is het een kwestie van wat de speler met zijn mogelijkheden doet en moet dit in de training worden uitgebouwd.”

Lot Verburgh op haar beurt zou, alhoewel tegenwoordig werkzaam in het bedrijfsleven, erg nieuwsgierig zijn naar nieuw aanvullend onderzoek op het gebied van het trainen van specifieke cognitieve vaardigheden die in voetbalprestaties cruciaal zijn. “Op dit moment ben ik niet meer met onderzoeken bezig, maar het zou zeker interessant zijn als er meer onderzoek komt naar cognitieve vaardigheden bij spelers. Om verbetering meetbaar te maken moet er dan eerst een 0-meting worden uitgevoerd, zoals bij fysieke metingen als de coopertest of opdrukken ook gebeurt.”

Veel clubs meten aan het begin van een nieuw seizoen de conditie van spelers met allerlei testen, waarvan de shuttle-runtest wel de bekendste is, en herhalen dit op gezette tijden in het seizoen om zo de fysieke ontwikkeling in de gaten te houden. Uiteraard kan de cognitieve test periodiek herhaald worden, bijvoorbeeld twee keer per jaar. Tijd en geld blijken echter volgens Verburgh belangrijke obstakels te zijn voor uitgebreider onderzoek.

“Onderzoek doen kost veel tijd en dus ook geld. Een club als Ajax is bereid om te investeren in onderzoek en wetenschappers, maar voor veel kleinere clubs is het een te grote kostenpost. Wat een goed idee kan zijn is dat clubs gaan samenwerken, waarbij clubs met een ruimere begroting bijvoorbeeld meer zouden kunnen investeren dan kleinere clubs. Vanuit het oogpunt van concurrentie hoeven clubs dit ook niet te laten, aangezien er eerst bewijs verzameld moet worden voordat clubs er daadwerkelijk hun voordeel mee kunnen doen.” Het is dus aan de clubs om nog meer te weten te komen over het cognitieve vermogen van spelers, maar elke ambitieuze trainer kan in ieder geval al putten uit de door Verburgh en De Lange gegeven informatie om zijn spelers nèt ietsje beter te maken.
 
Wil je het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen