Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Moeten we in Nederland harder trainen? | Wetenschappelijk bekeken
| Bedankt voor uw mening!
Woensdag 19 September 2018

Moeten we in Nederland nu wel of niet harder trainen? Het is een vraag waar menig analist of trainer graag zijn mening over geeft en we zijn het lang niet allemaal met elkaar eens. Laten we eens kijken wat de wetenschap er van zegt. Aan het woord laten we Tom Stevens, die onlangs promoveerde naar aanleiding van zijn onderzoek naar trainingsbelasting in het voetbal.
 
Tekst: Paul van Veen
 
Dezelfde taal spreken
“Als we gaan discussiëren over de trainingsintensiteit in Nederland, dan moeten we er eerst voor zorgen dat we dezelfde taal gaan spreken. Wat bedoelen we nu precies met harder trainen? Vaker trainen, langer trainen of intensiever trainen? En wat moet dan vaker, langer of intensiever? Meer dribbels of passes? Moeten er meer meters worden gelopen op de training of vaker worden gesprint? Daarnaast is de doelgroep van belang, want bij junioren is er (hopelijk) meer aandacht voor de (motorische) ontwikkeling, waarbij bij senioren meer nadruk ligt op de (fysieke) prestatie. Voordat je begint met discussiëren, moet je er dus voor zorgen dat we over precies hetzelfde spreken. Anders praat je langs elkaar heen.”
 
 
In dit artikel hebben we het over de fysieke belasting van veldtrainingen uitgedrukt in variabelen zoals afstand, sprintafstand en versnellingen. Belangrijk om te weten dat de doelgroep van dit artikel prestatieve senioren en oudste jeugd op professioneel en (hoog) amateurniveau zijn. Hou altijd in het achterhoofd dat voor de motorische ontwikkeling van spelers het belangrijk is om spelers veelzijdig te laten bewegen.

 
Wat zijn de verschillen tussen niveaus in de praktijk?
“Om de top te kunnen bereiken, moet je weten hoe die intensiteit op het hoogste niveau er uit ziet (of in ieder geval de stap boven je eigen niveau) en hoe dit zich verhoudt tot jouw niveau. Als je de verschillende competities met elkaar vergelijkt, dan blijkt dat tussen verschillende competities de totale afstand die spelers lopen vaak nagenoeg gelijk is, maar dat (over het algemeen) het aantal sprints en de totale sprintafstand procentueel hoger zijn op hoger niveau. Hierin zie je ook een toename binnen competities in de afgelopen jaren. Een onderzoek in de Premier League in Engeland wees uit dat over de seizoenen 2006-2007 tot en met 2012-2013 het aantal sprints en de totale sprintafstand met wel 80 procent steeg.”
 
Een soortgelijke conclusie kwam ook uit een onderzoek van Stevens. “Zo hebben we zelf in een onderzoek kleine partijspelen van profs en amateurs met elkaar vergeleken. Daar bleek amper verschil in de totale afgelegde afstand. Maar als je naar variabelen keek die een hoge intensiteit aangeven, zoals afstand op hoge snelheid en met tempowisselingen , dan bleek dat juist daar het verschil in zat. Bij de profs, dus op hoger niveau, was juist de intensiteit hoger.”
 
“Hierdoor weten we dat het vooral moeten zoeken in de intensiteit.”
 
Meten wat je traint
Voordat je iets kunt zeggen over de trainingen, moet je meten wat je op dit moment traint. Pas als je dat weet, kun je er iets over zeggen. Zo heeft Stevens onderzoek gedaan naar de trainingsbelasting van professioneel voetbal.
 
“In deze onderzoeken hebben we de belasting van de training vergeleken met de belasting van de wedstrijd, waarbij we de wedstrijd als 100% zien. Zo kun je bijvoorbeeld in onderstaande grafiek zien dat voor een training 4 dagen voor de wedstrijd, de afstand die op de training gelopen werd (gemiddeld) 67% van de afstand van de wedstrijd is.”
 

Figuur 1. Trainingsbelasting van professioneel voetbal uitgedrukt als percentage van de wedstrijdbelasting.
 
“Zo hebben ook de sprintafstand en het aantal versnellingen gemeten. Je ziet in de grafiek dat de sprintafstand in deze training nog geen 40% van de wedstrijd is, maar het aantal versnellingen is juist iets meer dan in de wedstrijd.”
 
“Hetzelfde is gedaan voor de andere trainingsdagen, van de derde dag voor de wedstrijd (MD-3) tot en met de laatste dag voor de training, dat levert de onderstaande gegevens op. In onderstaande grafieken is (logischerwijs) te zien dat de belasting afneemt, naarmate de wedstrijd dichterbij komt.”
 

Figuur 2. Geschatte trainingsbelasting per variabele van typische trainingsdagen uitgedrukt als een percentage van de geschatte wedstrijdwaarde. Waarden boven de horizontale lijn geeft de geschatte waarde van een volledige wedstrijd weer voor elke variabele (= 100%).

 
“Het wordt extra interessant als je de waardes in een week bij elkaar optelt. Dan zie je wat precies wat de intensiteit is waarop een speler in het professioneel voetbal traint in een week waarin er één wedstrijd plaats vindt.”
 
Dit levert de volgende grafiek op:


Figuur 3. Geschatte opgetelde wekelijkse trainingsbelasting van een typische week met 1 wedstrijd en vier opeenvolgende trainingen (-4, -3, -2, -1) uitgedrukt als aantal wedstrijden per variabele. Sprintafstand in m > 19.8 km/h; acceleratie = 0.5s > 3.0 m/s2; HRmax = maximale hartslag.; -4 = training 4 dagen voor de wedstrijd.
 
 
Weten wie wat traint
Tot zover is er vooral naar de trainingsbelasting van de basisspelers gekeken.
 
“Maar we hebben ook onderzocht of dit ook geldt dit voor de spelers die geen (hele) wedstrijd spelen. Onderstaande grafiek geeft de belasting van een wisselspeler aan (op het moment dat er geen aanvullende activiteiten worden gedaan naast de reguliere trainingen). Figuur A geeft dit aan in een week waarin er één wedstrijd gespeeld wordt, figuur B geeft dit aan in een week waarin er twee wedstrijden gespeeld worden.”
 

Figuur 4. Geschatte opgetelde wekelijkse belasting voor basisspelers en reservespelers tijdens een typische week met één wedstrijd (A) en twee wedstrijden (B) uitgedrukt als aantal wedstrijden per variabele.
 
“Je ziet dat wisselspelers vooral een lagere intensiteit hebben als we de gemaakte meters vergelijken die gerend of gesprint worden. In een week waarin er twee wedstrijden gespeeld worden, wordt dit verschil nog groter. Dit geeft het belang aan van extra (oefen)wedstrijden, trainingen of loopvormen voor de wisselspelers om aan dezelfde belasting te komen.”
 
“Eén en ander hangt natuurlijk ook van het doel van de invaller af. Als je een speler in de selectie hebt die als trainer vooral gebruikt als pinchhitter/invaller, dan hoeft deze wellicht niet per se de conditionele inhoud te hebben van een basisspeler.”
 
“Als er minder activiteiten zijn, zoals bijvoorbeeld in het amateurvoetbal, bestaat de kans dat de wissels nog minder doen.”
 
De praktijk
Na de theorie van vandaag, zal Tom morgen ingaan op de praktijk met tips voor trainers.
 
Tom Stevens promoveerde in 2017 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op onderzoek naar de monitoring van trainingsbelasting met behulp van positiemeetsystemen en was tijdens en na zijn onderzoek actief als bewegingswetenschapper bij AFC Ajax. Sinds februari 2018 werkt hij parttime als docent/onderzoeker bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen in het expertiseteam Talentherkenning en Talentontwikkeling. Daarnaast ondersteunt hij als freelancer bedrijven, organisaties en clubs op het gebied van sportwetenschap, sporttechnologie en training, met name op het gebied van inspanningsfysiologie en monitoring van teamsporten.
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen