Inloggen
U bent niet ingelogd. Inloggen
Trainers didactisch scholen (Special HHC)
Vrijdag 27 November 2020

Een didactische leerlijn wordt niet alleen binnen een jaarplan weggezet. Ook binnen de trainingsweek moet een logische opbouw zijn om een thema trainbaar te maken. Daar wordt bij HHC veel aandacht aan besteed vanuit het technisch kader. “Een aantal hele goede oefeningen bij elkaar zetten, zorgt er niet voor dat je een goede training hebt. Een thema slaagt pas als deze oefenvormen met elkaar in relatie staan. Daar moet je continu op sturen.”

Tekst: Twan Epe | Beeld: Sportfoto-oost / Ron Jonker

Gestructureerd werken vanuit een geperiodiseerd jaarplan en een didactische leerlijn binnen een trainingsweek is voor Erwin van Oosten, trainer van HHC O23, vanzelfsprekend. Hij zet bij HHC zijn kennis niet alleen in voor het O23-elftal, maar is ook hoofd opleiding van de middenbouw. Hij ontfermt zich over de trainers van JO15-1, JO14-1 en JO13-1 en neemt ze letterlijk mee in zijn werkwijze. “Aan het begin van het seizoen maak ik een jaarplanning, waar ik alle accenten en spelprincipes in zet. Ik vind dat je zeker bij jeugd niet van de hak op de tak moet springen in tactische accenten, maar een logische lijn moet aanbieden. De hele speelwijze moet aan bod komen en daarom moet je de accenten in mijn ogen goed in elkaar laten overlopen. Maar dan ben je er nog niet. Een vervolgstap is om die trainingen dan ook te vertalen naar goede trainingen, met een juiste didactische lijn binnen een trainingsweek. Bij de middenbouw merkte ik dat trainers dat moeilijk vonden, dus daar help ik ze nu bij. Iedere week sturen ze mij de training en geef ik feedback, maar ook heb ik ze een week bij mij laten meekijken. Ik heb ze een training laten zien waarin de didactiek systematisch is opgebouwd.”






1. Van jaarplan naar weekplanning
“Het jaarplan dat ik voor HHC O23 heb gemaakt, heb ik met de trainers van JO15-1, JO14-1 en JO13-1 gedeeld. Wij werken met drie zones bij aanvallen en verdedigen: op de eigen helft, rondom de middenlijn en op de helft van de tegenpartij. We laten die accenten in elkaar vallen, want opbouwen begint achterin en verdedigen voorin. Dus per week staan er dan twee accenten in het jaarplan, bijvoorbeeld: zone 1 bestaat uit hoog drukzetten en laag opbouwen. De trainer kan dan kiezen welk accent hij pakt en koppelt daar de spelprincipes aan die we bij HHC kennen (zie het kader ‘Spelprincipes’). Hij kan ook meenemen wat er in de wedstrijd niet goed ging”, zegt Van Oosten. “Op basis hiervan delen de trainers van de middenbouw iedere week de trainingsweek met mij. Dat doen ze op zondag. Zo zorgen we ervoor dat elke trainer zijn hele trainingsweek uitwerkt en nadenkt over een logische opbouw binnen een trainingsweek”, zegt Van Oosten. “Het viel mij op dat trainers vaak wel een training kunnen maken waarbij ze goede oefeningen kunnen bedenken. Alleen sluiten die qua didactiek niet altijd goed op elkaar aan. Je kunt binnen een trainingsweek van klein naar groter werken. Op maandag bijvoorbeeld 2-tegen-1 en 3-tegen-2 en dat uitbouwen naar dinsdag en donderdag.”


2. Van planning naar training
“Hierdoor worden spelers niet op donderdag pas geconfronteerd met een oriëntatiefase van het voetbalprobleem of een 6-tegen-5-partijspel, waarin het te trainen accent voor het eerst inhoudelijk terugkomt. Wanneer oefeningen niet op elkaar aansluiten in een training, dan wordt er een didactische lijn gemist. Daarom heb ik de trainers van de middenbouw een document gestuurd waarin ik een weekplanning heb uitgewerkt (zie hiervoor ook het kader ‘Weekplanning week 40’). In die trainingsweek stond zone 2 centraal: verdedigen als blok (verdedigen) en tussen de linies voetballen (aanvallen)”, legt Van Oosten uit. “Ik heb alle trainers van de middenbouw ook bij mijn training uitgenodigd en laten zien hoe we deze stappen zetten binnen een training. Zo probeer ik te laten zien wat het effect is van een gedegen trainingsopbouw. Thematisch werken is niet wat mooie oefenvormen verzamelen.”

“Bij mijn training, waar de middenbouwtrainers bij aanwezig waren, eindigde ik elke training met een grote eindpartij. In de oefeningen daarvoor heb ik didactische stappen gemaakt door de grote oefeningen simpeler te maken. Denk aan de thema’s ‘verdedigen als blok’ en ‘tussen de linies vrijkomen’. Dan is het simpelste wat je kunt doen, een 2-tegen-1-vorm (zie oefening 1). Zie het als ‘lummelen’. Je hebt drie vakken. In het middenvak staat een speler en in de buitenste twee vakken staan allebei een speler per vak, die bij elkaar horen. Ze proberen de bal naar elkaar over te spelen. Die vorm zet je twee keer naast elkaar uit. En dat kun je dan uitbouwen naar een vorm 4-tegen-2 (zie oefening 2), waarbij je de lijn tussen de twee veldjes weghaalt, en ze ineens samen de 4-tegen-2-oefening vormen. Zo breid je de vorm uit naar iets moeilijker. Bij het partijspel dat daarna volgde, had ik regels toegevoegd. Denk aan bij ‘verdedigen als blok’: je moet als team aangesloten zijn tot de middenlijn. Ben je dat niet, dan telt je doelpunt niet. Maar ben je als aanvaller nog niet terug als de tegenpartij scoort, dan telt dat doelpunt dubbel. Zo krijg je een klein veld waar je doorheen moet spelen en train je ook het andere accent op verdedigen. Op dinsdag en donderdag heb ik de training uitgewerkt op papier en via PowerPoint aan de trainers uitgelegd. Daarna hebben we het omgedraaid en zijn de trainers het ook zo gaan doen door elke trainingsweek uit te werken en naar mij te sturen, waarna ik bij hen ga meekijken. Op die manier werken alle selectieteams nu dus thematisch.”



3. Theorie in de praktijk toetsen
“Als je een thema gaat trainen, moet je ook echt dat thema trainen. En daar hoort een logische opbouw in qua vormen, maar ook in je trainingsweek. Door de trainers te vragen om iedere week hun weekplanning te sturen, probeer ik ze na te laten denken over het thema dat wordt behandeld en welke lijn ze daarin pakken qua oefenstof. Hierover gaan we ook met elkaar in gesprek en zo help je de trainers verder”, vertelt Van Oosten. “Op maandag rijd ik vanuit mijn werk altijd direct door naar de club en lees ik alle weekplanningen van de trainers door. De eerste groepen, JO13-1 en JO14-1, trainen om 18:00 uur. Daar ben ik dus direct vanaf de start bij. Ik bekijk dan de trainingen en beoordeel de gemaakte trainingen. Klopt het wat ze op papier hebben gezet? Klopt het accent dat ze centraal hebben gezet of doen ze hele andere dingen? Wat doen ze goed en wat kan een ander ervan leren? Heel veel dingen doen ze goed, maar andere dingen kunnen beter en daar moeten we dan over in gesprek met elkaar, zodat we ervan kunnen leren. Het gaat mij er uiteindelijk om dat trainers bewust zijn van wat ze doen.”

Van Oosten ziet veel jeugdtrainers die goede oefenstof bedenken, maar de oefeningen niet altijd met elkaar in lijn brengen. “Denk aan afwerkvormen die trainers tussen de vormen door doen. Daar is op zich niks mis mee en daar moet ook ruimte voor zijn. Je moet niet alles goed willen doen binnen de lijntjes. Maar de didactische lijn moet wel binnen een trainingsweek te herkennen zijn. Als je op maandag al begint met een partijvorm 6-tegen-5, dan maak je het je spelers en jezelf als trainer heel moeilijk. Dan begin je gelijk vrij groot, met veel spelers. Dat kun je vereenvoudigen en het voor jezelf zo makkelijk mogelijk maken. Dus je verkleint je trainingsaccenten naar hele kleine vormen en maakt ze steeds groter. Om een voorbeeld te geven. Trainers leren bij de cursus TC III een training op te bouwen in drie fases, de bekende oriëntatiefase, oefen-/leerfase en toepassingsfase. Zo zit het eigenlijk ook met een hele week.”

“Trainers begonnen bij ons op maandag met een oefening die ik op dinsdag als eindvorm zou geven. Dan sla je het oriënteren eigenlijk over en begin je gelijk in de oefen-/leerfase. Maar doordat je didactische stappen overslaat, wordt het voor de spelers ook moeilijker om te leren. En voor jou als trainer moeilijker om uit te leggen wat je zou willen zien”, verklaart van Oosten. “Daar heb ik dus didactische tussenstappen tussen geplaatst en gezegd: ‘begin nou eens kleiner en werk dat uit naar steeds groter’. Je wilt een doelstelling juist versimpelen en trainers maken het zichzelf soms zo moeilijk, omdat ze direct groot willen beginnen. Je kunt altijd in hoge intensiteit trainen bij jeugd en bij kleinere vormen is de intensiteit hoger, dus daardoor kun je ook op een andere manier naar het opbouwen van een training kijken. Voor spelers is het ook leuk om op die manier altijd op een hoge intensiteit te trainen en te werken.”

Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29

Of: spaar voor een gratis abonnement door te winkelen in onze webshop

Spaaractie
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
Juniorentraining


De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta Rotterdam).

Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Gerrit van Keulen, Willem Weijs en Tim Hanstede

Ze zijn nog jong (Weijs 32 en Simonis 34), maar hebben beiden al geruime ervaring als (jeugd)trainer. Daarnaast moeten ze alle twee jeugdspelers klaarstomen voor het hoogste niveau van Nederland. We vragen ze naar hun werkwijze die ervoor moet zorgen dat spelers de stap naar het eerste elftal kunnen maken. “We stellen ontzettend hoge eisen, waarin aspecten als winnen, de speelwijze en de individuele ontwikkeling dagelijks terugkeren en nagenoeg altijd samengaan.”

Wat zijn de grootste verschillen tussen de O19 en jongere leeftijdscategorieën?
Weijs: “Ik zie de opleiding binnen een Betaald Voetbal Organisatie of amateurclub als een piramide. Je ziet van de O13 veel spelers doorschuiven naar de O14 terwijl het allesbehalve vanzelfsprekend is dat spelers van de O19 de stap maken naar het eerste elftal. Die één of maximaal twee seizoenen die je daar doormaakt als speler zijn dus wel cruciaal voor de toekomst. Dat besef ik als trainer ook. Er zijn dan ook zaken die bij de O19 veel meer de aandacht verdienen dan bij de jongere elftallen. Ik wil mijn spelers namelijk opleiden voor de senioren, in mijn geval het eerste elftal van NAC. Dat zorgt ervoor dat winnen een belangrijker onderdeel wordt, maar ook de benadering naar spelers is directer. Spelers kunnen meer wissel staan dan bij de jongste jeugd. Dat zorgt voor teleurstellingen. En op het veld moeten er zaken structureel beter worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, zal dat meer consequenties kunnen hebben dan bij de jongere jeugd. Leren winnen is een belangrijk onderdeel van het opleiden en wordt bij oudere jeugdteams belangrijker dan bij jongere teams.”

Simonis: “De benadering in alles is anders. We bootsen eigenlijk de manier van werken van het eerste elftal na. Dat houdt in dat we elke week heel erg gericht toeleven naar de volgende wedstrijd. We hebben informatie van de tegenstander, waardoor we spelers tactisch voor kunnen bereiden op de eerstvolgende wedstrijd. Dat doen we op het veld, maar ook met beelden. Van spelers wordt veel meer geëist dat ze in staat zijn om de gehele wedstrijd bepaalde afspraken na te komen en is er gewoon simpelweg minder ruimte voor fouten. Ook eisen we bij Sparta Rotterdam dat spelers in staat zijn om als een topsporter te leven. Wij faciliteren dat, de spelers moeten aantonen daar alles voor over te hebben. Dan kunnen ze overleven, anders zal helaas de kans op uitstroming groter zijn.”

Wat is belangrijker: winnen of de ontwikkeling van een speler?
Simonis: “Topsport valt en staat met winnen. En wij brengen hier op ‘Het Kasteel’ de spelers in de gelegenheid om als een topsporter te leven. Dan is winnen daar dus ook een belangrijk onderdeel van. Winnen leer je door te winnen. Daarmee bedoel ik dat er in een week heel veel momenten moeten zitten waar spelers kunnen winnen (of verliezen). Dat doe ik aan de hand van het zogeheten ‘sterrenklassement’. Bij tal van oefenvormen tijdens de trainingen zijn er sterren te verdienen. Soms al tijdens de warming-up, natuurlijk tijdens de partijvormen, maar ook na afloop van een training tijdens bijvoorbeeld een strafschoppenserie. Winnaars verdienen sterren, verliezers krijgen niks en moeten vaak zelfs nog spullen opruimen. De uiteindelijke winnaars ontvangen mooie prijzen. Er ontstaat op deze manier een bepaald enthousiasme en fanatisme dat ik altijd wil zien. Een handig trucje, waardoor je het winnen stimuleert. Onze taak is spelers opleiden voor ons eerste elftal. De ontwikkeling staat dus altijd met stip op één, maar dat is bij het laatste stapje naar dat doel of die droom onlosmakelijk met winnen verbonden.”

Weijs: “Dat gaat in mijn ogen hand in hand met elkaar. Wij als trainers van een O19-ploeg moeten de spelers voorbereiden op het grote werk. Wij proberen de spelers dus ook maximaal te ontwikkelen. De prestaties bij een eerste elftal zijn echter vaak het allerbelangrijkste. Dan zou het vreemd zijn als winnen van ondergeschikt belang is. Ik breng dit in de praktijk door oefenvormen te bedenken die betrekking hebben op onze speelwijze en ruimte geven om het individu te ontwikkelen in combinatie met het element winnen. Hierdoor maak je winnen belangrijk en train je tegelijkertijd bijvoorbeeld een aantal spelprincipes. Ten koste van alles willen winnen is ook een kwaliteit waar een speler uiteindelijk heel ver mee kan komen en moet dus ook dagelijks benoemd en gestimuleerd worden. Heb je deze eigenschap niet als speler, dan wordt het een lastig verhaal in het betaalde voetbal, maar ook in het amateurvoetbal.”

Gaat het winnen weleens ten koste van de ontwikkeling van een speler?
Weijs: “Als je het goed doet niet, al zijn er natuurlijk wel uitzonderingen. Als een speler niet goed genoeg is en zonder hem maak je meer kans om een wedstrijd te winnen dan kun je daarvoor kiezen als trainer. Zo werkt het bij de senioren ook en dus mag je die stap bij de O19 al maken. Aan de andere kant hebben wij een aantal spelers dat steeds meer ruikt aan het eerste elftal. Als een jeugdspeler op zondag op de bank zit bij de A-selectie en daardoor dus ook op zaterdag mee moet trainen, dan mist hij een wedstrijd van ons. Dan is de kans misschien iets kleiner dat we winnen, maar dan staat de ontwikkeling van een speler op één natuurlijk.

Waar ik op doelde met ‘als je het goed doet niet’, is de inhoud die je dagelijks traint. Zoals gezegd is winnen een belangrijk aspect binnen de O19. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het juist een onderdeel van de ontwikkeling van een speler is. Als je een duidelijke visie hebt als trainer of als club en deze trainbaar kunt maken, gaan ontwikkeling en winnen prima samen met elkaar. Een voorbeeld: als jeugdtrainer van de O13 werk je met spelers die veel minder tactische vaardigheden hebben en nog veel minder zelf in staat zijn om keuzes te maken dan bij de oudere jeugd. Als je een week lang de opbouw traint met drie verdedigers zou je ervoor kunnen kiezen om dat koste wat het kost terug te willen zien in de wedstrijd om de spelers dat te laten ervaren. Dus ook als de tegenstander daar een passend antwoord op heeft waardoor je in de problemen kunt komen.

Bij de O19 zou dat ten koste gaan van winnen en dat zou naïef zijn. ‘We zijn aan het opleiden dus ze mogen een maand of een jaar voordat ze debuteren tien fouten in één wedstrijd maken.’ Dat is natuurlijk onzin en strookt niet met de mentaliteit bij eerste elftallen. Daarom trainen wij dusdanig veel scenario’s, dat de ontwikkeling van de speler niet ten koste gaat van het winnen. Lukt de eerste manier om op te bouwen of om druk te zetten niet, dan hanteren we optie twee, drie of vier. Op deze manier ontwikkelen we de spelers als het gaat om de speelwijze en wordt de kans op winnen niet verkleind. Sterker nog: door het trainen van scenario’s en dus direct de speelwijze, vergroot je de kans om te winnen.”

Simonis: “Zoals gezegd staat de ontwikkeling bovenaan en hoort winnen daarbij. We hebben inmiddels vier spelers doorgeschoven naar Jong Sparta Rotterdam (Tweede Divisie), waarvan er ook al enkele geregeld met het eerste elftal meetrainen. Om aan te geven dat de speler altijd op de eerste plaats staat.

Wel is het zo dat winnen, naarmate spelers ouder worden, belangrijker wordt. Ik heb zelf allerlei leeftijden getraind en dan merk je veel verschil. Jonge spelers krijgen vanzelfsprekend meer tijd om tactische of technische vaardigheden te ontwikkelen en mogen ook meer fouten maken. Bij de O19 is daar weinig tot geen ruimte meer voor. Wij bereiden ons de hele week voor op de wedstrijd die gaat komen. Wij kijken naar de mogelijkheden om deze wedstrijd te winnen. Je kunt er dan voor kiezen om dit elke week met een aantrekkelijke speelstijl te bewerkstelligen, maar uiteindelijk gaat het wel om winnen.

Ik merk nu ook aan mezelf dat ik juist heel veel voldoening haal uit het resultaat dat voortkomt uit het strijdplan dat is getraind. Daar leren spelers in mijn ogen ook heel veel van, want het kan dus de ene week anders zijn dan de andere week. Zo kunnen wij ploegen tegenkomen die het initiatief aan ons overlaten, maar ook ploegen die zelf graag het heft in handen nemen. De kansen en bedreigingen zullen in die verschillende wedstrijden dus anders zijn en daar bereiden wij onze ploeg op voor. Zo kan het strijdplan iedere week iets anders zijn, zonder onze eigen identiteit te verliezen met daarbij horende afspraken binnen onze speelwijze.”

De winnaarspoule is een logisch gevolg van veel wedstrijden winnen. Is deze poule belangrijk voor jullie spelers?
Weijs: “De competitie is essentieel voor mijn spelers. De stap naar de senioren is moeilijk, omdat er voor minder spelers plek is, maar de stap is verder ontzettend groot, omdat het leeftijdsverschil ineens onbeperkt is. Je gaat dus tegen spelers voetballen die veel verder in hun ontwikkeling kunnen zijn op technisch, tactisch, mentaal of fysiek vlak en vaak ook veel ouder zijn. Ik vind het daarom essentieel dat mijn spelers nu wekelijks tegen de beste tegenstanders van het land spelen. De voetbalacties zijn van een hoger niveau en in een hoger tempo en worden ook nog eens langer volgehouden. Elke week worden mijn spelers maximaal uitgedaagd om hier iets tegenover te stellen. Het talent ontwikkelt zich dus op dit niveau in een veel hoger tempo.”

Simonis: “Uiteraard, maar voor de lichting die ik nu onder mijn hoede heb misschien nog wel meer. Zij slaagden er namelijk jaar na jaar steeds net niet in om de winnaarspoule te bereiken bij de voorgaande elftallen. Dus dit geeft deze groep wel weer een extra boost. Wij proberen er alles aan te doen om spelers op te leiden voor het eerste elftal door onder andere vaak aan te geven dat het ‘vijf voor twaalf’ is. De tijd begint immers te dringen. De faciliteiten zijn daarom ook dik in orde. Echter alles komt in een stroomversnelling wanneer je op een niveau acteert waar elke speler iedere zaterdag in alles maximaal moet leveren. Dus het winnen heeft ervoor gezorgd dat de spelers dit laatste half jaar nog beter worden voorbereid op een eventueel bestaan als profvoetballer. Als je het mij vraagt, zou dit dus een prima visie van een club op welk niveau dan ook kunnen zijn,. Een hoger niveau zorgt voor een snellere ontwikkeling van de spelers. Daarvoor moeten dus eerst wedstrijden gewonnen worden. Indirect heeft dat dus wederom met de ontwikkeling van spelers te maken.“

Simons en Weijs, opleidingstrainers bij uitstek, hebben dus wel een verandering in benadering toegepast nadat zij de stap maakten naar het oudste jeugdteam. Alles moet beter en is gericht op de stap naar de senioren. Toch blijkt in de praktijk dat deze stap nog altijd erg groot is voor jeugdspelers. Maar de werkwijze waar op dit moment bij NAC en Sparta Rotterdam voor gekozen wordt, moet ervoor zorgen dat deze talentvolle spelers al tijdens hun jaren bij de O19 worden voorbereid op het grote werk en dus in staat zijn om zich gemakkelijker aan te passen als het zo ver is.

Simonis: “Als je spelers klaar wilt stomen voor het eerste elftal en dus het betaalde voetbal, moet je als O19-speler leven als een prof en ook in de gelegenheid zijn om dat te kunnen doen. Dat faciliteren wij zoveel mogelijk. Ook bij de amateurs zie je vaak dat deze stap groot is. De mentaliteit is anders, er wordt soms meer getraind en er wordt in een hoger tempo gevoetbald. Dat kun je naar elkaar toebrengen door een plan te hebben voor het hoogste jeugdteam. Maak winnen belangrijker, ga vaker met de sterkste basisopstelling werken, integreer krachttraining en verhoog de trainingsintensiteit en laat spelers geregeld meetrainen met de senioren. Allemaal opties om het gat te verkleinen.

Wij doen dat door nagenoeg op dezelfde manier te werken als het eerste elftal. De trainingsweek is gericht op de eerstvolgende wedstrijd. In het begin van de week blikken we aan de hand van ons videoanalyse-systeem terug op onze eigen wedstrijd. Vervolgens bekijken we beelden van de tegenstander en komen zo tot onze kansen en bedreigingen. Als een tegenstander heel snel is in de omschakeling naar aanvallen, moeten we dus een training bedenken waarin de spelers in die teamfunctie worden uitgedaagd. Als een ploeg moeite heeft met diepgaande middenvelders, worden de hoofdrolspelers van ons team tijdens een training verzocht om in balbezit de ruimte achter de laatste lijn op te zoeken. We kunnen dan het moment en de richting prima op elkaar afstemmen en bereiden ons dus goed voor op de wedstrijd. Verder hechten wij veel waarde aan spelhervattingen, zowel verdedigend als aanvallend. Statistisch gezien wordt daar veel uit gescoord en verdient dat dus ook de aandacht. We trainen op hetzelfde veld als het eerste en de randvoorwaarden zijn prima in orde.”

Weijs: “De spelers hebben gewoon nog maar heel weinig tijd om zich te ontwikkelen en moeten de club overtuigen van hun kwaliteiten en meerwaarde voor het eerste elftal. Een contract staat op het spel en ik vind als trainer dat ik ze daarbij moet helpen. Uiteraard is de speler voor een heel groot gedeelte zelf verantwoordelijk voor het wel of niet slagen als voetballer, maar ik vind dat wij als trainers wel een helpende hand moeten bieden. Ik voel me zelfs verantwoordelijk voor mijn spelers of zij het wel of niet halen. Ik weet inmiddels wat er gevraagd wordt en welke kwaliteiten spelers moeten bezitten om de stap te maken. Dan is het dus ook mijn taak om ze dagelijks in situaties te brengen, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen. Bij de senioren zijn de eisen hoog en dus ook tijdens de laatste stap daarnaartoe.

We zijn bezig met voeding en we hanteren veel beelden, ook van trainingen. We behandelen persoonlijke doelen en laten spelers net als bij het eerste elftal met hartslagmeters en GPS-systemen voetballen om te kijken of zij in staat zijn om het hoge tempo, dat gevraagd wordt, vol te houden. Doordat ik me verantwoordelijk voel, de lat hoog leg en elke dag hoge eisen stel aan mijn spelers, gaan de spelers, die doorhebben wat er op het spel staat, daarin mee. En ik heb gemerkt wanneer dat het geval is, spelers ook in het laatste jaar als jeugdspeler nog hele grote stappen kunnen maken.”
 /F1.jpg" />
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?
Gepubliceerd in April 2019
Wat is belangrijk bij het trainen van de O19 (1)?

De O19 is een zeer belangrijke fase voor spelers. Na jaren ‘veilig’ in de jeugd gespeeld te hebben, moeten ze na de O19 klaar zijn voor de stap naar de senioren. Wat betekent dat als trainer? Hoe ga je daar mee om? In deel 1 vragen vragen we het aan twee O19-trainers die geselecteerd zijn om de UEFA-Pro te mogen volgen: Willem Weijs (NAC) en Paul Simonis (Sparta R