Inloggen
U bent niet ingelogd. Inloggen
De puzzel van de topsporter
Dinsdag 10 November 2020


Enkele maanden geleden liep de 20-jarige Femke Bol op de 400 meter horden een record van meer dan twintig jaar oud uit de boeken. Wat was er nodig om tot deze prestatie te komen? Aan het woord is Bram Peters, die Bol vanaf haar 16e begeleidt.


Tekst: Paul van Veen | Beeld: Imago Images / Insidefoto

Voor degenen die het niet weten, Bram zelf was ook topsporter. In 2014 deed hij wat Femke Bol in juli 2020 deed: hij liep een Nederlands record uit de boeken dat al jaren stond. Hij deed dat op de 400 meter, Femke deed dat op de 400 meter horden. Helaas raakte hij begin 2016 voor de zoveelste keer geblesseerd, waardoor zijn droom, kwalificatie voor de Olympische Spelen voor 2016, in duigen viel.

Op dat moment was hij al coach bij een lokale atletiekvereniging. “Dat begon met recreatieve sporters tot steeds meer gespecialiseerde groepen, waar we ook aan NK’s gingen deelnemen en medailles gingen winnen. Toen dat goed ging, was het makkelijker mijn carrie?re als atleet achter me te laten. Dat was ook de tijd dat Femke Bol bij de groep kwam.”

Mentaal
“Niet alleen is trainen heel belangrijk, maar het mooie aan het coachen vind ik het (mentaal) voorbereiden van een sporter om deze op zijn allerbest te krijgen. Dat betekent de juiste dingen zeggen om de goede mindset te bereiken. Dat is bij iedere atleet enorm verschillend. Het boeit me heel erg om de puzzel voor die specifieke sporter op te lossen.”

“Zo hebben we een jaar gehad dat Femke in wedstrijden niet vooruitging in haar PR’s, terwijl we op de trainingen wel veel vooruitgang boekten. De reden was het extra stukje druk dat bij een wedstrijd komt kijken. Ze had het idee dat de hele wereld over haar schouders meekeek, had hele hoge verwachtingen van zichzelf, maar ze voelde ook verwachtingen van bijvoorbeeld mij als coach.”

“Maar dat was alleen bij de wedstrijden, op alle andere gebieden ging ze namelijk wel vooruit. Als je het fysiek op de training wel kan en bij een wedstrijd niet, dan is de enige blokkade die tussen de oren. Om die blokkade om te heffen is een proces van vallen en opstaan. Je moet de juiste dingen zeggen om die blokkade weg te krijgen.”

“Je zag dat ze heel erg bezig was met de dingen waar je zelf geen invloed op hebt, zoals bijvoorbeeld de weersomstandigheden, de windrichting, de tegenstanders waar ze tegen loopt of de baanindeling. Zij heeft geleerd om dat te parkeren in de warming-up, waardoor ze zich kan focussen op de dingen waar ze wel invloed op heeft. Dat is haar eigen raceplan en haar eigen ding doen. Dat heeft ze zich eigen gemaakt: als zij zich in de warming-up betrapt, dan schudt ze met haar hoofd en haalt ze haar eigen race erbij en die heeft ze van tevoren al honderd keer gevisualiseerd. Dat is voor haar de truc: dat je altijd in het hier en nu blijft. Wij noemen dat in het actiedenken blijven en niet in het verhaaldenken terecht komen.”

Puzzel
“Dat leer je door hier heel veel met elkaar over te praten. De echte doorbraak, althans volgens mij, was vorig jaar het NK-indoor. Daar kwam ze als underdog het NK binnen en voor de warming-up zijn we daar een rondje gaan lopen, even weg van de drukte. Daar kon ze even haar ei kwijt. Daar kon ze alle gedachtes, waar ze eigenlijk niet aan mocht denken, eruit gooien. Op het moment dat we klaar waren met het rondje lopen zei ik dat ze alles wat ze gezegd had aan de kant moest zetten en daar mocht ze niet meer aan denken. Dat was de eerste keer dat ze het raceplan tijdens een wedstrijd perfect uitvoerde en toen werd ze Nederlands kampioen. Voor de buitenwereld onverwacht, wij wisten al dat ze het kon. Sindsdien heeft ze het trucje door en blijft ze dit doen. Dat die puzzel eindelijk in elkaar valt, dat zijn de mooie momenten als coach. Maar belangrijk om te realiseren is dat hier ook veel wedstrijden aan vooraf zijn gegaan waar het dus niet lukte en dat je vervolgens moet omgaan met die teleurstelling.”

Aapje
“Ik heb van Charles van Commenee geleerd dat je dit eigenlijk moet vergelijken met een aapje van ongeveer vijf kilo op je schouder. Dat aapje is eigenlijk de spanning en druk die je hebt voor een wedstrijd. Als je die dus mee het startblok in neemt, dan loop je dus die hele race met die extra vijf kilo. Je moet er dus op de een of andere manier voor zorgen dat je dat aapje van jouw schouder afkrijgt voordat je het startblok ingaat. Je moet accepteren dat het er is, maar je moet weten wat het precies is. Op het moment dat je het bespreekbaar maakt, pas dan kun je het wegnemen en loslaten. Dat deden we met Femke in dat looprondje.”

“Dat looprondje hebben we het hele seizoen gedaan, maar uiteindelijk is het belangrijk dat het zelfstandige atleten zijn. Dat hoort bij het volwassen atleet zijn en daarnaast is dat heel praktisch: ik kan simpelweg niet bij iedere wedstrijd aanwezig zijn. Dus nu wandelt ze zelf dat rondje en gaat ze die dingen doornemen en is ze in staat om dit zelf volledig te parkeren.”

“Bij Femke is dit goed gelukt, maar je ziet ook atleten die het helaas niet voor elkaar krijgen en uiteindelijk bezwijken onder de (wedstrijd)druk. Femke kan dat inmiddels zo makkelijk een plaats geven in haar leven en zoals ze pas zo mooi zei: ik probeer gewoon Femke te blijven.”

Visualiseren
“Het visualiseren waar ik het zojuist over had is heel normaal in de atletiek. Ik deed dat zelf ook al. Voordat ik die race had gelopen, had ik die race al honderd keer in mijn hoofd gelopen. Dat is ook iets dat ik mijn atleten aanbied en ik stimuleer ze om dat te gebruiken, omdat ik weet wat voor positief effect dat kan hebben. Maar niet iedereen doet het. De een vindt het heel fijn, de ander vindt het helemaal niks. Dat is ook niet erg. Het is niet zo dat je moet visualiseren als ik je coach ben, ik kan het alleen aanbieden. Zo hebben we onlangs op Papendal met een groep een yoga-sessie gedaan en die hebben we afgesloten met wat ademhalingsoefeningen en daarin geef ik ze de ruimte om hun favoriete race te visualiseren.”

“Vandaag de dag is Laurent Meuwly de hoofdcoach van Femke, maar ben ik als assistent nog heel nauw betrokken bij haar ontwikkeling. Femke is namelijk al heel goed, maar kan nog beter. Naast snelheid en uithoudingsvermogen, kan ze ook nog op de techniek verbeteren. Wat ze nog kan verbeteren? Als je over een horde heen springt, dan zet je ongeveer 2,5 meter voor de horde af en gaat het eerste been over de horde recht naar voren. Dat noemen we het opzwaaibeen. Dat gaat bijna gestrekt en is relatief makkelijk. Het gaat om het tweede been. Uiteindelijk is je doel om zo laag mogelijk over de horde heen te gaan. Immers, als je minder hoog gaat, raak je ook minder energie kwijt bij het springen. Daarnaast kost ook de landing minder energie, je komt immers van minder hoog. Om dit te bereiken wil je het tweede been (het bijtrekbeen) wat zijwaarts bijhalen. Op dit moment zit de knie van Femke nog lager dan haar voet. We zijn bezig om de knie wat meer naar buiten te laten wijzen, zodat de enkel meer over de horde gaat scheren in plaats van haar knie. Dit is al zoveel beter dan twee jaar geleden, maar daar is nog wel winst te behalen. Je moet het als een weg van A naar B zien, waar we op de helft zitten.”

“Het gaat daarbij om details. Gelukkig kunnen we op Papendal met allemaal goede middelen trainen. Alles wordt gefilmd en tot in detail uitgemeten om zo tot de optimale beweging te komen. Dit helpt ook bij het bewustzijn cree?ren bij de atleet. We laten Femke dan bijvoorbeeld op video zien waar haar knie zit en waar die nog heen kan. Dit is een kwestie van heel veel herhalen en heel veel doen. Ze loopt ook pas twee jaar horden, dus dat heeft nog tijd nodig.”

“Nu op Papendal hebben we de meest geavanceerde methodes, maar ook toen ik nog bij een lokale club werkte, verzon ik altijd wel manieren om het meetbaar te maken. In mijn ogen moet alles wat je traint meetbaar zijn. Er zijn ook coaches die zeggen: ik zie toch dat het beter is, maar als je dit kunt laten zien met getallen, werkt het in mijn ogen beter voor zowel de coach als de sporter. Als we bijvoorbeeld op snelheid trainen, dan kunnen we dat gewoon gaan doen en hopen dat het vooruit gaat, echt zeker weten zul je het nooit doen. Stel iemand loopt over 30 meter 3 seconden en 40 honderdsten. Dan moet ik wel weten dat we na 8 weken trainen sneller lopen. Anders is er iets mis met mijn training.”

“Dat is weer gelijk met wat we nu doen. Zo oefenen we bijvoorbeeld de start tot en met horde 3 en dan weten we precies wanneer zij na de eerste horde landt, etc. Dat is natuurlijk ook het mooie aan atletiek: alles is heel erg meetbaar, overal hebben we benchmarks voor. Een jaar geleden deed zij het neerkomen na horde drie in 11,0 seconden. In vergelijking met de wereldtop verloor ze daar best veel en probeerde we haar naar 10.7 seconden te krijgen en dat is gelukt.”

Talent
“Femke is een fysiek talent. Als je naar haar lichaamsbouw kijkt, dan is zij gemaakt voor deze 400 meter horden. Met haar lengte van 1m84 komt ze vrij gemakkelijk over die horden van 76 centimeter hoog heen. Daarnaast zet ze passen van 2m25 en voor een 400 meter horden in haar paspatroon heeft ze passen van 2m20 nodig. Dat komt dus allemaal bij elkaar.”

“Daarnaast is er ook nog een fysiologisch talent. Ze kwam binnen als 400-meterloper en ze is op haar sterkst in de laatste 200 meter van de 400 meter, dus die was eigenlijk net iets te kort voor haar. Een 400 meter horden duurt ongeveer vier seconden langer dan een 400 meter vlak. Dat zijn vier seconden die in haar comfortzone vallen.”

“Maar er is ook een mentaal talent. Toen zij voor het eerst bij mij kwam trainen, viel me e?e?n ding meteen op. Zij onderscheidde zich van al haar leeftijdsgenoten (en dat is nog steeds zo) door haar manier van denken en haar mindset. Zij maakte toen al keuzes wat het beste was voor haar en haar sport. Als zij op zaterdag een hele zware training had en haar vriendinnen hadden vrijdag een feestje gepland, dan zorgde ze ervoor dat ze wat eerder wegging, zodat ze op die zaterdag volledig fit op de baan stond. Als zij ook maar het idee had dat iets haar training zou bei?nvloeden, dan deed ze dingen niet. Die gedrevenheid en passie, dat is natuurlijk ook een deel talent. Natuurlijk is een professionele attitude/houding aan te leren, maar als je dit van nature of vanuit opvoeding al hebt, dan is dat wel een groot voordeel.”

Gek
“Iedere 400-meterloper is eigenlijk een klein beetje gek. Veel voetballers hebben waarschijnlijk geen idee hoeveel pijn de 400 meter doet. De laatste 100 meter van die race ben je helemaal op. Je zit zo diep in de verzuring dat je je benen niet meer opgetild krijgt, dat is altijd weer lijden. Je moet er als 400-meterloper toch wel een beetje van houden. Dat is niet alleen in de wedstrijd zo, maar in de training ga je dat ook 1 keer in de week opzoeken. Dan loop je dus 4 keer 300 meter volle bak en na de tweede zit je al tegen overgeven aan. Vervolgens moet je opstaan, want de derde loop begint alweer bijna. Natuurlijk is dat tijdens de training niet leuk, maar achteraf kun je daarvan wel genieten.”

Breed opleiden
“In de atletiek worden de pupillen tot 11 jaar heel breed opgeleid en daarna ga je je vaak specialiseren in bepaalde onderdelen (sprint, springen of werpen). Dat is in mijn ogen wat vroeg. Je zou volgens mij best wel een aantal jaar langer algemeen moeten trainen. Overigens is Femke ook al op vrij jonge leeftijd begonnen met de 400 meter.”

“Veel trainers in Papendal hebben een ALO- of CIOS-achtergrond en we vinden bijna allemaal wel dat atleten breed opgeleid moeten worden. Ook de topsprinters op Papendal stoten nog steeds af en toe met een kogel en er is ook een sprintster die nog 1 keer per week turnt. Zo hebben we pas met het team topsprinters gevolleybald of gebasketbald. Voor de belastbaarheid van een sporter is het belangrijk om een algemene beweger te zijn. Daar zijn we allemaal voorstander van. Daarnaast vinden ze het leuk, het is goed voor de teamspirit en dus ook goed voor in het hoofd. Natuurlijk doe je dit niet als je in het wedstrijdseizoen zit of vlak voor een wedstrijd, maar als je in een voorbereidingsperiode zit in oktober of november, dan is het prima om out-of-the-box te trainen.”

Voordeel
“Ik denk dat het zeker een waarde heeft dat ik zelf ook 400-meter- loper ben geweest. Soms hoor je wel eens trainers die zelf geen atletiek gedaan hebben tegen 400-meterlopers zeggen: blijf gewoon je kniee?n omhoog doen tijdens de laatste 100 meter. Dat kun je leuk zeggen, dat doet zoveel pijn, dat gaat gewoon niet. Ik herken de pijn die ze hebben en wanneer ik ze door moet pushen en wanneer niet.”

“Nu als coach vind ik het mindsetgedeelte heel belangrijk en het gekke is dat ik daar als sporter zelf niet zo goed in was. Ik wist wel hoe het moest, maar ik kon het niet. Ik weet nu hoe ik die skills moet aanleren bij atleten. Als ik mezelf had moeten trainen, dan had ik me vooral aangeleerd om meer geduld te hebben. Ik had vrij snel een goed niveau, maar ik was eigenlijk te snel voor mijn lichaam. Ik had een grote motor, maar mijn carrosserie kon het nog niet aan. Ik had eerst twee jaar moeten bouwen aan die carrosserie. Meer krachttraining, zorgen dat al die kleine spiertjes sterk worden. Dan was ik fit was gebleven, meer belastbaar geweest en dan denk ik dat mijn prestatieplafond wat hoger was geweest. Dat was, denk ik, de oplossing van mijn puzzel geweest.”
Wilt u het hele artikel lezen?

Log dan in met je account van TrainersMagazine of abonneer je op Het Voetbal KennisPlatform. Je hebt al toegang tot 1000+ artikelen voor minder dan drie tientjes per jaar.

Abonneren voor €29

Of: spaar voor een gratis abonnement door te winkelen in onze webshop

Spaaractie
Het Voetbal KennisPlatform is gratis voor totaalabonnees op TrainersMagazine
Communiceren & leiderschap