Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Rondo’s zijn overal in het voetbal
| Bedankt voor uw mening!
Maandag 29 Januari 2018

In het artikel dat onlangs al verscheen over kijkgedrag gaf Xavi Hernandez al aan dat rondo’s ontzettend belangrijk zijn geweest voor zijn ontwikkeling. Johan Cruijff deed bijna niet anders bij FC Barcelona en eigenlijk zit in een rondo alles. TrainersMagazine sprak Julián Genoud, tactisch analist van de jeugdopleiding van Real Madrid, die dezelfde mening is toebedeeld. “Rondo’s zijn overal in het voetbal”

Tekst: Paul van Veen

Allereerst is het belangrijk om het begrip rondo te definiëren. Als wij in Nederland over de rondo spreken, dan wordt er vaak gesproken over het spelletje lummelen dat door de spelers wordt gedaan, vaak aan het begin van de training, waarbij er vaak veel gejoel is te horen wanneer de bal door de benen van een medespeler wordt gespeeld.

Internationaal wordt de term rondo juist gebruikt als wij het over een positiespel hebben. Denk aan de bekende positiespelen 5 tegen 2, 4 tegen 2 en de verschillende variaties. In dit soort positiespelen wordt in Spanje vaak ook gesproken over de verschillende passlijnen die mogelijk zijn, waar we in een eerder over schreven.

Er is geen vaste definitief van een rondo. Julián Genoud: “Mijn definitie van een rondo is waar één team in bezit van de bal moet blijven onder druk van een ander team. Vervolgens kun je regels toevoegen zoals omschakelmomenten en scoringsmogelijkheden.”

Volgens Genoud zijn er drie belangrijke fundamentele voetbalvaardigheden die je door middel van een rondo kunt verbeteren:

1. Het groot maken van het veld
Als je balbezit hebt, is het belangrijk om ruimtes te creëren tussen de verschillende tegenstanders om daar de bal tussendoor te kunnen spelen. Deze zelfde principes komen in de rondo terug: door het veld groot te houden, zal de tegenstander ook verder uit elkaar moeten gaan staan om alle opties af te dekken, waardoor er waarschijnlijk ruimte ontstaat om tussen tegenstanders door een medespeler aan te spelen.

2. De begrippen vrije en derde man
Als je in balbezit bent moet je weten of je de vrije man met bal bent en wanneer je een derde man situatie kunt creëren. Wanneer je de vrije man bent, dan is het belangrijk om te kijken of je een volgende stap kunt maken in het aanvalsspel. Je wilt namelijk er voor zorgen dat de aanval in de volgende fase komt door bijvoorbeeld door een linie van de tegenpartij heen te spelen.

De derde man situatie is het creëren van een driehoek tegen - in de meeste gevallen - twee tegenstanders. Stel dat speler 1 de bal heeft en de bal naar speler 3 wilt spelen. Echter, deze wordt geblokkeerd door tegenstander 4 die de balbaan afschermt en druk zet. Dan kan speler 2 zich aanbieden als tweede man (vaak met een tegenstander in de rug), een verticale pass mogelijk maken. Deze tweede speler wordt ingespeeld en zal vaak door middel van een directe pass de derde man inspelen.

3. De begrippen beneficiary en benefactor
Voor deze begrippen zijn niet echt goede Nederlandse termen beschikbaar. Je moet als speler weten wanneer je de beneficiary en wanneer je de benefactor bent. Je bent de beneficiary als jij eigenlijk de vrije man bent waar naar toe gespeeld kan worden door middel van een pass. Dat kan een directe pass zijn, maar bijvoorbeeld ook door middel van een derde man situatie zoals hierboven beschreven.

De benefactor is de speler die iets moet doen om er voor te zorgen dat een andere speler vrij komt. Dit kan een loopactie zijn om een tegenstander weg te trekken, maar ook bijvoorbeeld het aanbieden in de bal om een derde man situatie te creëren.

Elementen
Deze essentiële elementen van het voetbalspel kunnen spelers door middel van rondo’s leren. Daarnaast zitten er veel cognitieve vaardigheden in de rondo’s opgesloten. Immers, je moet deze situaties zien en herkennen. Daarom worden rondo’s dan ook door topteams over de hele wereld gedaan. Genoud bestuurde de rondo’s van allerlei topteams en op basis van dit onderzoek onderscheidt hij drie type rondo’s:

1. De startrondo
Dit is de rondo die je meestal aan het begin van de training doet als warming-up. Dit is ook een goede rondo voor beginners. Het overtal is groot, bijvoorbeeld 4 tegen 1 of 7 tegen 2, de ruimte is relatief groot en het enige doel is het in bezit houden van de bal. Dit is vaak meer een vorm waarin er goed gepasst moet worden, omdat het verder niet veel niet zoveel vraagt van de cognitieve vaardigheden van de speler.

2. De omschakelrondo
Dit is de rondo waarin beide teams in verschillende rollen terecht kunnen komen. Met andere woorden: ze kunnen in dezelfde vorm zowel in de rol van aanvaller of verdediger terecht komen. Zo kun je er als trainer bijvoorbeeld voor kiezen dat het team dat de bal verliest meteen druk moet zetten (dus verdedigen) en het team dat de bal verovert een goede pass moet spelen om balbezit te houden. Dit vraagt al meer van de cognitieve vaardigheden van de spelers

3. De verplaatsrondo
In deze rondo moet een team proberen om van de ene zone naar de andere te spelen. Op deze manier krijgt een rondo ook echt richting: spelers moeten ergens naar toe en de verdedigers weten al meer wat ze moeten verdedigen. Spelers moeten creatief zijn om de juiste keuzes te maken om zo het doel van de oefenvorm te bereiken. Bijvoorbeeld door een overtal te creëren in een bepaalde zone, hun teamgenoten goed te ondersteunen of juist het veld groot te houden.

Extra regels
Maar er zijn ook andere regels mogelijk in de rondo: hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan een mogelijkheid voor één van de teams om te scoren door in één of meerdere doelen te schieten. Genoud vervolgt: “Belangrijk is dat je altijd de wedstrijd als basis neemt en goed naar de wedstrijd kijkt. Je kijkt naar welke situaties in de wedstrijd voor kunnen komen en die kun je vervolgens op de training doen.”

Opbouw
“Kijk bijvoorbeeld naar de opbouw in een wedstrijd. Je kunt bijvoorbeeld kiezen om de centrumverdedigers vrij smal te laten staan (zie tekening 1), maar je kunt er ook voor kiezen om vrij breed als te staan (zie tekening 2). In beide gevallen heb je te maken met een 3 tegen 1 situatie, waarbij je voor de vereenvoudiging even geen rekening houdt met de andere factoren.”

 

Tekening 1


Tekening 2

“Als je deze situatie op de training wilt gaan doen, kun je dus beginnen met een rondo 3 tegen 1, waarbij de drie spelers op balbezit spelen. Als vervolgstap kun je dan bijvoorbeeld een groot doel toevoegen en aan de andere kant lijnvoetbal spelen. Daardoor heb je een omschakelmoment als de verdediger de bal verovert. Vervolgens kun je de vorm met meer spelers gaan doen.”

“Merk overigens op dat ik niet zeg dat dit de manier is waarop je móet opbouwen of dat je er op deze manier op moet trainen. Er is in mijn ogen niet één waarheid in het voetbal. Ten tweede is het belangrijk om te onthouden dat de spelers altijd de belangrijkste factor zijn. Zij bepalen hoe je kunt gaan spelen of trainen.”

Middenveld
“Als je vervolgens naar het spel op het middenveld kijkt, dan kun je een 4 tegen 4 situatie in het veld herkennen (zie tekening 3), waarbij een vleugelspits van de tegenstander naar binnen is gekomen om te helpen.”
 
Tekening 3

“Om dit in een rondo te trainen, kun je bijvoorbeeld denken aan een 5 tegen 4, 6 tegen 4, 4 tegen 4 met 1 of 2 kaatsers, etc. Maar je kunt ook een klein partijspel 4 tegen 4 spelen. Ook hier is het belangrijk dat je je als trainer realiseert waarom we doen wat we doen. Wat probeer je de spelers te leren? Het aantal spelers moet nooit het startpunt zijn, want als jij mij zegt dat je 4 tegen 4 gaat spelen weet ik niets over de situatie die je gaat trainen. De doelstelling is altijd het startpunt van de oefenvorm.”

“Dat in ogenschouw nemende, stel dat ik op het middenveld het spel in balbezit wil verbeteren. En stel dat we een overtal kunnen creëren door de vleugelverdedigers naar voren te schuiven (dat is slechts één van de vele opties), dan is 4 tegen 4 plus 2 kaatsers op de zijde een prima oefening. Vervolgens voeg je bijvoorbeeld kleine goals toe die een dan passlijnen naar de spitsen moeten voorstellen, of je voegt extra spelers of andere regels toe. Welke regels je toevoegt, hangt er weer vanaf hoe de oefenvorm tot dan toe verloopt. Gaat het stroef, dan maak je het makkelijker, gaat het eenvoudig, dan maak je het moeilijker.”

De aanval
“Hoe dichter bij de goal van de tegenpartij, hoe moeilijker het wordt om een overtal te creëren. Maar dat betekent niet dat je het niet moet proberen. Daarnaast zijn er zeker situaties te vinden waarin je een overtal kunt creëren. Een voorbeeld hiervan is wanneer de bal bij een vleugelspits is en er een overlapping wordt gedaan een vleugelverdediger. Ondanks dat het resultaat een 2 tegen 1 is en je daar op kunt trainen, moet je niet vergeten dat er een belangrijke rol van de overige middenvelders en aanvallers is om die 2 tegen 1 mogelijk te maken (de benefactors).”
 

Tekening 4

Conclusie
“Dit zijn slechts een aantal voorbeelden. Belangrijk is om te bepalen hoe je wilt spelen, welke situaties je probeert te creëren of welke je verwacht in de wedstrijd. Vervolgens probeer je daar de juiste oefenvorm bij te verzinnen. Als je goed kijkt, zie je steeds de rondo’s terug komen in de wedstrijd. Jouw taak als trainer is om die situaties op het trainingsveld te oefenen.”
 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen