Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Het ontwikkelen van spelers vanuit een eigen game model
| Bedankt voor uw mening!
Woensdag 13 Maart 2019

Het hebben van een eigen game model. Het is voor veel (jeugd)trainers in Nederland nog een onbekend iets. Laat staan dat ze er mee werken. Michiel Buursma ontwikkelde zijn eigen game model. Hij legt uit hoe zijn model met basisprincipes, subprincipes en fundamentals eruit ziet en geeft een aanzet hoe zo’n model kan worden vormgegeven.

Tekst & Foto's: Jasper de Vries

Ook voor Buursma was het nieuw, toen hij tijdens de master High Performance Coaching in Football bij MBP in Barcelona met een game model in aanraking kwam. “Dat wat ik voor mijn master had, noemde ik mijn game plan. Hoe ik het eerst begreep, was dat plan mijn model. Maar het game plan is specifiek voor één wedstrijd. Het game model is het plan dat je neerlegt voor je elftal voor een langere periode.”

Na jarenlang gewerkt te hebben in de jeugdopleiding van Cambuur Leeuwarden, trok Buursma naar Amerika. Daar werkte de Friese trainer voor de Houston Dutch Lions, alvorens hij naar Barcelona verhuisde voor de master bij MBP. In zijn tijd in Spanje gaf hij training bij de voetbalacademie van TOVO, en sinds februari dit jaar werkt hij voor Total Soccer Cayman, een club op de Kaaimaneilanden. Daar helpt hij het strategische beleid vorm te geven, traint de o14/o15 ter voorbereiding op een groot internationaal toernooi en is betrokken bij alle activiteiten die vanuit de club worden georganiseerd om jonge voetballers te helpen in hun voetbalontwikkeling.

 

 

De basis van het game model
Voetbalteams zijn complexe systemen, leerde Buursma tijdens de master in Spanje. Bij een wedstrijd betekent dit dat het ene complexe systeem tegen het andere speelt. Dat botst en die botsing heeft verschillende uitkomsten. “Je hebt complexe en gesloten systemen”, legt Buursma uit. “Bij een gesloten systeem is het vrij eenvoudig: in elke situatie heb je één antwoord dat je jouw team leert. Dan krijg je zaken als: ‘Als wij een doeltrap hebben, dan doe je dit en dat’. Maar als je dat altijd doet, zet de tegenstander er iets tegenover en ze zijn klaar. Een open, complex systeem gaat ervan uit dat er meerdere variabelen zijn die van toepassing zijn op een situatie. In die situatie moet je, afhankelijk van die variabelen, komen tot een oplossing. Die oplossing wordt gestuurd door een aantal regels: de basisprincipes.”

Met de principes komen we aan bij de basis van Buursma’s game model. Deze principes komen voort uit de eigen ideeën die Buursma heeft over voetbal. “Die ideeën worden gevormd door de cultuur waar jij als coach vandaan komt en je ervaringen. Johan Cruijff en de manier waarop hij over voetbal denkt, zijn voor mij grote culturele invloeden. Dus zonedekking over mandekking bijvoorbeeld. Als we praten over verdedigen in mijn game model, gaat het over zoneverdediging en ruimtes. En mede omdat ik uit Nederland kom, houd ik van aanvallend voetbal dat op een verzorgde manier wordt gespeeld.”

 


Favoriete organisatie
Het voorgaande noemt Buursma het spelidee en leidt tot het visualiseren van de ideale speelstijl. Iemand uit een ander land, met een andere achtergrond en filosofie, kiest voor heel andere zaken en heeft daarmee een heel ander spelidee. “Mijn idee bevat geen baanbrekende dingen”, laat de trainer weten. “We willen de bal hebben, numerieke superioriteit in het centrum en aan de bal attractief en spectaculair spel laten zien. Als we de bal niet hebben, willen we hem zo snel mogelijk veroveren door druk te zetten.” Vanuit deze ideeën formuleert Buursma zijn favoriete organisatie. Als echte Nederlandse trainer kiest hij niet geheel verrassend voor 1-4-3-3 met de punt naar achter.

“Het zijn maar getallen, hè”, begint Buursma zijn verklaring. “Maar vanuit een 4-3-3 kun je met kleine aanpassingen vrij gemakkelijk switchen naar andere systemen. Dat vind ik het grote voordeel van deze formatie. Als je dat beheerst, kun je gaan kijken naar welke variaties je kunt toepassen. Dat ligt ook aan de spelers die je hebt. Heb je een snelle back? Houdt hij van overlap of blijft hij juist in zijn eigen zone? Komt de rechtsbuiten graag naar binnen? Past dat bij de speelstijl van mijn back of middenvelder? Noem maar op. Zo bouw ik een open systeem. Spelers moeten uiteindelijk zelf gaan herkennen welke situatie of wedstrijd om welke variatie vraagt.” Lachend: “Maar dan ben je wel een jaar verder in je trainingen.”

 


 
Basis- en subprincipes
Terug naar het game model en de basisprincipes. Welke variatie wat betreft formatie er ook gekozen wordt, de basisprincipes blijven altijd gelijk, stelt Buursma terwijl hij zijn laptop erbij pakt. “Aanvallen doen we bij mij vanuit een 2-3-2-3 structuur. Dus twee centrale verdedigers, beide backs wat omhoog met daartussen de verdedigende middenvelder, twee aanvallende middenvelders en drie spitsen. Mijn basisprincipe voor aanvallen is het creëren en gebruiken van ruimtes in het centrum of één van de half-spaces om daar een numerieke of kwalitatieve superioriteit te krijgen. Dus als je bij mij in het team komt, is dat de manier waarop we gaan aanvallen.”

Onder dit basisprincipe hangen subprincipes, passend bij een zone op het veld. “Je hebt zone 1, 2 en 3. Die kunnen verplaatsen. Als de tegenstander met hun spitsen in de eigen zestien meter staat, hebben wij een heel grote eerste zone. Maar wanneer hun spitsen ons hoog onder druk zetten, is deze zone heel klein. In elke zone hebben we een subprincipe, die congruent is aan het basisprincipe.” Hij neemt zijn basisprincipe voor aanvallen weer als voorbeeld. “In de eerste zone is het subprincipe de twee tegen één zoeken om zo een extra man te creëren in zone 2 en/of 3. In zone 2 gaat het om het constant support bieden aan degene met de bal zodat we de bal kunnen laten gaan om ruimtes verder op het veld kunnen vinden of creëren. Ten slotte geldt in zone 3 dat we de bal in het strafschopgebied krijgen en een goede bezetting voor het doel hebben om af te ronden.”

Zo heb je ook een basisregel of -principe voor het omschakelen van verdedigen naar aanvallen, het omschakelen van aanvallen naar verdedigen en het verdedigen zelf. Elk van deze basisregels kent zijn eigen drie subprincipes. Buursma verduidelijkt het nog eens middels een voorbeeld bij het omschakelen van verdedigen naar aanvallen. “Het basisprincipe is dat we zo snel mogelijk moeten kijken of we kunnen scoren, en anders balbezit te houden. Veroveren we de bal in onze eerste zone, dan willen we de bal verplaatsen naar een andere ruimte zodat we niet onder druk komen te staan. Winnen we de bal in zone 2, dan kijken we eerst of we direct vooruit kunnen en kunnen scoren. Zo niet, dan geldt dezelfde regel als in zone 1. Als hun keeper ons de bal geeft, dan gaan we natuurlijk niet de bal verplaatsen naar een andere ruimte. Dan gaan we direct voor de scoringskans. Ook hier geldt: alle drie deze regels volgen de basisregel.”
 
Fundamentals
Na de basisprincipes en subprincipes wordt het volgens Buursma echt interessant. Dan komen de ‘fundamentals van het spel’ om de hoek kijken. Dit zijn kleine delen van het voetbalspel en onderbouwen de subprincipes. MBP heeft over de afgelopen dertig jaar gekeken naar tactische sleutelmomenten in een bepaalde fase voor het team, voor elke linie en elke positie. Zodoende zijn er vele fundamentals opgesteld. “Als jij je basis- en subprincipes kent, en deze zijn congruent, dan weet je ook welke fundamentals (universeel, linie, per positie) het belangrijkste zijn in jouw persoonlijke game model.”

Een voorbeeld: bij de start van de opbouw is ‘het spelen met de derde man’ een universeel fundamental. Deze komt vaak voor en is iets waar het hele team naar zoekt in de opbouw. Buursma: “Een linie-fundamental voor de verdediging is in dit geval dat ze moeten zorgen voor ruimte in de diepte en breedte om de start van de opbouw voor elkaar te krijgen. Dit is een moment dat honderd keer voorkomt als je honderd keer een doeltrap hebt. Daarnaast heb je nog individuele fundamentals per positie. In deze situatie is dat voor de centrale verdediger bijvoorbeeld het openen van een passlijn, voor hemzelf of een ander.”

 


Geen manieren, maar momenten
Belangrijk om te noemen is dat fundamentals geen ‘manieren of oplossingen’ zijn, maar momenten. “Druk zetten na balverlies is een fundamental”, zegt Buursma. “Onder een fundamental hangen een heleboel manieren, maar het gaat erom of de speler het moment kan herkennen. Dan moet hij nadenken wat hij gaat doen. Dat er druk gezet moet worden, is helder. Maar of dit vanaf links of rechts moet, hangt af van veel andere factoren. Welke factoren zijn nou in dit moment belangrijk om in ogenschouw te nemen? Dat maakt een fundamental zo mooi.”

Buursma pakt er een verhelderend voorbeeld bij. “Het gaat niet over: dit is het moment dat de spits in de bal komt, dus moet ik als centrale verdediger volgen. Nee, ik herken het moment, maar dan komen de keuzes. Het gaat om tactisch bewustwording. Een fundamental is niks anders dan een moment dat vaak voorkomt. Als je dat moment herkent, kun je leren. Dus bij de inzakkende spits, moet ik als verdediger het moment herkennen. Is er niemand die mijn rug in kan duiken? Nee, dan ga ik mee. Ja? Dan blijf ik. Maar blijf ik, en de spits wordt ingespeeld en draait open, dan is er weer een nieuwe situatie. Wat dan te doen?”
 
Speler centraal
Daarmee is duidelijk dat Buursma werkt vanuit een paradigma waarin de speler gecentreerd is. Toch klinkt dat wat tegenstrijdig bij het hebben van een redelijk vaste organisatie en een speelplan. “In mijn model staat de speler centraal, maar wel binnen de kaders van het model. Dat is zeker waar. Maar die kaders zijn er niet voor niets. Het zijn richtlijnen die ik mijn spelers geef. Iedere speler kan zijn eigen weg vinden om een principe uit te voeren. Door spelers te laten worstelen met zijn taken in het game model, gaat de speler herkennen waar hij aan moet werken. En dat is waarom het voor mij zo belangrijk is dat een trainer een idee heeft welke kant het op moet. Als een trainer zegt ‘dat alles goed is’, dan is ook alles goed en heeft een speler geen richting. Dus ja, er is een coachvisie en speelstijl, maar de speler staat centraal binnen de kaders die de visie geeft.”
 
 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen