Inloggen
U bent niet ingelogd. Inloggen
Categorieën
Alle categorieën Leren van topcoaches Seniorentraining Juniorentraining Pupillentraining Vrouwen- en meisjestraining Keeperstraining Conditie- en coördinatietraining Techniektraining voetbal Technisch beleid voor voetbalclubs Communiceren & leiderschap Voetbaltactiek Boekenoverzicht TM Bibliotheek Webcolleges
Differentieel leren (1): De training op zijn kop
| Bedankt voor uw mening!
Woensdag 18 November 2020




In 2020 gaven Ruben den Uil, Adrie Poldervaart en Danny Wals een webinar voor TrainersMagazine over differentieel leren in de voetbaltraining. Dit artikel is een vervolg op dit webinar en hierin wordt allereerst de achtergrond van differentieel leren besproken. Vervolgens wordt duidelijk wat differentieel leren is en wat dat in de praktijk van alledag betekent voor de handelingen van de trainer-coach.

Tekst: Danny Wals | Beeld: Gerrit van Keulen


Differentieel leren is een totaal andere leerstrategie dan traditioneel leren. Traditioneel leren is een vorm van expliciet leren, waarbij zo helder mogelijk omschreven is wat de meest ideale manier is van het uitvoeren van een beweging. De methodische opbouw binnen traditioneel leren is lineair. Er wordt in heldere stappen van makkelijk naar moeilijk gewerkt. Differentieel leren daarentegen is een vorm van impliciet leren.

Wat is impliciet leren?
Leren door te doen. Zo kan impliciet leren het eenvoudigst omschreven worden. Impliciet leren heeft twee voorname voordelen. In de eerste plaats blijkt uit verschillende onderzoeken dat spelers die via impliciete weg leren na een retentietijd beter presteren dan spelers die via expliciete weg deze vaardigheden hebben aangeleerd. Dit betekent dat het leereffect op lange termijn groter is. Ten tweede blijkt uit verschillende onderzoeken dat impliciet leren kan voorkomen dat spelers bezwijken onder druk. Dit fenomeen staat bekend als choking under pressure. Op beslissende momenten waarbij spelers onder druk staan, vallen veel spelers terug op de expliciete kennis die zij van de beweging hebben. Daardoor is de kans groot dat een beweging te veel overdacht wordt en de uitvoering uiteindelijk tegenvalt of finaal mislukt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de beslissende penalty in een penaltyreeks. Wanneer bewegingen impliciet aangeleerd zijn, bestaat er geen expliciete kennis waarover getwijfeld wordt. Zo daalt de kans op bezwijken onder deze druk.

Wanneer je als trainer/coach impliciet leren omarmt zul je je spelers in voetbalsituaties moeten brengen waarin er niet nadrukkelijk nagedacht wordt over beter leren voetballen. In plaats van de spelers te laten nadenken over het hoe en wat, laat je spelers de situatie gewoon oplossen. Impliciet leren gaat uit van het zelf organiserend vermogen van het systeem. Met andere woorden: De speler zoekt onbewust naar de meest efficiënte uitvoering van de voetbalhandelingen. De voetballers krijgen geen expliciete feedback op hun handelingen. Niet alleen de trainer onthoudt zich van feedback, maar ook de spelers krijgen geen kans om zichzelf feedback te geven op hun handelen. Dit wordt gedaan door de focus van de speler te verleggen naar andere zaken. Door de absentie van feedback wordt er door de speler geen expliciete kennis over de bewegingen opgedaan.

Wanneer een speler duizend keer dezelfde soort pass geeft in een pass- en trapvorm zullen alle duizend passes verschillen. Wellicht dat op het eerste gezicht er een aantal identieke passes tussen zit, maar uiteindelijk is geen enkele beweging hetzelfde. Bewegingspatronen verschillen altijd. Dan hebben we het over de bewegingspatronen van een specifieke speler, maar ook bewegingspatronen van spelers onderling. Dit komt omdat het bewegingspatroon altijd beïnvloed wordt door een drietal bepalende factoren. Dit zijn het individu, de omgeving en de taak. De uitvoering van het bewegingspatroon is altijd onderhevig aan deze factoren. Hoe beter spelers hiermee omgaan, hoe groter hun bijdrage zal zijn aan het winnen van de wedstrijd. Spelers worden betere voetballers wanneer zij steeds effectiever oplossingen kunnen vinden voor het bewegingsprobleem. Voetbal is geen sport waarbij de spelers afgerekend worden op de uitvoering van het bewegingspatroon. Anders dan bij een jurysport als turnen telt alleen het resultaat van de voetbalhandeling. Hoe een speler de bal dribbelt, doet niet ter zake. Of die dribbel bijdraagt aan het behalen van de spelbedoeling, het winnen van de wedstrijd, des te meer.

Differentieel leren
Grofweg wordt er een onderscheid gemaakt tussen drie vormen van impliciet leren: Analogie leren, foutloos leren en differentieel leren. Op deze laatste gaan we nu verder in.
Een keer een andere bal gebruiken in de training, of een strandtraining inplannen is niet voldoende om te kunnen spreken van differentieel leren. Het is een mooie afwisseling van de normale trainingspraktijk en ook zeker waardevol. Echter, om te kunnen spreken van differentieel leren is meer nodig. Deze wijze van werken zal structureel en doordacht toegepast moeten worden.

Differentieel leren is een impliciete vorm van motorisch leren waarbij ervan uitgegaan wordt dat de speler onbewust op zoek gaat naar de beste, meest efficiënte manier om een beweegprobleem op te lossen. Door de grote variatie leert de speler onbewust welke bewegingsuitvoering voor hem of haar het beste werkt.

Om het brein van de speler uit te dagen om te gaan met de variatie in de bewegingen, wordt deze variatie uitvergroot. Deze variatie noemen we ruis. Deze ruis wordt gebruikt om spelers in situaties te brengen waarbij onder wisselende omstandigheden hetzelfde bewegingsprobleem opgelost moet worden. Spelers worden hierdoor betere probleemoplossers. Hoeveel ruis tot een optimaal leerresultaat leidt is nog niet duidelijk. De voorspelling van Schöllhorn, de grondlegger van differentieel leren, is dat er een optimum aan ruis moet zijn en dat die ligt tussen het geven van traditionele instructie en geheel vrij spel. Het is dan ook van belang dat bij het aanbrengen van variatie het oorspronkelijk te ontwikkelen beweegprobleem niet uit het oog wordt verloren. Om dit te bewaken kan het goed zijn om de welbekende drie toetsvragen uit de KNVB-trainersopleidingen te stellen bij het voorbereiden en uitvoeren van de trainingsvorm. Kan je op alle drie de vragen ja antwoorden? Dan kun je spreken van een goede trainingsvorm.

• Wordt het spel gespeeld?
• Wordt het spel geleerd?
• Wordt er plezier aan beleefd?

Bij het beantwoorden van de eerste toetsvraag moet echter wel de context van de structuur van voetballen deels losgelaten worden. De vraag gaat meer over of het spel of de oefenvorm nog steeds aansluit op de doelstelling of op het oplossen van het originele beweegprobleem. Tevens controleer je of de oefenvorm loopt. Zijn de spelers wel bezig met de oefenvorm in plaats van het organiseren van de oefenvorm?

Om overzicht te creëren in de verschillen tussen differentieel leren en traditioneel leren is figuur 1 bijgevoegd





Ruis, oftewel variatie, is een key-element in differentieel leren. Ruis kan op de drie eerder beschreven bepalende factoren worden toegepast. Er kan gevarieerd worden binnen:
- De taak
- De omgeving
- Het individu



Als taak kan bijvoorbeeld gedacht worden aan één keer raken bij een gele bal en twee keer raken bij een witte bal. De omgeving kan op vele verschillende manieren gemanipuleerd worden, bijvoorbeeld door het spelen op een ovaalvormig veld. Variatie aanbrengen op het individu is complexer. Ervan uitgaande dat geen enkel individu op geen enkel moment ooit in exact dezelfde staat verkeert, één van de uitgangspunten van differentieel leren, kan je er als trainer-coach vanuit gaan dat dit bij het individu altijd aan de orde is. Tegelijkertijd is het wel mogelijk om ruis aan te brengen op het individu. Door bijvoorbeeld de speler vermoeid te laten starten aan een vorm of door op een bepaalde wijze te coachen. Een speler onder druk zetten en stress te laten ervaren in een oefenvorm, is hier een voorbeeld van. Houd hierbij rekening met de speler en werk altijd op pedagogisch verantwoorde wijze.

De constraint led approach (CLA) is een benadering binnen motorisch leren die ook gebruik maakt van de aangrijpingspunten taak, omgeving en individu. De CLA en differentieel leren worden daardoor nogal eens door elkaar gehaald. Bij de Q&A wordt hier dieper op ingegaan.

DL Toernooitjes: in steeds wisselende samenstellingen spelen onder steeds wisselende omstandigheden
Een mooie, praktische manier om differentieel leren structureel toe te passen is het spelen van differentieel leren (DL) toernooitjes. Elk wedstrijdje wordt er in andere samenstellingen gespeeld. Maak daarvoor een wisselsysteem en houd de punten bij. Plan één keer in de zes weken een toernooi met individuele winnaar in. Elke speler verdient dit toernooi punten. Aan het eind van dit toernooi is de speler met de meeste punten toernooiwinnaar. Elke speler neemt de verdiende punten mee naar het totaalklassement. Zo kan er aan het eind van het seizoen de balans worden opgemaakt. De winnaar krijgt bijvoorbeeld een gigantische wisselbeker.

In deze setting is het mogelijk om op een gestructureerde manier veel variatie aan te bieden. Het feit dat er elke wedstrijd met andere medespelers tegen andere tegenstanders wordt gespeeld is al een start. Vervolgens kan je ook nog drie verschillende ondergronden gebruiken, bijvoorbeeld kunstgras, natuurgras en tegels. De veldjes kunnen ook nog variëren in vorm, grootte en wijze van scoren. Ook kan je ervoor kiezen om niet met dezelfde aantallen te spelen. In plaats van drie keer vier-tegen-vier, kan je ook drie-tegen-drie, vier-tegen-vier en vijf-tegen-vijf neerzetten. Zorg er vervolgens voor dat er elke ronde met andere ballen gespeeld wordt en plan regelmatig rondes in waarbij er zonder hesjes gespeeld wordt.




Q&A
Verschil tussen CLA en differentieel leren.
De constraint led approach (CLA), door beperkingen gestuurde benadering, is een theoretisch model vanwaar je je trainingen kunt inrichten. Dit model helpt de trainer om de aandacht te richten. De beperkingen, die er in deze werkwijze worden opgelegd, sturen het spelgedrag van de voetballer. Evenals bij differentieel leren wordt er gewerkt met de omgeving, het individu en de taak. Dit zijn de factoren van waaruit de beperkingen worden ontwikkeld. In de praktijk kunnen de trainingsvormen, die bij differentieel leren en CLA gekozen worden, er hetzelfde uitzien. Het verschil zit hem in de keuze van de vormen. Bij differentieel leren worden de taak, de omgeving en het individu aangepast om variatie aan te brengen, zodat er ruis ontstaat. Bij CLA worden de aanpassingen bewuster gedaan, namelijk om het voetbalgedrag in een richting te sturen.

Waar ligt het optimum aan ruis ofwel variatie in het leerproces?
Hoewel er nog weinig tot geen onderzoek naar het optimum van de hoeveelheid ruis binnen differentieel leren gedaan is, zijn er wel hypotheses. Schöllhorn, de grondlegger van differentieel leren, vertelde daar in juni 2020 in een podcast het volgende over. Volgens Schöllhorn is dit optimum per individu verschillend en is het aan de coach om goed te observeren waar dit optimum per speler ligt. Dit is natuurlijk een makkelijkere opdracht voor een coach van een speerwerper, dan voor de coach van een voetbalteam. Tegelijkertijd is dit voor de voetbalcoach altijd aan de orde, immers het goed beïnvloeden van spelers kan niet zonder een goede observatie. Schöllhorn legde tevens de link naar ons onderwijs- en sportsysteem. Bij kinderen die nog niet via de traditionele, expliciete, weg geleerd hebben, ligt het optimum meer naar de rechterkant van de hypothetische grafiek uit figuur 2. Voor kinderen die al langer in het traditionele systeem meedraaien ligt dit optimum meer naar links. Met andere woorden, voor spelers die niet gewend zijn aan veel variatie in de training is het aan te raden om ze niet direct te overladen met een gigantische hoeveelheid aan ruis.

Bouw de hoeveelheid variatie op. Het faciliteren van ruis in het motorisch leerproces is altijd een wisselwerking tussen speler en coach. In sommige gevallen hoeft de coach geen extra ruis toe te voegen, omdat de speler zelf al voor voldoende ruis zorgt. In andere gevallen is de ruis, variatie in het oplossen van beweegproblemen, niet voldoende aanwezig bij de speler. Dan zal je als coach ruis moeten toedienen. Spelers die erg aan de rechterkant van de curve in figuur 1 zitten zullen van zichzelf veel ruis in hun leerproces hebben. Zij zouden geholpen kunnen worden door de ruis iets meer richting te geven naar het uiteindelijke leerdoel (wordt het spel gespeeld?). Spelers die aan de linkerkant zitten, zijn veelal gewend om specifieke beweegopdrachten van de coach op te volgen en een lineaire lijn te volgen in het leerproces. Zij zijn meer gebaat bij het langzaam toebrengen van ruis om die lineaire lijn te ontwrichten.



Hoe is dit uitvoerbaar op verschillende niveaus (met/zonder assistent-trainer)?
In de verschillende kaders vind je tips en trucs om differentieel leren direct op te nemen in je eerstvolgende training en hoe het kan worden opgenomen in een trainersjaarplan. Daarbij maakt het niet uit met hoeveel trainers de training geleid wordt. Het kan wel handig zijn om met een staf van twee of drie te zijn, om zo de taken te verdelen en snel om te kunnen schakelen naar verschillende voetbalsituaties. Differentieel leren kan worden toegepast op elk niveau. Van beginners bij onder 8 tot elitespelers bij Sparta en FC Groningen.





Tot slot
Differentieel leren is een wijze van trainen die afwijkt van de traditionele manier van trainen. De rol van de trainer-coach verschuift van instructeur naar facilitator. Het ontwerpen van voetballeersituaties staat centraal in het handelen van de trainer-coach. Goed observeren of de aangeboden variatie aansluit bij de trainingsdoelstelling en op basis daarvan de variatie bijstellen is een must. Tegelijkertijd is het van belang dat de trainer-coach niet schuwt om out of the box te denken en gebaande paden durft te verlaten bij het aanbieden van variatie in de oefenvormen. Dit artikel heeft een vertrekpunt gecreëerd. In het vervolgartikel wordt meer ingegaan op het ontwikkelen van creativiteit en tactisch inzicht door middel van differentieel leren.


De auteur
Danny Wals is gespecialiseerd in motorisch leren en het opleiden van trainers. Hij heeft ruime ervaring als voetbaltrainer onder andere voor de KNVB, is docent bewegingsonderwijs bij het Blaise Pascal College in Zaandam, docent UEFA C Youth voor de KNVB en heeft een master in Physical Education and Sport Pedagogy.

Met dank aan Ruben den Uil & Adrie Poldervaart.


Oefenvormen die bij dit artikel horen:
Oefenvorm 3340
Oefenvorm 3341
Oefenvorm 3342
Oefenvorm 3343
Oefenvorm 3344


 
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29

Of: spaar voor een gratis abonnement door te winkelen in onze webshop

Spaaractie
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
LOGIN
Log in met je trainerssite.nl account
Soortgelijke artikelen