Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Trainerspanel: indraaiende of uitdraaiende corner?
Dinsdag 11 April 2017
Waar kies jij voor als trainer? Een indraaiende of uitdraaiende corner? Wij vroegen aan vier trainers die werkzaam zijn in het Nederlandse amateurvoetbal voor welke variant ze kiezen en waarom.

Tekst: Rogier Cuypers

Paul van der Palen (VV Gestel)
“We kiezen in principe altijd voor de indraaiende corner. Daar hebben we twee varianten voor: bijvoorbeeld de bal richting de eerste paal die wordt doorgekopt, zodat ook eventueel kleinere spelers er vervolgens hun hoofd of voet tegenaan kunnen zetten. De andere variant is de bal richting de tweede paal waar vier, vijf man bij elkaar staan en van daaruit bewegen. Mocht de tegenstander met een keeper spelen die goed is op hoge ballen, dan kiezen we voor de korte corner. De reden dat we voor de indraaiende corner kiezen, heeft te maken dat mijn kopsterke spelers dan dichter bij de goal staan. In principe is vanwege het effect van een uitdraaiende corner een dergelijke voorzet wel makkelijker te koppen voor een aanvaller. Als ploeg hebben we het meeste succes met de variant waarbij de spelers bij de tweede paal staan. Het succes van corners en de variant die wij nemen, hangt dus af van de tegenstander: hebben ze kopsterke verdedigers of een lange keeper? Maar natuurlijk ben je ook afhankelijk van jouw eigen spelers. Voor de winterstop waren we succesvoller, omdat na de winter we niet konden beschikken over al onze kopsterke spelers. Echt turven hoe vaak we scoren uit corners doe ik niet, al houd ik wel al 25 jaar een boekje bij met korte wedstrijdverslagen.”
 
Richard Douw (SV Loosduinen)
“We spelen altijd de indraaiende corner. Die laten we bij de eerste paal vallen en vervolgens komen de kopsterke spelers inlopen vanaf de rand zestien meter. Daarmee wordt ook het zicht voor de keeper belemmerd. We draaien de bal dan scherp in: soms schampt een eigen speler de bal en gaat hij erin, we hebben ook wel eens gehad dat een tegenstander een eigen goal maakt of we koppen de bal door op de inlopende mensen. We kunnen hier niet veel op trainen, omdat de selectie daar niet groot genoeg voor is. Als we de kopsterke spelers dan als aanvallende partij opstellen, hebben we geen kopsterke verdedigers om tegen te trainen. Al met al zijn we relatief succesvol met deze manier van corners nemen: vijf treffers uit veertig pogingen vind ik niet slecht.”
 
Lees ook: De special 'Het variëren van de vrije trap'

Pim van der Hoorn (HVC ’10)
“Bij de indraaiende corner sta je dichter in het vijf meter gebied en mijn ervaring is dat het voor aanvallers lastiger is om tegen een uitdraaiende corner aan te lopen. De bal is namelijk dichter bij de keeper en een uitdraaiende corner heeft een langere balbaan en er is dus vaker de mogelijkheid voor verdedigers om hem weg te koppen. Daarom kiezen we voor de indraaiende bal. Als een keeper van de tegenstander heerst in zijn doelgebied, dan kiezen we voor de korte corner of leggen we een bal bij de eerste paal. Dat ondervangen we op die manier. Als we drie keer in de week trainen, pakken we de corner erbij. Bij twee keer niet. We maken uiteraard wel afspraken en ik denk dat we er wel eens per maand aandacht aan besteden. Dit seizoen hebben we vijf keer gescoord uit corners, niet heel veel dus. Ik houd niet alles exact bij, ondanks dat data belangrijk kunnen zijn. Maar -met alle respect – we spelen op tweede klasse niveau. Ik ben inmiddels tien jaar hoofdtrainer en op het niveau van de tweede klasse is de indraaiende corner effectiever. Maar als een bepaalde ploeg al drie jaar een uitdraaiende corner neemt en is daarmee succesvol, dan ga ik dat niet aanpassen.”
 
Kenan Durmu?o?lu (Luctor et Emergo)
“Wij nemen zowel de in- als de uitdraaiende corner, omdat we een cornerspecialist hebben die alle ballen neemt. In mijn beleving is de indraaiende bal gevaarlijker en als de cornernemer geblesseerd is, kies ik honderd procent voor een indraaiende bal. Bij een indraaiende bal richting de keeper met wat spelers in zijn buurt, ziet hij de bal slecht aankomen. Wij hebben ook altijd een speler in de buurt van de keeper die het hem lastig maakt om uit te komen. Als een keeper sterk is in hoge ballen, dan proberen we de bal tussen de vijf meter en de penaltystip neer te leggen. Het is natuurlijk ook mogelijk om mijn linksback –die ook een prima trap heeft-  de bal indraaiend te nemen, maar bij een afgeslagen corner duurt het op dit niveau natuurlijk erg lang voor hij van rechtsbuiten terug in zijn positie is.”
Soortgelijke artikelen