Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Peer review: spelers elkaar laten helpen ontwikkelen in het jeugdvoetbal
| Bedankt voor uw mening!
Dinsdag 8 Augustus 2017

Aan het einde van zijn interview over Deliberate Play ging Bas van Baar in op de peer review. Wat is eigenlijk peer review precies? Waarom is het nuttig? Hoe breng je dit in de praktijk als voetbaltrainer? En waar moet je op letten voordat je met peer review aan de slag gaat? We gingen langs bij Bas van Baar voor antwoorden.

Tekst: Paul van Veen  | Beeld: Yvonne Jonkers (De Graafschap)

Peer review is het geven van feedback tussen gelijken (peers). Dus in plaats van dat de voetbaltrainer feedback geeft aan de speler, wordt deze feedback gegeven door een andere speler. Het blijkt dat als peers elkaar informatie geven, dat dit vaak een krachtig effect heeft.
 
Informatieavond
In een vorig interview gaf Van Baar het voorbeeld van de informatieavond voor kinderen uit groep 8 die naar het voortgezet onderwijs gaan. Op die avond wordt ook een presentatie gegeven door kinderen die al in de brugklas zitten. Van Baar: “Kinderen vertellen vaak andere dingen dan wij als volwassenen vertellen. Ze vertellen over hoeveel huiswerk ze krijgen, of de leraren aardig zijn en of ze een kluisje hebben. Details die voor ons als volwassenen vaak onbelangrijk of als bijzaak lijken, maar voor de kinderen is dit van wezenlijk belang.”

Zelfde taal 
Zo geldt het ook voor peers. Doordat zij dezelfde ‘taal’ spreken kan de ontvanger zich beter in de feedback herkennen. Deze methode wordt dan ook in het bedrijfsleven vaak toegepast.

Werkvorm 
Van Baar: “Een eenvoudige werkvorm waar je een start zou kunnen maken met peer review is een vorm waarin de spelers bijvoorbeeld maar twee opties hebben. Zo had ik een keer op een flipover een foto van Dybala (Juventus) en een foto van Iniesta (Barcelona) geplakt en onder beide een specifieke kwaliteit van die spelers geschreven. Vervolgens vroeg ik de spelers wat ze die wedstrijd wilden laten zien. Spelers hoefden vervolgens alleen maar hun naam te zetten onder één van die twee spelers. Een eenvoudige keuze tussen A en B.”

Nadenken 
“Zeer eenvoudig, maar ze moeten er wel even over nadenken. Uiteindelijk kiest die ene speler voor A, omdat hij daar juist beter in wilt worden en de andere speler kiest voor A, omdat hij dat juist al heel goed kan en wil laten zien hoe goed hij dat kan. Allebei de redenen zijn uitstekend.”

Positief 
“Als peer review vraag je dan aan het eind van de wedstrijd aan iedereen die voor Iniesta heeft gekozen welke Dybala ze het erg goed vonden doen. Dan leren ze iets van elkaar te vinden, maar wel vanuit het positieve. Zo leer je ze nadenken over het spelen, moeten ze analyseren en moeten ze er uiteindelijk iets van vinden. Maar wel vanuit het positieve, dus veilig.”

“Een zelfde vorm vanuit het positieve is om op de training de opdracht te geven om goed te coachen en aan het einde van de training te vragen wie ze de opdracht erg goed vonden doen. Op die manier laat ik ze nadenken over het spel, moeten ze analyseren en moeten ze er uiteindelijk iets van vinden.”

Open aanpak
“Als je de stap wil maken naar een meer open aanpak, kun je bijvoorbeeld aan het einde van de training vragen wie er een compliment wil geven aan een andere speler. Dan moeten ze nadenken over wat er goed ging en proberen om dat te benoemen.”
 
“Een andere werkvorm om de spelers wat meer open feedback aan elkaar te geven is om tijdens de wedstrijdbespreking een flipover te maken met alle namen van de spelers er op. De opdracht is dat de groep over iedere speler iets op moet schrijven waar die specifieke speler goed in is. Dan zie je echt sommige jongens groeien en dat geeft heel veel positiviteit in een groep. De eerste keer dat ik dat zelf deed was ik een beetje bang of iedereen wel iets positiefs onder zijn naam kreeg, maar dat ging prima. Een groep voelt vaak haarfijn aan dat dat er natuurlijk bij hoort. Uiteindelijk kwam mijn groep over iedere speler wel met drie dingen en zag ik zelfs dat ze - de slimmeriken - ook mijn naam erbij hadden geschreven.”
 

Tips
“Als spelers gewend zijn om elkaar positieve feedback te geven, kun je beginnen om ook tips uit te wisselen. Let op dat je ook dit rustig moet opbouwen, ik zou zeker niet beginnen om iedereen elkaar maar tips te geven in de kleedkamer. Zeker niet door teamgenoten. Dat moet je rustig opbouwen. Een goede werkvorm om mee te beginnen is om na een training of wedstrijd te vragen wie er een tip zou willen hebben. Dan zijn er zeker een paar die dat zeker willen hebben, omdat ze lekker in hun vel zitten. Teamgenoten kunnen dan die speler een tip krijgen.”

Buddy-systeem 
“Het buddy-systeem (waarin spelers in tweetallen werken) is ook uitermate geschikt om het geven van tips aan elkaar te introduceren, met name omdat ze dan niet aangesproken worden waar iedereen bij is. Dat is minder confronterend. Je kunt hierbij kiezen voor een werkvorm waarbij er een doelstelling is (hetzij door mij aangegeven, hetzij door de spelers zelf gekozen) en dan moeten ze in de rust van een partijtje elkaar één compliment en één tip geven. Belangrijk is om hier goede spelregels over af te spreken, zoals normaal taalgebruik en rustig vertellen.”
 
“De volgende stap is dan weer om spelers elkaar een (ongevraagde) tip te geven in de kleedkamer. Daarnaast hebben we afgesproken dat we binnen de veilige muren van de kleedkamer dingen tegen elkaar kunnen zeggen die in de kleedkamer blijven. Want wij zijn een team en daar hebben anderen niet zoveel mee te maken. Dan kun je ook dingen ook echt benoemen. Daar mag je soms ook wel eens boos of verdrietig zijn.”

Uitbreiden 
“Een uitbreiding van het buddy-systeem zie je terug in onze POP-training. Daarin moeten ze zelf groepjes maken om aan hun POP te werken. Vervolgens gaan ze trainen in een samenstelling waar ze zelf over hebben nagedacht en daarin geven ze elkaar ook weer feedback. Onlangs hadden vijf spelers echt een goede vorm verzonnen, een oefening met allemaal omschakelmomenten. Het mooie was om te zien dat daar heel verschillende type jongens in zaten en dat spelers dingen elkaar aan het uitleggen waren. Door dit soort werkvormen zie je de onderlinge verbondenheid groter en breder worden. Je ziet de spelers elkaar meer coachen en met elkaar communiceren, omdat ze dat gewend zijn.”
 

“Een ander voorbeeld is een combinatievorm. Stel je voor dat een oefenvorm in het teken staat van het schuin naar voren aannemen van de bal. Dan kun je beginnen met de spelers te vragen wie ze vinden dat dit al heel goed kan. Vervolgens kun je aan die speler vragen het nog even kort uit te leggen (of voor te doen) hoe hij dat doet. Het mooie hiervan is dat - net zoals het voorbeeld van de presentatie op school - dat hij de taal spreekt die de jongens aanspreekt. Daarnaast staat hij ook helemaal in de actie en komen ze met een detail waar jij zelf helemaal niet aan gedacht hebt. Je moet je als trainer realiseren dat je namelijk buiten de actie staat en uiteindelijk spelers opleidt om binnen de actie beslissingen te nemen. Daarnaast is het voor zijn persoonlijke ontwikkeling goed, want hij moet het uitleggen.”

Begrip 
“Om nog meer begrip te krijgen voor elkaar zetten we ook wel eens onze linksbuiten op de plaats van de back, omdat hij het dan ook eens vanuit de situatie van de back ziet. Dan zien ze vanaf de andere kant hoe de linksbuiten moet bewegen om deze als back goed in te kunnen spelen of welke loopacties voor een back moeilijk te verdedigen zijn. Je in een ander kunnen verplaatsen geeft jezelf ook veel meer begrip.”
 
“Nog een werkvorm om spelers te leren iets ergens wat te vinden is, is om hun eigen prestatie te evalueren. Dat is geen onderdeel van peer review, maar zet spelers wel tot nadenken. Zo schrijf ik voor een training of een wedstrijd wel eens een DOENstelling op. Geen vage praat, maar een opdracht die we gewoon gaan doen. Na afloop laat ik dan de spelers evalueren en om dat weer eenvoudig (en duidelijk) te houden, kunnen ze kiezen uit drie smiley’s: een vrolijke smiley, een neutrale smiley of een verdrietige smiley.”

Veilig klimaat 
“Voordat je aan de slag gaat met bovenstaande werkvormen is het uitermate belangrijk te realiseren dat er een veilig pedagogisch klimaat aanwezig moet zijn alvorens je spelers dingen over elkaar laat zeggen. Dit bereik je door makkelijk te beginnen en steeds kleine stapjes te maken. Vervolgens is het belangrijk om de spelers te kennen, aandacht te hebben voor het groepsproces en dat je het proces op een positieve manier beïnvloedt. Zorg voor normen en waarden en een cultuur en daarna kun je met de werkvormen aan de slag.”
 
“Het bewaken van het kader waarin er gewerkt wordt is misschien wel jouw belangrijkste rol als trainer. Binnen het door jou aangegeven kader is er vrijheid en autonomie. Maar buiten het kader komen we niet. Als je deze methode voor het eerst gaat toepassen en je laat een speler in een open zin een doelstelling formuleren en verbeterpunten van elkaar benoemen, dan maak je het veel te complex. Jij bent de expert die dat kader aan moet bieden. Je hangt met een helikopterview boven het hele proces. Daarbij kun je prima er voor kiezen om jouw eigen verhaal te vertellen, omdat je dat zelf nuttig vindt. En soms kies je voor werkvormen waar de peer review in zit.”
 

“Het is en blijft een zoektocht wat wel en wat niet werkt. Dat hangt misschien ook wel van de groep af die je traint. Maar je moet jezelf dwingen om ook jezelf scherp te houden. Immers, voor je het weet val je weer terug in de trainer-gestuurde training en omgeving. Waarschijnlijk heb je meer verstand van voetbal als de spelers. Dus kun je gewoon zeggen: ‘Ik vertel gewoon alles wat ik weet’, maar dan mis je echt een kans. Een kans om ook de expertise van de spelers te gebruiken én te ontwikkelen.”

Voor zichzelf 
“Immers, wat ik misschien wel het belangrijkste vind bij het opleiden van spelers, is dat spelers het uiteindelijk voor zichzelf doen. Als ik boos moet worden, omdat een speler slecht traint, dan is er eigenlijk iets vreemds aan de hand. Dan lijkt het namelijk alsof ik heel graag wil dat een speler verder komt, maar als het goed is, is het ZIJN droom om profvoetballer te worden. Daarom moeten ze ook leren richting te geven aan hun eigen ontwikkeling.”

Helpen 
“Merk op dat het voor een kind van twaalf wel heel lastig is om zelf leerdoelen te hebben, maar je kunt een speler daar wel bij helpen. Mijn doel als trainer is om spelers te leren om het zelf te kunnen. Het geeft me dan ook veel voldoening als je ziet dat een speler uiteindelijk bepaalde dingen op kan pakken, bijvoorbeeld wanneer een speler uiteindelijk zelf doelen kan stellen en een plan kan maken hoe hij dat gaat proberen te halen. Dat maakt spelers minder afhankelijk van de trainer. Als ik hun trainer niet meer ben, dan moeten ze niet in een gat vallen. Of wanneer ze een trainer krijgen waarmee het minder klikt. Vaak vinden trainers dat fijn: als kinderen jou een prettige of goede trainer vinden. Dat mag natuurlijk ook, maar er moet geen afhankelijkheid bestaan. Daarom probeer ik ze steeds na te laten denken waar ze goed in zijn en waar ze beter in willen worden. Maar ze moeten ook weten hoe ze leren. Wanneer je van jezelf weet hoe je leert, kun je daar immers richting aan geven. Paul van Zwam noemt dit heel mooi: vormgeven aan jouw eigen ontwikkeling.”
 
“Daar past de peer review weer heel mooi in. Ik denk dat als spelers een idee hebben wat ze aan het doen zijn, dat ze heel veel van elkaar kunnen leren. Daarnaast is het goed voor de ontwikkeling van een speler als hij op sommige momenten ook even de rol van leraar heeft. Als je feedback moet geven, dan vraagt het ook echt iets van jou. Van jouw persoonlijkheid, maar ook van inzicht in het spelletje. Er geldt dan ook niet voor niets:”
 
Als je iets hoort, kun je het herhalen
Als je iets zegt, dan kun je het onthouden
Als je iets uit kunt leggen, dan ben je er meester van

 
 
Voor welke leeftijden is dit geschikt?

Bij de Onder13 (D-Pupillen) werkt dit prima. Voor de E-pupillen moet je het misschien wat eenvoudiger houden en bij de Onder15 moet je - vooral bij het geven van feedback - zeker weten dat hier goed op gereageerd wordt. Immers, in de pubertijd zijn spelers sociaal vaak toch nog wat gevoeliger. Daarnaast zullen ze minder snel buiten hun comfort zone bewegen, omdat ze bang zijn voor hun plek in de groep. Dan is het als trainer extra belangrijk dat je het kader bewaakt. Daarnaast is het voor oudere leeftijden ook goed toepasbaar.”
 
 
 
 
Het leren van het geven van feedback
 
“Doordat spelers leren om elkaar feedback te geven, zie je een cultuur ontstaan waarin ze ook mij feedback durven te geven Zo kwam een speler een keer naar mij toe dat hij vond dat hij mijn uitleg heel duidelijk vond, maar dat hij het soms moeilijk vond om iets te begrijpen als ik een spelsituatie met mijn handen uitlegde. Hij zou het prettiger vinden als ik in dat soort situaties het bord zou gebruiken. Dat is zó knap voor een jongen van 13. Ten eerste weet hij namelijk hoe hij zelf leert, daarnaast heeft hij ook nog de competentie om naar de trainer toe te stappen en feedback te geven. Hij geeft dus echt vorm aan zijn eigen ontwikkeling: hij stuurt de trainer aan, waardoor hij zelf effectiever kan leren.”

 
 
 
De drie pedagogische basisbehoeftes
 
1.         Relatie
2.         Competentie
3.         Autonomie
 
Volgens de theorie van Luc Stevens, een bekend onderwijskundige, is er een basis voor het welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren van kinderen als aan de drie bovenstaande basisbehoeftes wordt voldaan.
 
“Als je kijkt naar de peer review, dan blijk je meteen aan alle drie de factoren te voldoen. Wanneer twee spelers elkaar feedback gaan geven, dan hebben ze een bepaalde verbondenheid met elkaar. Er is dus een relatie die gebaseerd is op vertrouwen, want ze stellen zich kwetsbaar op als ze feedback vragen. De competentie van beide spelers wordt aangesproken, want ze mogen nu ook de rol van trainer (of leraar) aannemen op het moment dat ze de ander feedback geven. Tenslotte zit er een bepaalde mate van autonomie in. Ze doen het immers zelf en staan even los van de trainer. Je ziet een mooi gedrag ontstaan, waarin spelers heel intrinsiek gemotiveerd worden.”
 
“Vergelijk dat nu met de situatie waarin je als trainer spelers gewoon informatie geeft wat ze moeten doen. Natuurlijk is er dan wel een relatie, de competentie wordt nog enigszins aangesproken (er worden tips gegeven om beter te worden), maar waar is de autonomie in het proces? De kans ik vervolgens groot dat je afhankelijk gaat worden van de trainer. Ze worden niet uitgedaagd om zelf na te denken, dat doet de trainer wel voor ze.”
 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen