Inloggen
Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht Webcolleges
Zelfregulatie in het voetbal
| Bedankt voor uw mening!
Maandag 8 April 2019


De trainer bepaalt de tactiek, maakt die trainbaar en draagt die over op de spelers. Het team voert de taken volgzaam uit. Kaders zijn prettig en bieden houvast, maar een speler voelt zich meer verantwoordelijk als hij binnen die kaders aan zijn eigen ontwikkeling mag werken.


Tekst en beeld: Twan Epe
 
In de jeugdopleiding van iedere voetbalclub gaat het voornamelijk om het ontwikkelen van de spelers. Een trainer stippelt vaak nauwkeurig een route uit, die gevolgd wordt door de spelers die hij onder zijn hoede heeft. Het werken aan zelfregulatie legt meer verantwoordelijkheid bij de sporter. Het gaat bij dat proces om reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en begeleiden. Trainers zijn gewend om tips en directe feedback te geven. Door zelfregulatie een prominente rol te geven in het ontwikkelingsproces van de spelers, stelt de trainer veel vragen aan zijn spelers. Zo wordt de sporter aan het denken gezet over de antwoorden. De speler bepaalt zijn eigen doelen, maar wordt niet aan zijn lot overgelaten. Hij wordt hierbij begeleid door zijn trainer. Dat vraagt veel van de sporter en de trainer en zorgt voor een hechtere band.
 
Zelfdeterminatietheorie
De zelfdeterminatietheorie gaat uit van de drie basisbehoeften die sporters nodig hebben om gemotiveerd te raken om hun sport uit te oefenen: autonomie, verbondenheid en competentie. De zelfdeterminatietheorie is ontwikkeld door de onderzoekers Edward Deci en Richard Ryan. Autonomie wordt gekenmerkt door: een gevoel van keuze ervaren, zelf aan de basis liggen van gedrag en jezelf mogen zijn. Verbondenheid gaat uit van: zorgdragen voor anderen, geliefd worden door anderen en goede, hechte relaties hebben. Onder competentie vallen: zich bekwaam voelen, de gewenste doelen kunnen bereiken en beter willen worden.
 
Wat is zelfregulatie?
Een sporter die zelfreguleert, gebruikt vijf vaardigheden om het beste uit zichzelf te halen: reflecteren, doelen stellen, plannen, monitoren en evalueren. Op die manier gebruikt hij zelfregulatie als middel om beter te presteren. De sporter wordt begeleid bij het ontwikkelen van deze vaardigheden. Onderzoekers Wietske Idema en Marjolein Torenbeek van HAN Sport en Bewegen ontwikkelden de methode ZIPcoach (ZIP is een afkorting van zelfregulatie in de sportpraktijk) en beschreven deze aanpak in het boek Zelfregulatie in de sportpraktijk.
 
Stap 1: Reflecteren
De eerste stap van zelfregulatie is reflecteren. Het gaat hierbij om twee dingen. Ten eerste om het begrijpen van wat er in een bepaalde situatie gebeurde. Bijvoorbeeld: het lukte een middenvelder niet om de bal in een aanvalssituatie af te spelen. Daarnaast moet de speler snappen wat zijn aandeel was in de situatie. Bijvoorbeeld: hij had geen overzicht, zag niet wie er vrijstond of was er technisch niet toe in staat om de bal af te spelen. Ook moet de sporter de rol van de omgeving kunnen inschatten: medespelers stonden niet vrij of de tegenstander stond verdedigend erg goed, waardoor het niet mogelijk was om de bal af te spelen. Ten tweede gaat het om het kunnen nadenken over hoe je het anders had kunnen doen en wat je hieruit meeneemt voor de volgende keer dat je in dezelfde situatie terechtkomt. Bijvoorbeeld: de volgende keer als de speler aan de bal is, kijkt hij of er medespelers vrijstaan. Hij neemt uit deze situatie mee dat hij de volgende keer beter om zich heen kijkt om de bal kwijt te kunnen.
 
Stap 2: Doelen stellen
Na het in kaart brengen van het verbeterpunt, stelt de sporter een doel op om dit verbeterpunt in de praktijk aan te pakken. Een doel helpt hem om zich te focussen op de dingen die ertoe doen. Bovendien maakt het stellen van het doel concreet waar de speler aan moet werken. De speler kan zijn eigen vooruitgang meten. Dat maakt de sporter gemotiveerd. Het is belangrijk dat de sporter een bruikbaar doel (zie tabel 1) opstelt. Dit kan een doel op de korte of op de lange termijn zijn. Dit wordt mede bepaald door de beschikbare tijd die de speler ervoor heeft.
 


Tabel 1: Checklist bruikbaar doel

 
Stap 3: Plannen
Nadat het doel is bepaald, dient de speler een actieplan op te stellen om te bepalen wat ervoor nodig is om het doel te behalen. De sporter denkt na over zijn eigen niveau en welke acties hij moet ondernemen om op een hoger niveau te komen. Het aantal acties dat nodig is om het doel te behalen, is afhankelijk van het niveau van de sporter en het niveau waar hij naartoe wil. De sporter dient dus vooral na te denken over de tijd die hij nodig heeft om elke actie succesvol te kunnen uitvoeren. Bij deze stap bepaalt de sporter ook wie of wat hij bij elke actie nodig heeft. Om dit overzichtelijk te maken, kan de sporter een actiepiramide maken. Onderaan de piramide (driehoek) zet de sporter zijn huidige niveau. Bovenaan de piramide zet hij zijn doel. In de tussenliggende stappen zet de sporter de acties die hij nodig heeft om zijn doelen te behalen. Als de sporter een stap heeft volbracht, dan klimt hij naar de volgende stap.
 


Stap 4: Monitoren
Nadat het actieplan is opgesteld, kan de sporter beginnen met het in kaart brengen van zijn eigen ontwikkeling. Het in de gaten houden van die voortgang, wordt monitoren genoemd. Wanneer de sporter zijn doelen behaalt, kan hij klimmen in de actiepiramide en een volgende actie uitvoeren. De sporter kan er ook achter komen dat de doelen, die hij heeft opgesteld, te ambitieus zijn. Dan kan de sporter de acties bijstellen om zijn einddoel wel te kunnen behalen.
 
Stap 5: Evalueren
Nadat de sporter heeft gewerkt aan een actie, kan hij deze evalueren. Dit betekent dat hij terugblikt op de uitgevoerde acties: kan hij deze succesvol uitvoeren? Het antwoord op deze vraag is altijd ‘ja’ of ‘nee’. Zo ja, dan kan de sporter de volgende actie in de actiepiramide in de praktijk gaan brengen. Evalueren kan ook gaan over de vraag of de sporter zijn doel, dat bovenaan de actiepiramide staat, heeft behaald. Wanneer de sporter de vraag met ‘nee’ beantwoordt, is hij nog niet klaar met dit doel. Hij zal erachter moeten komen waarom het hem niet gelukt is om het doel te behalen. Dan begint het proces opnieuw met reflecteren.
 
Rol van de trainer
Onderzoek laat zien dat een sporter zelfregulatievaardigheden kan aanleren. De sportcontext, zoals een training, is een ideale plek waar de sporter deze vaardigheden kan ontwikkelen. Hier werken de sporters vaak aan een doel, is ruimte voor ontwikkeling en kunnen sporters samen met hun begeleider (trainer) nadenken over hun voortgang met behulp van directe feedback en instructies. De sociale omgeving van een sporter speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van zelfregulatievaardigheden. Als de omgeving zo is ingericht dat een sporter kansen krijgt om aan zijn doelen te werken, dan krijgt de sporter de vaardigheden steeds beter onder de knie. Het doel is dat de sporter zelfregulatievaardigheden zelf kan toepassen. Om de training hiervoor de context te laten zijn, is het belangrijk dat je als trainer de tijd neemt voor de sporter en hem vragen stelt: Wat wil je verbeteren? Waarom wil je deze vaardigheden verbeteren? Hoe wil je dat bereiken? Hoeveel tijd heb je ervoor nodig om je doel te behalen? Hoe kan ik je helpen om je doel te behalen? Stel open vragen en probeer om de sporter niet te veel te sturen, maar luister naar de sporter en vraag door. Je bent de begeleider van de sporter en zijn leerproces. Kom niet met oplossingen, maar laat de sporter daar zelf over nadenken.
 


Moment van starten
Om een sporter te helpen de vijf stappen van zelfregulatie succesvol te doorlopen, kun je de speler helpen. Je kunt de ZIP-methode ieder moment toepassen, maar om de sporter de tijd te geven succesvol te kunnen reflecteren (stap 1), is het belangrijk dat de sporter terug kan kijken op prestaties (wedstrijden en trainingen). Het is aan te raden om niet eerder met deze methodiek te beginnen dan de competitiestart. Het beste is om te starten als de competitie al een aantal wedstrijden onderweg is. Spelers zijn in de voorbereiding vaak bezig hun eigen plekje af te dwingen in de groep en het elftal met als gevolg dat dit het goed reflecteren op hun prestaties in de weg kan staan. Het is wel prettig om spelers voor de winterstop al een eerste doel te laten stellen, zodat je daar in de winterstop opnieuw op kunt reflecteren. Veel (jeugd)trainers gebruiken de winterstop om gesprekken met hun spelers te voeren. In die periode kun je de ZIP-methode ook voor het eerst toepassen. Tijdens de periode van actie stel je de sporter vragen om samen met de sporter te kunnen bepalen of er geleerd wordt en of hij op koers is.
 
Mindset
Onderzoeker Carol Dweck onderscheidt in haar onderzoek twee vormen van mindset. Dit is het Engelse woord voor ‘overtuiging’. Het staat voor de manier waarop mensen denken over zichzelf en in het bijzonder over hun intelligentie en kwaliteiten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een ‘vaste mindset’ en een ‘groeimindset’. Sporters met een vaste mindset geloven dat hun persoonlijke eigenschappen vaststaan. Je bent met een bepaalde ‘hoeveelheid’ intelligentie geboren en daarmee moet je het doen. Sporters met een op groei gebaseerde mindset geloven dat ze zichzelf steeds kunnen blijven verbeteren en ontwikkelen. Je talenten zijn het startpunt, je kunt steeds blijven groeien door hard te werken en ervaringen op te doen.
 
Begeleidend coachen
De spelers in je groep kunnen verschillende doelen hebben. Het is als trainer moeilijk om alle doelen in een training te verwerken. Wanneer je een (tactische) training op het programma hebt staan, waarin een speler aan zijn doel kan werken, kun je hem vooraf, tijdens en na deze oefening bevragen over de voortgang. Stel dat je de samenwerking tussen de aanvallers en de middenvelders op de helft van de tegenpartij wilt verbeteren, en een middenvelder als doel heeft om bij een aanvallende actie vaker om zich heen te kijken om de afspeelmogelijkheden in kaart te brengen. Je kunt de groep hier vooraf bij betrekken. Hoe kunnen we een aanval succesvol uitspelen? Wat hebben we daarvoor nodig? Een overtal in de buurt van de bal? Hoe creëren we dat? Welke loopacties moeten we hiervoor maken? Tijdens de oefenvorm kun je je speler begeleidend coachen. Wie staan er vrij? Waar kun je de bal kwijt? En achteraf kun je de prestatie evalueren. Heb je gekeken als je aan de bal was? Wat viel je op? Kon je de bal kwijt? Zo ja, hoe hielpen je teamgenoten jou? Zo nee, wat kunnen je teamgenoten doen, zodat je de bal wel bij een teamgenoot kwijt kunt? Door de speler tussen de oefenvormen door te bevragen, kost dit niet veel tijd en heeft de groep er ook geen ‘last’ van. Hoe mooi is het als een speler een persoonlijke succeservaring kan opdoen door zijn eigen doel te behalen en tegelijkertijd een teamtactisch doel te behalen? Doordat de sporter zelf naar oplossingen mag zoeken, voelt hij zich verantwoordelijk voor zijn eigen leerproces. Samen sta je veel sterker.
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29

Of: spaar voor een gratis abonnement door te winkelen in onze webshop

Spaaractie
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen