Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Het trainen van kijkgedrag
| Bedankt voor uw mening!
Vrijdag 21 April 2017
Jan van Norel was vorig jaar één van de gastsprekers tijdens de Dag voor de Divisietrainer. Van Norel, die bewegingswetenschappen gestudeerd heeft aan de universiteit in Groningen, sprak daar over  het belang van kijkgedrag bij voetballers. Immers, voetbal speel je met het hoofd. We spraken hem om te vragen over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van kijkgedrag.
 
Tekst: Paul van Veen
 
“We zijn bij Vitesse (waar Van Norel sinds juli 2014 werkzaam is als inspanningsfysioloog - PV) nog steeds druk bezig het met het kijkgedrag. We werken samen met de universiteit van Groningen, waarmee we twee projecten gaan draaien over het kijkgedrag. Er zal een project gaan over het kijkgedrag in virtual reality en we hebben een project die gaat kijken wat een oefenvorm oplevert qua kijkgedrag. We hebben een simpele vorm ontwikkeld, waarvan wij denken dat we kijkgedrag kunnen stimuleren, maar we moeten natuurlijk wel weten of we dat ook terug zien in de praktijk.”
 
“We doen het ook nog steeds in de warming-up, zoals ik toen ook al liet zien. Ook hier laten we nog steeds spelers door elkaar heen lopen, laten we spelers in één vak laten komen (hetzij tegelijk, hetzij net iets na elkaar), waardoor ze steeds moeten kijken waar de andere spelers zijn. Natuurlijk is dit steeds onderwerp van discussie, we willen namelijk steeds kijken of het ons wat oplevert en of het beter kan.”
 
“Het kijkgedrag doen we bijvoorbeeld ook in pass- en trapvormen. Veel trainers zie je een paar dopjes uitzetten en gaan dan van daaruit passen en trappen. Maar als je dan gaat analyseren wat dat oplevert, dan zie je dat spelers in dat soort vormen eigenlijk alleen maar naar de bal kijken (het zogenaamde ball-watching). Wij willen graag dat spelers zich moeten oriënteren, dat ze de snelheid van een medespeler moeten inschatten, vervolgens zelf gaan bedenken in welke richting ze de bal moeten spelen en welke snelheid ze een bal moeten meegeven. Ook willen we ze dwingen dat ze een vooractie moeten maken. Daardoor moeten ze eerst achterwaarts bewegen, dus goed moeten weten waar ze nu zijn en waar ze naar toe moeten lopen. Dat vraagt weer een stukje patroonherkenning en een stukje werkgeheugen.”
 
“Als we een dergelijke vorm trainen, dan tekenen we het soms eerst voor de speler uit op het bord, dan laten we het patroon zien dat ze moeten volgen in een animatie zien en vervolgens gaan we naar buiten en doen we de vorm. Deze vorm wordt ook weer gefilmd en tenslotte geëvalueerd. Het is voor de speler belangrijk om terug te kijken, niet alleen naar de vorm, maar ook voor de speler om de positieve dingen en de verbeterpunten er uit te halen.”
 
Zie je vooruitgang?
“Dat is altijd moeilijk om te zeggen. Je kunt niet zoals bij een snelheidstest een nulmeting doen en later een hermeting doen. Het kijkgedrag is veel complexer. Je kunt wel meten hoeveel hoofdbewegingen een speler maakt, maar daar aan gekoppeld zit natuurlijk een uitvoeringscomponent: welke beslissing maakt een speler en wat is het gevolg van zijn beslissing? Om dit toch een inzichtelijk te maken, zijn we bezig om een passmatrix te maken. Daarin houden we bij waar spelers op het veld de bal ontvangen, waar de pass naar toe gaat en of die pass succesvol aan komt.”
 
“Wel zien we dat spelers makkelijker omgaan met complexe situaties. Dat merken we doordat we steeds complexere situaties voor de spelers moeten creëren om de training uitdagend te houden. Maar de echte winst moet uiteindelijk op het veld liggen doordat spelers snellere en betere keuzes in handelingen (loopacties en passen) maken.”
 
“In die simpele vorm waar ik het net over had moeten vier verschillende mensen een vooractie (dus uit en in de bal) maken om een air body heen, de bal aannemen, open draaien en dan kijken waar de persoon is waar ze naar toe moeten spelen. Die persoon waar de bal naar toe komt moet ook een vooractie maken en door bewegen. Er zijn dus allemaal lopende mensen en daar zitten ook weer obstakels in. Denk aan air body’s en personen die bewegen. Dat zijn juist de momenten die het complexer maken.”
 
“Je moet als trainer wel goed nadenken of je meteen met deze vormen gaat beginnen. Er zijn nog genoeg spelers die moeite hebben om een bal goed aan te nemen en zijn gewone pass- en trapvormen prima vormen. Maar als spelers op een gegeven moment een redelijk niveau hebben en je niet die aanname wilt trainen, maar een speler wilt leren op het juiste moment op de juiste plek te zijn, de bal met de juiste snelheid mee te geven, leert om ruimtes in te schatten, maar dat hij ook leert om zich heen te kijken waar spelers zijn, dan moet je echt andere oefenvormen aanbieden dan een pass- en trapvorm waar je van A naar B passt. Je moet bij de keuze van een oefenvorm altijd nadenken wat je doel is.”
 
“Je ziet ook wel eens oefenvormen waarbij spelers moeten kijken naar het aantal vingers dat opgestoken wordt of een handeling moet verrichten op basis van een hesje dat in de lucht gestoken wordt (bijvoorbeeld in de rug van een speler). Deze vormen doen wij ook wel eens, maar uiteindelijk brengen wij spelers liever in een situatie dat ze naar een voetbalspecifieke situatie (waar spelers door elkaar lopen) moeten kijken. Dan beleeft een speler een situatie echt en je wilt dat spelers in dat soort situaties onbewust bekwaam worden. Maar ook hier geldt weer: als jij een spits hebt, die nooit over de schouder kijkt, dan kan dit een mooie eerste stap zijn.”

Oefenvorm 1: Simpele oefenvorm (1)

In de warming-up maakt Vitesse vaak gebruik van oefenvormen waarin er vier groepen spelers zijn, een centraal vierkant (afgebakend met palen) en daarin een airbody. In deze startvorm lopen spelers gewoon diagonaal door het vierkant en kunnen daarin allerlei warming-up vormen doen.

Oefenvorm 2: 

In deze tweede oefening in dezelfde organisatie lopen de spelers om de eerste pylon, daarna achteruit terug en lopen daarna diagonaal door. Spelers lopen continu door. 

Oefenvorm 3

In deze oefenvorm starten er steeds vier spelers (van elke groep één) tegelijk. In het midden aangekomen moeten ze bij de airbody in de lucht springen en terwijl ze in de lucht hangen moeten ze de handen van de speler links en rechts aantikken. Dit betekent op het juiste moment springen, op het juiste moment de handen aantikken en dat allemaal op elkaar afstemmen. 

Oefenvorm 4

In deze vorm in dezelfde organisatie zijn er vier posities waar een bal aanwezig is. Spelers lopen tegelijkertijd om de airbody, bieden zich vervolgens schuin aan, krijgen de bal aangespeeld en nemen vervolgens de positie over

Oefenvorm 5

Je kunt er ook voor kiezen om een andere bal te vragen, bijvoorbeeld de bal aan de overzijde. Je kunt dit natuurlijk ook weer combineren met een loopactie om de airbody of één van de palen in het midden. De mogelijkheden zijn eindeloos.

Oefenvorm 6: Positiespel 

Deze oefenvorm is een standaard positiespel 3 tegen 3 met 3 neutrale spelers

Oefenvorm 7: Positiespel stap 2

In deze volgende stap van het positiespel hebben we het iets moeilijker gemaakt voor de twee teams die op balbezit moeten spelen. Zij spelen namelijk in dezelfde kleur hesjes (of zonder hesjes), alleen de neutrale spelers hebben nog hesjes aan.

Oefenvorm 8: Positiespel (3)

In deze stap speelt iedereen in hetzelfde kleur hesje of heeft niemand meer een hesje aan. Verstandig is de positiespelen in deze volgorde op te bouwen (zodat spelers weten wie hun teamgenoten zijn of spelers even de tijd te geven om de teams te bekijken)

Oefenvorm 9: Pass- en trap

In deze pass- en trapvorm maakt eerst speler 3 de loopactie, om de ruimte vrij te maken voor speler 1. Speler 4 speelt naar speler 1, die kaatst op speler 3 en vervolgens wordt de bal op speler 5 gemaakt die een loopactie maakt (om een paal). Speler 1 neemt de positie van speler 5 over

Daarna maakt speler 4 meteen de loopactie naar speler 6, speelt speler 6 speler 2 in, die kaatst op speler 4, etc.

We kiezen er hierbij bewust voor om in het midden geen pylonen neer te zetten, omdat de spelers zelf de afstanden moeten leren inschatten

Oefenvorm 10: Afronden met trainer achter het doel

In deze afrondvorm willen we dat de spits voor de kaats kijkt welk hesje de trainer achter het doel in de lucht steekt en roept welke kleur het is. Dit is de meest eenvoudige vorm om een spits te leren om om zich heen te kijken.

Oefenvorm 11:

In deze vorm moet de spits, alvorens hij doordraait en op doel schiet, over zijn schouder kijken welk kleur hesje de trainer in de lucht steekt. Als hij het goed heeft, mag hij afronden. Een andere regel kan zijn dat een geel hesje in de linkerhoek afronden is en een rood hesje in de rechterhoek (of hoog-laag).

Tips bij oefenvormen
- Belangrijk is om de hersenen van de spelers steeds uit te dagen. Als speler een bepaald patroon onder de knie hebben, dan is het tijd om het patroon weer aan te passen. Er zijn natuurlijk legio variaties mogelijk.
- Jan van Norel maakt graag gebruik van palen waar een speler om heen moet rennen in plaats van een dopje. Over een dopje kun je namelijk makkelijk heen hangen, bij een paal moet je er echt omheen (is wedstrijdechter).

 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen