Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Vaker scannen betekent beter passen
| Bedankt voor uw mening!
Donderdag 18 Januari 2018

Scannen is de afgelopen jaren een populair onderwerp geworden en was misschien wel één van de besproken items in 2017. Dat dit een goede zaak is, wijst ook Noors onderzoek uit. Het blijkt dat hoe vaker een speler scant in de periode waarvoor een speler de bal krijgt, hoe beter de pass is die de speler geeft.

Tekst: Paul van Veen

Dit wijst een onderzoek van wetenschapper Geir Jordet uit. Jordet is een Noorse professor die zijn PhD schreef over de rol van scannen, perceptie en anticiperen in het profvoetbal. Voor zijn onderzoek keek hij naar 118 spelers in de Premier League in 1279 spelsituaties. Hij deelde de spelers op die weinig om zich heen keken in de laatste seconde voor dat ze de bal kregen (0 tot 0.25 keer), soms om zich heen keken (0,26 tot 0,50) keer en spelers die veel om zich heen keken (meer dan 0,50 keer) en vergeleek het aantal passes dat bij teamgenoten aan kwam.


Het resultaat was opvallend. Hoe vaker een speler om zich heen keek, hoe vaker zijn passes bij een teamgenoot aan kwamen. Er zat maar liefst 17% verschil tussen de groep die het minst keek en de groep die het meest keek. Interessant, maar op zich zegt dit nog niet zo heel veel. Immers, die 81% kunnen namelijk ook allemaal tikjes terug of breed zijn.

Daarom ging hij verder.

Vervolgens keek hij alleen naar nog maar naar passes die voorwaarts werden gespeeld. Uit dit onderzoek werden de aanvallers weg gelaten (die zullen veel minder vaak voorwaarts passen) en alleen naar de middenvelders gekeken. Er bleven 55 spelers over, maar het resultaat was nog indrukwekkender.



Het verschil tussen de spelers die wel of niet keken, bleek een stuk groter geworden. Spelers die niet vaak keken, speelden slechts 41% van hun voorwaartse passes goed, terwijl spelers die wel vaak de omgeving scande, maar liefst 75% succesvolle voorwaartse passes gaf.

Tenslotte keek hij ook nog naar alleen de passes die gegeven werden op de helft van de tegenstander, maar daar kwam nagenoeg dezelfde conclusie uit

Jordet noemt deze vaardigheid ‘Prospective Control’, oftewel de kwaliteit om te zien wat er gebeurt en gaat gebeuren. In het voetbal veranderen dingen snel en na paar seconde is soms alles weer anders. Daarom is het belangrijk om vaak om je heen te kijken om te zien wat de nieuwe situatie is.

Bij een artikel over scannen kun je bijna niet om het bekende filmpje Lampard heen, waarin je hem steeds om zich heen ziet kijken.



Lampard zit op een gemiddelde van 0,62 scans in de seconde voordat hij de bal krijgt. Jordet noemt dit ook wel VEB voor Visual Efficiency Behaviour. Hiermee was Lampard de koploper in de Premier League ten tijde van het onderzoek van Jordet. Toen Jordet aan Lampard vroeg waarom hij zo vaak de omgeving scant, bleek dat de vader van Lampard altijd ‘Pictures’, pictures!’ naar zijn zoon riep. Met andere woorden: om foto’s te maken van de omgeving.

Dat is wat Jordet nu ook spelers leert: om steeds foto’s van de omgeving te maken.

Het veelvuldig om je heen kijken zie je bij bijna alle topspelers. Spelers als Messi, Ibrahimovic, Luka Modric, Pirlo zijn allemaal spelers die gemiddeld boven de 0.50 scoren. Opvallend is dat een topspeler als Ronaldo juist onder het gemiddelde scoort. Hij kijkt wel vaak om zich heen, maar op een ander moment.
Ondanks dat Ronaldo anders kijkt, past zijn manier van kijken wel weer in het beeld van alle topspelers. Immers, naast het veelvuldig kijken is de timing van het kijken ook zeer belangrijk. Zo kijken de beste spelers naar de bal om het moment dat iemand de bal raakt. Dat kan een dribbel zijn, maar ook een pass. Als ze die informatie hebben verwerkt, dan hebben ze een moment (zeg grofweg een halve seconde) dat ze niet naar de bal, maar naar de omgeving kunnen kijken. Die informatie is immers dan belangrijker.

Na onderzoek in ook andere landen blijkt dat de absolute koploper Xavi Hernandez van Barcelona is met een score van 0,83 scans in de laatste seconde. Een ander interessante constatering was dat bijna iedere keer dat wanneer hij de bal kreeg op een moment dat hij toevallig niet gekeken had, hij de bal terug speelde naar de speler van wie hij de bal kreeg.  Blijkbaar nam Xavi geen enkel risico op het moment dat hij vond dat hij niet genoeg informatie over de omgeving had.

Xavi weet van zichzelf dat hij veel kijkt: “Dat is wat ik de hele tijd aan het doen ben: naar ruimtes kijken. Elke keer weer. Mensen die zelf niet gespeeld hebben, weten niet hoe moeilijk het is. Het lijkt bijna op een Playstation-spel: de verdediger is hier, dan is de ruimte daar en dan speel ik hem hier.”

“We speelden in de tijd van Cruyff ook steeds maar rondo’s. Rondo’s, rondo’s en rondo’s. Iedere dag weer. Dat is de beste oefenvorm die er is. In die vormen leer je kijken  waar de ruimte is en waar je heen kunt spelen.”

Jordet geeft aan dat alleen kijken niet voldoende is. In het kijkgedrag zijn er volgens zijn visie drie belangrijke factoren bij het maken van een keuze in het voetbal:

- Factor 1 is het scannen, dus het daadwerkelijke kijken: kijkt de speler actief om zich heen om informatie te verzamelen
- Factor 2 is visuele perceptie. Als je kijkt, moet je ook weten wat je ziet, je moet dus de informatie interpreteren. Als je naar een situatie kijkt, zie je dan waar de bal, waar de tegenstander staat, waar je medespelers staan? Kun je dan vervolgens op basis van die informatie vertellen waar de ruimte ligt en wat de mogelijkheden zijn?
- Tenslotte factor 3 is het anticiperen. Heeft de speler de vaardigheid om te kunnen inschatten wat er in die situatie waarschijnlijk gaat gebeuren?

Als speler heb je de grootste invloed op de eerste factor, het daadwerkelijke kijken. Dat is namelijk vooral een kwestie van doen. Door vaak naar situaties te kijken, zal de speler grotendeels zelf de visuele perceptie moeten ontwikkelen en moeten leren anticiperen.

Uiteindelijk  gaat het om het hebben van opties. Hoe meer opties je hebt, hoe beter de keuze is die je maakt. Dat geldt in het voetbal, maar ook buiten het voetbal. Spelers als Xavi zien dingen zo verschrikkelijk snel en duidelijk, dat hij altijd drie en soms zelfs meer opties heeft.

Jonas Munkvold is jeugdvoetbaltrainer in Noorwegen en is al enige tijd actief aan de slag met de vertaling naar het voetbalveld: “Als een speler vaak slechte beslissingen neemt, kan het komen doordat een speler niet voldoende informatie heeft van de situatie om hem heen. Dat kun je dan met die speler bespreken. Een ideale situatie om dit te oefenen is bijvoorbeeld een gewoon partijspel 7 tegen 7, waarbij een speler de taak heeft gekregen om vaak om hem heen te kijken. Immers, in kleinere partijvormen moet een speler ook vaker kijken. Door hier steeds aandacht aan te besteden, wordt het een soort tweede natuur voor een speler en zal die speler het steeds verder ontwikkelen.”

“Er wordt wel eens gevraagd vanaf welke leeftijd je moet beginnen met het aanleren van deze vaardigheden. Ik zeg altijd: wanneer leren we onze kinderen om beide kanten op te kijken voordat ze de weg oversteken? Inderdaad, vanaf het moment dat ze moeten oversteken. Dat betekent natuurlijk wel dat de oefenvormen moeten passen bij de leeftijdscategorie. Zo leren we spelers om vanaf alle leeftijden rond te kijken in alle oefeningen. Een voorbeeld is dat spelers in een hoog tempo door elkaar heen moeten dribbelen, terwijl de coach rondloopt en vingers in de lucht houdt. Elke paar seconden gaat de hand omlaag en even later steekt de coach de hand weer in de lucht. Dat doe je dan ongeveer 30 seconden en de spelers moeten al die vingers bij elkaar optellen. Dat is een goede manier voor de jongste jeugd om te realiseren dat de bal niet zo belangrijk is, maar dat ze naar de omgeving moeten kijken. Het is uitermate belangrijk dat ze echt naar iets moeten zoeken. Het is dus niet alleen hun hoofd omdraaien, er moet informatie verzameld worden.”

“Dit is echt een oefenvorm voor de jongste jeugd, maar je kunt hem eventueel ook in de warming-up bij ouderen doen. Belangrijk is uiteindelijk dat de informatievoorziening wedstrijdspecifiek wordt gemaakt, het tellen van vingers is dat niet. Het gaat er uiteindelijk om dat spelers niet alleen kijken maar ook de informatie verwerken. Een betere manier is om tijdens een oefenvorm het spel stil te leggen en dat alle spelers dan meteen hun ogen dicht moeten doen. Vervolgens vraag je als coach of spelers weten waar de twee dichtstbijzijnde teamgenoten staan. Of je kunt een stap verder: waar alle teamgenoten staan. Dat maakt spelers onmiddellijk bewust dat ze voortdurend om zich heen moeten kijken om hun omgeving in kaart te brengen.”

“Bij gevorderde spelers kun je specifieker naar de positie gaan werken waar ze in spelen. Immers een speler als Iniesta moet bijvoorbeeld 360 graden om zich heen kijken, maar voor spelers als Pique, Terstegen of Alba is 180 graden vaak voldoende. Een voorbeeld van zo’n specifieke oefening vind je hieronder. In deze vorm speelt de nummer 5 speler 6 in. Speler 6 mag vrij in de middencirkel bewegen, terwijl blauw 8 niet in de middencirkel mag komen. Op het moment dat 6 de bal ontvangt, moet hij gekeken hebben waar de blauwe 8 vandaan komt en moet vervolgens de juiste kant op wegdraaien.”



“Belangrijk is om de juiste oefenvormen te kiezen. Van pass- en trapvormen weten we dat spelers vaak alleen maar naar de bal kijken. Zelfs als je het gebruikt om patronen te trainen, leer je spelers om tijdens die patronen naar de bal te kijken. In de wedstrijd zullen ze dus hetzelfde doen. Dan leer je dus het verkeerde aan en zul je minder aan hebben in de wedstrijd.”

“Mijn favoriete oefenvorm is om op een veld van 30 bij 45 meter 4 tegen 4 te spelen. Op iedere achterlijn staat twee doeltjes, we noemen dat de witte en oranje doeltjes. Je kunt hier eventueel hesjes op plaatsen. We maken vier tweetallen die ieder een eigen kleur hebben (bijvoorbeeld blauw, geel, rood en zwart). We starten met blauw en geel tegen rood en zwart, waarbij blauw en geel de witte doeltjes verdedigen en het rood/zwarte team de oranje doeltjes. Tijdens de oefenvorm verander je dan de teams door bijvoorbeeld te roepen: ‘blauw en rood scoren nu op de witte doeltjes’.

Automatisch betekent dat dat zwart en geel op de oranje doeltjes aanvallen. Dit soort type oefenvormen geven een overload aan visuele prikkels en dwingen spelers om zich steeds te oriënteren in relatie tot de richting van het spel en waar medespelers staan.”

Ook in Nederland wordt het aantal scans steeds belangrijker. Toen Ajax in mei 2016 in de UEFA Youth League de kwartfinale moesten spelen, stond op iedere positie in de basis de spelers met de hoogste VEB van de hele jeugdopleiding. Ook is dit al een aantal keer ter sprake gekomen in TrainersMagazine. Zie de volgende artikelen voor meer informatie:

1: Verbeteren van kijkgedrag
2: Het trainen van kijkgedrag
3: Oefenstof special: verbeteren van kijkgedrag
4: Oefenstof special met Zeb Jacobs: Het scannen van de voetbalomgeving
 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen